ECLI:NL:RBOVE:2026:4029

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
12016834 \ CV EXPL 25-2229
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:76 BWArt. 6:171 BWArt. 6:162 BWArt. 6:170 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding auto na afwikkeling totaalverlies

Eiser stelde Achmea en een transportbedrijf aansprakelijk voor schade aan zijn auto die tijdens transport en opslag was ontstaan. De auto had brandschade en daarnaast werd schade aan de onder- en voorzijde vastgesteld. Eiser ontving een schadecalculatie van €8.117,20 en stelde Achmea en het transportbedrijf aansprakelijk.

Partijen hadden echter op 20 december 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin de schade werd afgehandeld op basis van totaalverlies, met een uitkering van €12.990 inclusief btw als finale kwijting. Eiser wilde de auto behouden en was akkoord met deze regeling, waarbij geen aanvullende claims mogelijk waren.

De kantonrechter oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst dwingend bewijs levert en dat alle schadecomponenten met de uitkering zijn gedekt. De door eiser gestelde hogere vervangingswaarde deed hieraan niet af. Daarom wees de kantonrechter de vorderingen af en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten van Achmea en het transportbedrijf.

Uitkomst: Vordering schadevergoeding afgewezen wegens afwikkeling op basis van totaalverlies in vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12016834 \ CV EXPL 25-2229
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.M. Brandsma,
tegen

1.ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn,
hierna te noemen: Achmea,
gemachtigde: mr. A.S. Bloo-Kroes,
2.
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.E.M. Langerhuizen,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord van Achmea
- de conclusie van antwoord van [gedaagde]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026
- de spreekaantekeningen van [eiser]
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[eiser] stelt Achmea en [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die volgens hem is ontstaan aan zijn auto tijdens het transport of de tussentijdse opslag door [gedaagde] . De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af omdat er de schade al is afgewikkeld op basis van een totaalverlies van de auto.

3.De feiten

3.1
[eiser] is eigenaar van een personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).
3.2
Voor de auto heeft [eiser] een autoverzekering afgesloten met pechhulpdekking bij Achmea.
3.3
Op 29 juli 2023 kreeg [eiser] autopech. Door een kortsluiting onder de motorkap is er een brand ontstaan.
3.4
[eiser] heeft toen contact opgenomen met de alarmcentrale van Achmea: Eurocross. Eurocross heeft diezelfde dag een opdracht verstrekt aan [gedaagde] om de auto te vervoeren naar een nabij gelegen reparateur, te weten [bedrijf 1].
3.5
Na het opladen is de auto tussentijds opgeslagen op een terrein of in een gebouw van [gedaagde] in [vestigingsplaats 2]. De auto is vervolgens op 31 juli afgeleverd bij [bedrijf 1].
3.6
Op 1 augustus 2023 heeft [bedrijf 1] de auto geïnspecteerd. Tijdens deze inspectie is schade geconstateerd aan de onder- en voorzijde van de auto.
3.7
Achmea heeft een expert ingeschakeld om onderzoek te doen naar de schade. De expert heeft de auto op 3 augustus 2023 gezien.
3.8
[eiser] heeft aan [bedrijf 1] de opdracht gegeven om de schade aan de onder- en voorzijde van de auto te begroten.
3.9
Op 3 oktober 2023 heeft [eiser] een schadecalculatie ontvangen van [bedrijf 1] voor het herstel van de schade. De schade is begroot op een bedrag van € 8.117,20 inclusief btw.
3.1
Per e-mailbericht van 3 oktober 2023 heeft de echtgenote van [eiser] Eurocross per e-mail aansprakelijk gesteld voor de schade.
3.11
Op 20 december 2023 hebben [eiser] en Achmea een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) Beste meneer [eiser] ,
Op 19 december 2023 bereikte ik met u een akkoord over de afwikkeling van de schade aan uw Mercedes met kenteken [kenteken] .
Het voertuig raakte op 29 juli 2023 beschadigd door brand.
Als gevolg van de brand zijn veel technische storingen in het voertuig ontstaan. Goed en deugdelijk herstel is door het gebruik van een poederblusser en het verstrijken van de tijd erg moeilijk geworden. Daarbij komt dat wij geen reparateur vonden die herstel goed en deugdelijk kon uitvoeren.
Ik wikkel de schade nu af op basis van totaal verlies en stelde de dagwaarde van het voertuig, direct voor de brand, vast op EUR 17.250,- incl. BTW.
Het restant bracht, nadat ik nieuwe biedingen liet uitbrengen, EUR 4.260,-- incl. BTW op
De schade op basis van totaal verlies is daarmee EUR 12.990,-- incl. BTW.
U gaf aan dat u het restant zelf wil behouden.
Mogelijk gaat u het voertuig herstellen. Er is echter, als het herstel tegenvalt, geen aanvullende claim mogelijk omdat de schade nu wordt afgewikkeld op basis van totaal verlies.
Akkoordverklaring.
U gaat akkoord met de schadeafwikkeling.
In goed overleg zijn wij overeengekomen dat met de vastgestelde schade à EUR 12.990,-- incl. BTW alle schadecomponenten die het gevolg zijn van de brand in uw voertuig van 29 juli 2023 zijn inbegrepen. Ook eventuele niet materiële schade.
U gaat akkoord met een bedrag van EUR 12.990,-- incl. BTW als finale kwijting voor dit schadegeval, bekend onder schadenummer [schadenummer].(..)
3.12
Op 12 juni 2024 heeft [eiser] Achmea per aangetekende brief aansprakelijk gesteld voor de door hem gestelde schade aan de onder- en voorzijde van de auto.
3.13
Op 26 juni 2024 heeft Achmea hierop gereageerd. Achmea heeft de aansprakelijkstelling van de hand gewezen omdat de schade niet is verzekerd en de schade al is vergoed op basis van de dagwaarde tegen finale kwijting.
3.14
Per brief van 27 september 2024 heeft [eiser] ook [gedaagde] rechtstreeks aansprakelijk gesteld.
3.15
[gedaagde] heeft hiervan melding gemaakt bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR).
3.16
ASR heeft vervolgens een spoed expertise aangevraagd bij expertisedienst CED.
3.17
Op 29 oktober 2024 heeft de expert van Achmea Expertise, de heer [naam 1] een aanvullende toelichting gegeven. Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) Op 19 december 2023 rapporteerde ik de dagwaarde van het voertuig op een bedrag van EUR 17.500,-- incl. BTW.
Deze waarde is, zoals het rapport aangeeft, gebaseerd op de staat van het voertuig direct voor de brand. Dit was nog vóór het voertuig werd geborgen en tijdens het transport, waarbij het kennelijk met de voorbumper de oprijwagen raakte.
Ik heb deze waarde van EUR 17.500,-- incl. BTW besproken met de verzekerde en daarbij aangegeven dat dit de waarde van het voertuig in goede staat was. De voorbumperschade, die volgens de opgave ontstond tijdens de berging, en het eigen gebrek aan de dynamo – wat niet verzekerd is – zijn expliciet genoemd. Beide schades hebben geen invloed gehad op het bepalen van de dagwaarde.
Op 6 december 2023 rapporteerde expert [naam 2] het volgende tijdens de inspectie van de onderzijde van het voertuig:
“Wij hebben vastgesteld dat de lak van de voorbumper op minimaal vier plaatsen tot aan de bovenzijde van de voorbumper is gekraakt. Tevens zit er een PDC-sensor niet op zijn plaats. Deze verschillende beschadigingen kunnen absoluut niet tijdens het lieren van de auto op het bergingsvoertuig zijn ontstaan. Er is duidelijk sprake van meerdere beschadigingen, welke door eerdere aanrijdingen zijn veroorzaakt.
Tijdens mijn inspectie in december 2023 heb ik ook gezien dat de voorbumper iets had geraakt. Ik heb dit beoordeeld als een beperkte schade die hersteld kon worden.
Verder heb ik, evenals expert [naam 2] van CED, geen schade aan de onderzijde van het voertuig waargenomen die in relatie is te brengen met het transport.(..)
3.18
Op 28 februari 2025 heeft ASR het door CED opgestelde expertiserapport met [eiser] gedeeld. In het rapport staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) Vervolgens hebben wij de laad locatie bestudeerd. Hierbij constateerden wij dat het mogelijk was dat de tegenpartij met de voorzijde in de berm is gekomen waardoor er mogelijk de beschadiging en het zand op de bumper is gekomen (zie foto 3).
Echter, als wij de ontvangen foto van de berger beoordelen (foto 4), dan zien wij dat er tijdens het laden geen zand op de bumper aanwezig is. Ook is te zien dat het middenrooster goed zit gemonteerd. Wel constateerden wij dat de rechter binnenste PDC sensor hier ook al is verdwenen. Hierbij plaatsen wij gelijk de kanttekening dat de krassen/lak beschadiging ook op die plaats zit en mogelijk ook al op de voorbumper aanwezig was. (..)
(..) Er zijn vier mogelijkheden waardoor de schade zou kunnen zijn ontstaan:
Dat het voertuig te ver de laadbak van de berger is opgetrokken waardoor de bumper de voorzijde van de bak geraakt zou hebben.
Dat het voertuig van de tegenpartij na de berging op 29-07-2023 gelost is geweest bij [gedaagde] in [vestigingsplaats 2] waarbij op de los locatie een ander voertuig tegen het onderhavige is gereden. Hierbij niet bekend of deze aanrijding dan door een voertuig van [gedaagde] is gebeurd of door een passant.
Dat het voertuig van de tegenpartij op 31-07-2023 achterwaarts op het bergingsvoertuig geladen is zodat de berger het voertuig met de voorzijde als eerste af kon laden.
Dat men het voertuig na het lossen, handmatig voorwaarts tussen de voertuigen heeft gedrukt zoals die op foto 2 en 5 staat.
Oorzaak
De geclaimde schade is ons inziens veroorzaakt door een aanrijding. Het schadebeeld toont aan dat de voorbumper met enige kracht naar achter is geduwd waardoor schade is ontstaan.
Door het tijdsverloop en de wijzigingen in het personeelsbestand bij [bedrijf 1] is niet te achterhalen wat de exacte oorzaak is geweest. (..)
3.19
Op 27 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om het schadebedrag te betalen. [eiser] heeft op dezelfde datum het expertiserapport ook met Achmea gedeeld en Achmea eveneens gesommeerd tot betaling over te gaan.
3.2
[gedaagde] en Achmea zijn niet overgegaan tot betaling.

4.Het geschil

4.1
[eiser] vordert - samengevat – om Achmea en [gedaagde] ieder hoofdelijk, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:
I. tot betaling van een bedrag van € 8.117,20 ter zake van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,
II. tot betaling van een bedrag van € 780,67 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
III. in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2
[eiser] legt het volgende ten grondslag aan zijn vorderingen. Achmea is op grond van de verzekeringsovereenkomst verplicht om zorg te dragen voor een deugdelijke schadeafhandeling in het geval er zich een verzekerd schade-evenement voordoet. Nu de auto tijdens het transport naar een reparateur is beschadigd, is Achmea tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 6:74 BW Pro. Eurocross en [gedaagde] zijn door Achmea ingeschakelde hulppersonen in de zin van artikel 6:76 BW Pro en Achmea is op gelijke wijze aansprakelijk voor de gedragingen van [gedaagde] en Eurocross, als voor haar eigen gedragingen. Volgens [eiser] is er tijdens het bergen en/of het transport een fout gemaakt door [gedaagde] . De aansprakelijkheid van Achmea vloeit gelet daarop ook voort uit artikel 6:171 BW Pro. [eiser] stelt dat [gedaagde] eveneens aansprakelijk is omdat [gedaagde] onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW Pro heeft gehandeld. [gedaagde] heeft naar mening van [eiser] onvoorzichtig gehandeld en daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] . Ten slotte is [gedaagde] ingevolge artikel 6:170 BW Pro risico-aansprakelijk voor zover de schade is veroorzaakt door een fout van één van haar medewerkers en op grond van artikel 6:173 BW Pro voor zover de schade is veroorzaakt door een gebrek in de door [gedaagde] gebruikte zaken.
4.3
Achmea en [gedaagde] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
4.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Schade
5.1
Het meest verstrekkende verweer van Achmea en [gedaagde] is dat [eiser] geen schade heeft geleden omdat met hem al is afgewikkeld op basis van totaalverlies. Dit wordt door [eiser] betwist omdat volgens hem de waarde van de auto dit bedrag overstijgt. In dat verband verwijst hij naar een taxatierapport waarin de vervangingswaarde van de auto is vastgesteld op een bedrag van € 33.000,00.
Juridisch kader
5.2
Uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid, kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd. [1]
5.3
Wanneer een zaak geheel en al verloren gaat voor de rechthebbende doordat herstel niet mogelijk is of economisch onverantwoord is, lijdt deze door dit verlies een nadeel in zijn vermogen gelijk aan de waarde van de zaak. Indien de desbetreffende, verloren gegane zaak een exemplaar is zonder eigen, individueel bepaalde kenmerken, van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat, zal de rechthebbende door dit verlies een nadeel in zijn vermogen lijden dat in het algemeen kan worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies (de marktwaarde). [2] Behoudens bijzondere, door de rechthebbende te stellen omstandigheden, wordt daarmee recht gedaan aan het uitgangspunt dat hij als benadeelde zoveel mogelijk in de positie moet worden gebracht waarin hij zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben verkeerd. [3]
Wat zijn partijen overeengekomen?
5.4
Tussen partijen is niet in geschil dat Achmea en [eiser] op 20 december 2023 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. In deze vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de schade aan de auto wordt afgewikkeld op basis van totaalverlies. Bij een totaalverlies van de auto brengt het voorgaande mee dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van de marktwaarde van de auto ten tijde van het verlies. De dagwaarde van de auto direct voor de brand is bepaald op € 17.250,- inclusief btw. Verder is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat het restant van de auto € 4.260,- inclusief BTW op zou leveren. Omdat [eiser] de auto wilde behouden, zijn Achmea en [eiser] overeengekomen dat [eiser] een bedrag van € 12.990,- inclusief BTW zou krijgen als finale kwijting. Verder zijn partijen overeengekomen dat als het herstel tegenvalt er geen aanvullende claim mogelijk is omdat de schade wordt afgewikkeld op basis van totaal verlies.
5.5
De kantonrechter overweegt als volgt. De vaststellingsovereenkomst is door partijen ondertekend en levert ingevolge artikel 157 Rv Pro dwingend bewijs op van hetgeen daarin is vastgelegd. Uit de overgelegde stukken volgt dat [eiser] en Achmea voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst uitvoerig hebben gecommuniceerd over de schadeomvang en de waarde van de auto, waarbij de thans gestelde schade reeds bekend was. Er is vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de schade is afgewikkeld op basis van totaalverlies van de auto. De afwikkeling betreft daarmee de volledige waarde van de auto ongeacht de afzonderlijke schadecomponenten waaruit die waarde mogelijk is opgebouwd. Kort gezegd: alle mogelijke schade is door de uitkering op basis van de vaststellingsovereenkomst gedekt. Het feit dat de gevorderde schade niet uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst is genoemd, doet daaraan niet af. Immers, dat beïnvloedt de dagwaarde van de auto niet. Door de gekozen afwikkeling op basis van totaalverlies in combinatie met het behoud van het voertuig, bestaat er geen resterende schade aan het voertuig meer die voor vergoeding in aanmerking komt. [eiser] is daarmee in de positie gesteld waarin hij ook zou verkeren als de brandschade en de schade aan de onderkant niet zouden zijn ontstaan.
5.6
[eiser] heeft nog aangevoerd dat de vervangingswaarde van het voertuig € 33.000,- bedraagt. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Dat de vervangingswaarde mogelijk achteraf hoger wordt gesteld, hetgeen Achmea en [gedaagde] uitdrukkelijk hebben betwist, doet aan de bindende afspraken tussen partijen niet af. Partijen hebben immers de waarde van de auto en de wijze van afwikkeling definitief vastgesteld in de vaststellingsovereenkomst. Zelfs indien [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst een onjuiste inschatting zou hebben gemaakt van de vervangingswaarde, komt dit voor zijn rekening en risico. Dit geldt te meer nu sprake is van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro, die juist strekt tot het beëindigen van onzekerheid of geschil. [eiser] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld zoals is overwogen in r.o 5.3.
Conclusie
5.7
Gelet op het voorgaande kan [eiser] geen aanspraak maken op aanvullende schadevergoeding. De uitkering van de schade op basis van de overeengekomen afwikkeling sluit verdere aanspraken ter zake van de waarde van de auto uit. De vordering van [eiser] jegens Achmea wordt daarom afgewezen. Dit geldt eveneens voor de vordering tegen [gedaagde] . De overige stellingen van [eiser] leiden niet tot een ander oordeel.
Proceskosten van Achmea
5.8
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
5.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten van [gedaagde]
5.1
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
5.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Achmea van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van Achmea als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van [gedaagde] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387
2.HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2786, NJ 2005/76
3.HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208.