ECLI:NL:RBOVE:2026:3740

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
11997160 \ CV EXPL 25-3536
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995Art. 195 RvArt. 6:119 BWArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen effectenleaseovereenkomst wegens onvoldoende bewijs advisering door onvergunde tussenpersoon

In deze zaak staat een effectenleaseovereenkomst centraal waarbij eiser geld leende van Dexia om aandelen te kopen, met als gevolg dat eiser verlies leed bij verkoop van de aandelen. Eiser vordert schadevergoeding en vernietiging van de overeenkomst wegens onrechtmatig handelen van Dexia, onder meer omdat de overeenkomst zou zijn gesloten op advies van een onvergunde tussenpersoon, A-Z Adviesgroep.

De kantonrechter beoordeelt de procedure en feiten, waarbij blijkt dat eiser onvoldoende heeft gesteld dat hij daadwerkelijk is geadviseerd door A-Z Adviesgroep. Dexia heeft aangetoond dat de overeenkomst via een andere tussenpersoon, [bedrijf], tot stand is gekomen, die wel over de benodigde vergunning beschikte. Eiser kon het vermeende verband tussen A-Z Adviesgroep en [bedrijf] niet overtuigend onderbouwen.

De kantonrechter volgt de jurisprudentie en oordeelt dat de vorderingen van eiser worden afgewezen. Dexia wordt in reconventie veroordeeld tot betaling van een openstaande restschuld en verklaart dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld tot betaling van de restschuld en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11997160 \ CV EXPL 25-3536
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.Kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. De vorderingen van [partij A] worden afgewezen omdat hij onvoldoende heeft gesteld dat hij is geadviseerd door A-Z Adviesgroep. De vorderingen van Dexia worden toegewezen. Dit oordeel zal hierna worden uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 26 november 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst gesloten, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[nummer]
04-01-2001
Profit Effect
3.2.
Nadat deze overeenkomst door het voltooien van de overeengekomen looptijd is beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
03-01-2011
- € 2.094,51
Nee
3.3.
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 5.171,11 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Het overzicht vermeld ook dat er, nadat Dexia de oorspronkelijke restschuld heeft verrekend met diverse dividendopbrengsten, nog een post aan restschuld openstaat van € 2.087,23 die [partij A] niet heeft betaald. Verder volgt uit het overzicht dat [partij A] € 954,06 aan dividenden heeft ontvangen en € 191,31 aan fiscaal voordeel heeft genoten. Op 20 juni 2025 heeft Dexia een bedrag van € 2.261,39 aan [partij A] uitbetaald, in het overzicht van Dexia vermeld als ‘onverplichte uitbetaling’.
3.4.
De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 13 oktober 2006 de nietigheid, vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe nog andere gronden nog aan te voeren.
4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak in conventie, in reconventie en in het incident
4.1.
[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens hem;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij A] te voldoen al hetgeen hij heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen om te bewerkstelligen dat de registratie van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie wordt doorgehaald en de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 met een maximum van € 20.000,00;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet is verschuldigd;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [partij A], vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen en concludeert in conventie tot afwijzing daarvan. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [partij A] zal veroordelen tot betaling van € 690,89, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A].
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend en wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. [1] Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
Verjaring
5.3.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.4.
Aan zijn vorderingen legt [partij A] samengevat ten grondslag dat Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995) omdat [partij A] op advies van een medewerker van A-Z Adviesgroep de effectenleaseovereenkomst is aangegaan, terwijl het A-Z Adviesgroep zonder de benodigde vergunning wettelijk verboden om was advies te geven.
5.5.
Het meest verstrekkende verweer van Dexia is dat [partij A] onvoldoende heeft gesteld dat hij is geadviseerd door A-Z Adviesgroep. Dexia voert aan dat de effectenleaseovereenkomst tot stand is gekomen via de tussenpersoon [bedrijf] en wijst daarbij op het aanvraagformulier en de uiteindelijke overeenkomst waarop [bedrijf] als tussenpersoon staat genoemd en ook het ATP-nummer van [bedrijf] staat vermeld. Dat [bedrijf] bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst [partij A] zonder de benodigde vergunning van advies heeft voorzien, heeft [partij A] echter niet gesteld, aldus Dexia. [partij A] stelt daartegenover dat A-Z Adviesgroep en [bedrijf] aan elkaar zijn gelinkt en de medewerkers tegelijkertijd werkzaam waren voor beide tussenpersonen.
5.6.
De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat uit de door [partij A] overgelegde stukken niet valt op te maken dat er een (juridisch) verband bestond tussen A-Z Adviesgroep en [bedrijf]. Uit de overgelegde uittreksels uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel blijkt immers niet van enige juridische verbondenheid tussen beide tussenpersonen. Ook is onvoldoende gebleken dat medewerkers steeds gelijktijdig werkzaam waren voor zowel A-Z Adviesgroep als [bedrijf], laat staan dat dit het geval was bij de medewerker van A-Z Adviesgroep die [partij A] zou hebben geadviseerd. Het tot slot bij akte overgelegde persoonlijk financieel plan, aanvraagformulier en de overeenkomst die elkaar qua datum kort opvolgen, brengen daarin geen verandering. Weliswaar vermeldt het persoonlijk financieel plan dat de desbetreffende medewerker de tussenpersoon A-Z Adviesgroep vertegenwoordigt en vermelden het aanvraagformulier en de overeenkomst vervolgens de naam van diezelfde medewerker met het ATP-nummer van [bedrijf], maar de kantonrechter acht dit op zich zelf te algemeen om tot de conclusie te kunnen komen dat medewerkers altijd, en dus ook in het concrete geval van [partij A], tegelijkertijd werkzaam waren voor A-Z Adviesgroep en [bedrijf]. Verder overweegt de kantonrechter dat [partij A] onvoldoende heeft ingebracht tegen de stelling van Dexia dat uit het aanvraagformulier en de effectenleaseovereenkomst volgt dat niet A-Z Adviesgroep, maar [bedrijf] als tussenpersoon is opgetreden. Het enkele argument dat Dexia [partij A] hoe dan ook als klant had moeten weigeren en op zijn minst had moeten nagaan of er sprake was geweest van advisering, ook als de aanvraag binnenkwam via [bedrijf], is daarvoor niet toereikend.
5.7.
Dit leidt ertoe dat het verweer van Dexia slaagt en dat dus niet is komen vast te staan dat de effectenleaseovereenkomst tot stand is gekomen via A-Z Adviesgroep en sprake is geweest van verboden beleggingsadvieswerkzaamheden door deze tussenpersoon. De vorderingen van [partij A] zullen daarom worden afgewezen.
De vorderingen van Dexia in reconventie
5.8.
Dexia vordert in reconventie betaling van € 690,89. Dit is volgens haar het bedrag dat [partij A] op basis van het Hofmodel nog aan Dexia is verschuldigd. Hiertegen heeft [partij A] aangevoerd dat hij geen restschuld is verschuldigd, maar dat Dexia alle schade dient te vergoeden doordat zij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door samen te werken met een tussenpersoon die verboden beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte. De kantonrechter is hiervoor echter tot het oordeel gekomen dat dit niet is komen vast te staan. Het verweer van [partij A] slaagt dan ook niet. De vordering van Dexia zal worden toegewezen. Tegen de vordering tot betaling van de wettelijke rente heeft [partij A] geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat de kantonrechter deze, zoals door Dexia gevorderd, vanaf 10 dagen vanaf verzending van de eindafrekening, zijnde 13 januari 2011, eveneens zal toewijzen.
5.9.
In het verlengde hiervan ligt de vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] is verschuldigd, ook voor toewijzing gereed. Het verweer van [partij A] dat Dexia daar geen belang bij heeft, slaagt niet. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, vormt het belang om een einde te maken aan de onzekerheid over de vraag of een afnemer nog jegens Dexia vorderingen geldend kan maken, op zichzelf in beginsel al een voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW Pro voor de door Dexia gevorderde verklaring voor recht. [3] Aan het argument dat [partij A] op dit moment geen andere grond kent om Dexia aansprakelijk te stellen, gaat de kantonrechter voorbij. In zijn brief van 13 oktober 2006 heeft [partij A] immers een aantal gronden benoemd voor de mogelijke aansprakelijkheidsstelling van Dexia. Dat [partij A] deze gronden vervolgens in de procedure niet uitwerkt, kan Dexia niet worden tegengeworpen.
Incidentele vordering van Dexia
5.10.
Nu de reconventionele vorderingen van Dexia zullen worden toegewezen, is de kantonrechter van oordeel dat zij geen belang meer heeft bij haar incidentele vordering tot veroordeling van [partij A] om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend. Dit zal dan ook worden afgewezen. De proceskosten in dit incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.11.
Omdat Dexia grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is [partij A] aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. [partij A] zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Dexia gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van Dexia worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vordering van Dexia af;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in conventie
6.3.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
6.4.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
6.6.
veroordeelt [partij A] tot betaling van € 690,89, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vanaf 13 januari 2011 tot de dag van volledige betaling;
6.7.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [partij A] gesloten effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
6.8.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van Dexia, tot op heden begroot op nihil;
6.9.
verklaart rechtsoverweging 6.6. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, r.o. 4.1.3.