ECLI:NL:RBOVE:2026:3608

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
26_4
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 WajongArt. 1:4 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap op achttiende verjaardag

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV is afgewezen omdat hij op zijn achttiende verjaardag niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. Het UWV baseerde dit op de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en het feit dat eiser lange tijd op Aruba woonde.

Eiser voerde aan dat hij wel degelijk een duurzame band met Nederland had en op zijn achttiende verjaardag bij zijn vader woonde, en dat hij studeerde via de LOI. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om deze stellingen aannemelijk te maken, mede omdat de verklaringen van eiser en zijn broer tegenstrijdig waren en er geen objectieve bewijsstukken waren.

De rechtbank bevestigde dat het UWV terecht mocht uitgaan van de BRP-inschrijvingen en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij op zijn achttiende verjaardag in Nederland woonde. Ook werd de laattijdige aanvraag meegewogen, waarbij het risico van het ontbreken van bewijs voor rekening van eiser blijft.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot afwijzing van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/4

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser]),

gemachtigde: mr. G. Bakker,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 26 februari 2025 heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat hij met ingang van [geboortedatum] 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.2
[eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
27 november 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dit besluit gebleven.
1.3
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. [eiser] en zijn gemachtigde zijn met berichtgeving niet verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. [eiser], geboren op [geboortedatum] 1995, heeft het UWV op 16 oktober 2024 verzocht hem een Wajong-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [eiser] geen recht heeft op een Wajong-uitkering vanaf [geboortedatum] 2013, de dag waarop hij achttien jaar is geworden. Daarbij heeft het UWV overwogen dat [eiser] geen ingezetene
van Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland is. Gebleken is dat er geen duurzame band van persoonlijke aard was tussen [eiser] en Nederland op het moment dat hij achttien jaar is geworden, namelijk op [geboortedatum] 2013. [eiser] stond op die datum niet ingeschreven op een adres in Nederland. Hij heeft zich weliswaar op 4 maart 2013 ingeschreven op een adres in Zwolle, maar voorafgaand aan die inschrijving heeft hij ongeveer zeven jaar op Aruba gewoond en daar ook onderwijs gevolgd. Vervolgens is hij een periode van zo'n zes maanden in Nederland woonachtig geweest. Per 18 oktober 2013 is hij, wederom voor langere duur, vertrokken naar Aruba. Daar heeft [eiser] gewoond tot 2017. Hieruit blijkt dat [eiser] maar relatief kort in Nederland heeft gewoond vanaf 4 maart 2013 tot
18 oktober 2013. Voorafgaand aan 4 maart 2013 woonde hij langdurig op Aruba, namelijk voor de duur van zeven jaar.
3.2
[eiser] stelt dat hij wel degelijk een duurzame band met Nederland had en heeft en dat hij ten onrechte niet in aanmerking is gekomen voor een Wajong-uitkering. Hij is geboren in Nederland en heeft vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit. Vanaf zijn achttiende is hij een aantal jaren woonachtig geweest bij zijn moeder op Aruba, maar op zijn achttiende verjaardag woonde hij bij zijn vader op de [adres 1]. Hij was toen bezig met een studie via de LOI, die echter niet lukte in verband met zijn psychose. Hij stond wel ingeschreven op Aruba, maar zijn werkelijke verblijf was in Nederland bij zijn vader. [eiser] heeft een verklaring van 9 februari 2026 van zijn broer in geding gebracht.
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft het UWV erop gewezen dat [eiser] vanaf 20 januari 2026 is geëmigreerd naar Tunesië. Dit blijkt uit de poliadministratie van 11 februari 2026.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het UWV terecht heeft geconcludeerd dat [eiser] geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat hij op [geboortedatum] 2013, zijn achttiende verjaardag, niet verzekerd was voor de Wajong. Zij doet dit aan de hand van wat [eiser] heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.1
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Wajong is ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen de natuurlijke persoon, die in Nederland woont. Van belang is dus of [eiser] op [geboortedatum] 2013 in Nederland woonde.
5.2
Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De Hoge Raad heeft vooropgesteld dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. [1] Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
5.3
Bij besluiten op aanvraag ligt de bewijslast voor het aannemelijk maken van de (rechts)feiten die tot het nemen van het gevraagde besluit leiden in hoofdzaak bij de aanvrager. Daarvoor is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager, zoals in het onderhavige geval. Dit betekent dat het aan [eiser] is om aannemelijk te maken dat op [geboortedatum] 2013, zijn achttiende verjaardag, sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering ingevolge de Wajong.
5.4
Het UWV is voor de vaststelling waar [eiser] op zijn achttiende verjaardag woonde uitgegaan van de inschrijving in de BRP. Op [geboortedatum] 2013 stond [eiser] niet ingeschreven op een adres in Nederland. Hij heeft zich op 4 maart 2013 ingeschreven op een adres in Zwolle, maar voorafgaand aan die inschrijving heeft hij ongeveer zeven jaar op Aruba gewoond en daar ook onderwijs gevolgd. Vervolgens is hij een periode van zo'n zes maanden in Nederland woonachtig geweest. Per 18 oktober 2013 is hij, wederom voor langere duur, vertrokken naar Aruba. Daar heeft [eiser] gewoond tot 2017. Hieruit blijkt dat [eiser] kort na zijn achttiende verjaardag, maar relatief kort, in Nederland heeft gewoond vanaf 4 maart 2013 tot aan 18 oktober 2013.
5.5
Gelet op 5.2 is niet zonder meer doorslaggevend waar [eiser] in de BRP ingeschreven heeft gestaan, maar de rechtbank is van oordeel dat het UWV in dit geval mocht uitgaan van de inschrijvingen in de BRP, aangezien [eiser] er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de inschrijvingen in de BRP onjuist moeten worden geacht en dat hij op zijn achttiende verjaardag feitelijk wel in Nederland woonde.
5.6
[eiser] heeft zijn stelling dat hij op zijn achttiende verjaardag bij zijn vader in Groningen woonde onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [eiser] heeft verklaard dat hij op het adres [adres 1] woonde, maar dat hij een verklaring van 9 februari 2026 van zijn broer in geding heeft gebracht, waarin een ander adres wordt genoemd, namelijk [adres 2]. De enkele verklaringen van [eiser] en zijn broer zijn daarom onvoldoende om te kunnen concluderen dat [eiser] op zijn achttiende verjaardag feitelijk in Nederland woonde. [eiser] heeft geen andere bewijsstukken in geding gebracht, waaruit kan worden geconcludeerd dat hij op zijn achttiende verjaardag daadwerkelijk in Nederland woonde. Ook heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat hij na zijn achttiende verjaardag heeft gestudeerd. Voor zover [eiser] al een studie heeft gevolgd via de LOI, zoals hij heeft gesteld, heeft het UWV terecht opgemerkt dat deze niet als een studie als bedoeld in artikel 1:4 van Pro de Wajong kan worden aangemerkt.
5.7
Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat sprake is van een zogenoemde laattijdige aanvraag. [eiser] heeft zijn aanvraag voor een Wajong-uitkering immers geruime tijd na zijn achttiende verjaardag ingediend. Voor zover het voor [eiser] door tijdsverloop niet meer mogelijk is bewijsstukken in geding te brengen, waaruit blijkt dat hij op zijn achttiende verjaardag in Nederland woonde, dient dit volgens vaste rechtspraak voor zijn rekening en risico te blijven. [2]

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank is van oordeel dat het UWV heeft kunnen concluderen dat [eiser] op
[geboortedatum] 2013 niet in Nederland woonde, zodat hij op die datum niet verzekerd was voor de Wajong. Het UWV heeft de aanvraag van [eiser] om een Wajong-uitkering dan ook terecht afgewezen.
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:581.