Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3520

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12192112 \ CV EXPL 26-1364
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:213 BWArt. 7:219 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens aantreffen illegale wapens, vuurwerk en drugs

Ieder1 verhuurt een woning aan [gedaagde]. Tijdens een politiedoorzoeking zijn in het gehuurde illegale goederen aangetroffen, waaronder wapens, vuurwerk en handelshoeveelheden drugs. Ieder1 vordert daarop ontruiming van de woning. [gedaagde] betwist kennis van de illegale goederen en stelt dat haar belang bij het behouden van de woning zwaarder weegt.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen en haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en wet moet nakomen. Er is voldoende aannemelijk dat zij tekort is geschoten, mede omdat zij wist van een wapen aan de muur en het bezit van illegaal vuurwerk niet heeft weersproken. Ook al zou zij niet direct verantwoordelijk zijn voor de drugs, zij had maatregelen moeten treffen tegen het gedrag van medebewoners.

De aanwezigheid van deze goederen brengt ernstige veiligheidsrisico's en overlast met zich mee, wat ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Het belang van [gedaagde] en haar minderjarige dochter bij het behouden van de woning weegt niet zwaarder dan het belang van Ieder1 bij ontruiming. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen. Tevens wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering toe en veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12192112 \ CV EXPL 26-1364
Vonnis in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING WOONBEDRIJF IEDER1,
gevestigd in Deventer,
eisende partij,
hierna te noemen: Ieder1,
gemachtigde: mr. M. Douwenga,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg.

1.Waar deze zaak over gaat

Ieder1 verhuurt aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). Tijdens een politiedoorzoeking zijn illegale goederen in het gehuurde aangetroffen, waaronder wapens, vuurwerk en een handelshoeveelheid drugs. Ieder1 vordert daarom ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] voert aan dat zij geen weet had van de illegale goederen en dat haar belang om in het gehuurde te kunnen blijven wonen groter is dan het belang van Ieder1 dat met de ontruiming is gemoeid. De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering van Ieder1 toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9, uitgebracht op 26 mei 2026,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door Ieder1 pleitaantekeningen zijn voorgedragen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Ieder1 verhuurt met ingang van 1 oktober 2018 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres]. Op deze huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van juni 2006 van toepassing.
3.2.
[gedaagde] staat samen met [naam] (hierna: [naam]) ingeschreven in het gehuurde.
3.3.
In maart 2025 zijn bij een doorzoeking van het gehuurde door de douane 40.000 sigaretten aangetroffen.
3.4.
Op 3 december 2025 heeft de politie het gehuurde doorzocht. Volgens een brief van de burgemeester van de gemeente Deventer aan [gedaagde] van 24 december 2025 zijn hierbij de volgende goederen in het gehuurde aangetroffen:
“- één airsoftwapen Glock GUW017;
- 134 stuks seinpatronen;
- één airsoftwapen Heckler & Koch MP7AI;
- één airsoftwapen Walther CP99 Compact;
- één alarmpistool Zoraki 2918;
- één airsoftwapen SPECNA ARMS H-serie;
- één ploertendoder;
- pepperspray;
- 81 stuks knalpatronen 9mm;
- 410 stuks pillen Cenforce-200 Sildenafil tablets 200mg;
- 25 gram Amfetamine;
- veertig gram hasj;
- 27 cobra’s;
- twee nitraten.”
In deze brief staat ook vermeld dat de gemeente het voornemen heeft om naar aanleiding van de gevonden goederen het gehuurde tijdelijk te sluiten.
3.5.
De burgemeester heeft [gedaagde] op 6 februari 2026 per brief laten weten dat de hij niet overgaat tot sluiting van het gehuurde, maar tot het geven van een waarschuwing, omdat de minderjarige dochter van [gedaagde] feitelijk en structureel in de woning verblijft.
3.6.
De dochter van [gedaagde] staat vanaf december 2024 ingeschreven op het woonadres van haar vader. Zij heeft sinds maart 2026 (weer) haar hoofdverblijf bij haar vader.

4.Het geschil

4.1.
Ieder1 vordert (samengevat) ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of Ieder1 ten tijde van dit vonnis bij de voorziening een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de aard van de vordering zodat aan dit vereiste is voldaan.
5.2.
De kantonrechter zal hierna beoordelen of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. In deze procedure is geen plaats voor bewijslevering.
5.3.
De kantonrechter stelt bij zijn beoordeling als uitgangspunt dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde] zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene huurvoorwaarden en de wet. Indien [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
[gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichtingen als huurster
5.4.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, als dat zou worden gevorderd, zal oordelen dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar wettelijke plicht zich als goed huurder te gedragen. [2] Volgens Ieder1 heeft [gedaagde] het gehuurde gebruikt, althans heeft zij toegelaten dat derden het gehuurde hebben gebruikt, voor het aanwezig hebben van onder andere illegale wapens, illegaal vuurwerk, zoals cobra’s en nitraten, en handelshoeveelheden hasj en amfetamine drugs. Hierdoor heeft [gedaagde] een gevaarlijke situatie gecreëerd voor zichzelf, haar medebewoners en omwonenden, tevens huurders van Ieder1, en heeft [gedaagde] de leefbaarheid van de buurt negatief beïnvloed. [gedaagde] heeft deze tekortkoming onvoldoende weersproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] zelfs verklaard dat zij wist dat er een wapen van [naam] aan de muur hing waarvoor [naam] geen vergunning had voordat de politie haar woning doorzocht. Ook heeft zij het in bezit hebben van illegaal vuurwerk niet weersproken of gesteld dat zij hier geen weet van had.
5.5.
Wat betreft de gevonden drugs heeft [gedaagde] aangevoerd dat de drugs waren opgeborgen in een kluis en dat zij niet bekend was met de inhoud van deze kluis totdat de politie de kluis bij de doorzoeking openmaakte. Achteraf is volgens [gedaagde] gebleken dat de drugs door [naam] in het gehuurde zijn binnengebracht. Zelfs al zou de kantonrechter meegaan in dit verweer van [gedaagde], dan ontslaat dit haar niet van aansprakelijkheid voor het in huis hebben van een handelshoeveelheid illegale drugs. [gedaagde] is immers tegenover Ieder1 ook voor gedragingen aansprakelijk van hen die zich in het gehuurde bevinden met haar goedvinden. [3] Dat betekent niet dat het gedrag van [naam] direct kan worden toegerekend aan [gedaagde], maar dat de kantonrechter moet beoordelen of er voldoende verband bestaat tussen het gedrag van [naam] en het gebruik van het gehuurde. Volgens de Hoge Raad is hiervan (ook) sprake als de huurder ernstig rekening had te houden met de gedragingen van de ander en hiervoor geen maatregelen heeft getroffen. [4] Ieder1 heeft onweersproken betoogd dat [gedaagde] vanaf de inval door de douane in maart 2025 als een gewaarschuwd mens had moeten optreden en maatregelen had moeten treffen tegen het gedrag van [naam]. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan komt dus voor haar risico.
De tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst
5.6.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de tekortkoming van [gedaagde] ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Ieder1 heeft aangevoerd dat de aangetroffen goederen de veiligheid en leefbaarheid van de bewoners van het gehuurde, omwonenden en de buurt ernstig aantasten. Zo brengt het zwaar en illegaal vuurwerk explosie- en brandgevaar met zich mee. Het gehuurde is een appartement dat aan weerszijden en van onderen is omgeven door andere appartementen. Hierdoor is het gevonden vuurwerk niet alleen gevaarlijk voor [gedaagde] en de overige bewoners van het gehuurde, maar ook voor de direct omwonenden van [gedaagde]. Daarnaast voert Ieder1 een zerotolerancebeleid ten aanzien van drugs om zo drugscriminaliteit, overlast, het risico van geweld en liquidaties en een verminderde verhuurbaarheid van woningen in de omgeving van het gehuurde tegen te gaan. Ook de gevonden wapens leiden volgens Ieder1 tot een toename van het criminaliteitsrisico in de woonomgeving.
5.7.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij geen familie heeft waar zij bij terecht kan en dat zij door de ontruiming op straat zal belanden. [gedaagde] heeft een minderjarige dochter en stelt dat haar dochter gebaat is bij een stabiele woonplek van [gedaagde] zodat moeder en dochter contact kunnen onderhouden en het onderlinge contact kan vermeerderen. Aangezien de dochter sinds maart 2026 niet (meer) woonachtig is bij [gedaagde] is de dochter niet afhankelijk van het gehuurde voor haar onderdak. De omstandigheid die de burgemeester deed afzien van zijn voornemen om tot sluiting van het gehuurde over te gaan, is op dit moment dus niet meer aan de orde. Het belang dat de dochter heeft om contact te kunnen onderhouden met haar moeder brengt evenmin mee dat ontbinding niet gerechtvaardigd is. In de eerste plaats is dit van een andere orde dan het belang van de dochter bij huisvesting en in de tweede plaats is niet komen vast te staan dat behoud van [gedaagde] bij het gehuurde noodzakelijk is voor dit contact. Ieder1 heeft (inhoudelijk) onweersproken aangevoerd dat Jeugdbescherming heeft aangegeven dat het begeleidingstraject tussen [gedaagde] en haar dochter kan doorgaan, ongeacht of [gedaagde] het gehuurde verliest.
Dat [gedaagde] zelf ook een aanzienlijk belang heeft bij behoud van het gehuurde wil de kantonrechter wel aannemen, maar legt, in verhouding tot de bovengeschetste belangen van Ieder1 bij ontbinding en ontruiming, onvoldoende gewicht in de schaal. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.
Ontruimingstermijn
5.8.
Ieder1 heeft een ontruimingstermijn van veertien dagen gevorderd. Als uitgangspunt geldt dat de termijn voor ontruiming van een huurwoning op twee weken na betekening van het vonnis wordt gesteld. Concrete aanknopingspunten die tot een langere ontruimingstermijn zouden moeten leiden heeft [gedaagde] niet naar voren gebracht en zijn de kantonrechter ook ambtshalve niet gebleken. De kantonrechter ziet dus geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt.
Ambtshalve toetsing: proceskostenveroordeling
5.9.
De huurovereenkomst en de bijbehorende algemene huurvoorwaarden zijn gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
5.10.
Ieder1 heeft onder meer gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten. Het voor deze vordering relevante beding is opgenomen in artikel 14.1 van de algemene huurvoorwaarden. Met dit beding kan Ieder1 een beroep doen op een hogere vergoeding van de proceskosten dan de wettelijke aanspraak en kan Ieder1 een beroep doen op vergoeding van de proceskosten ook als de kantonrechter hierover geen oordeel geeft. Hierdoor wijkt het beding voor de consument ten nadele af van de wettelijke regeling over proceskostenveroordeling.
5.11.
Er bestaat op dit moment echter onduidelijkheid of de rechter de in het ongelijk gestelde partij op grond van het nationale procesrecht mag veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 237 Rv Pro als het proceskostenbeding oneerlijk is. De Hoge Raad heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie. [5] De kantonrechter is van oordeel dat tot die tijd gekozen moet worden voor proceskostenveroordeling op grond van het nationale recht, omdat de Richtlijn 93/13/EEG zich in principe niet verzet tegen toepassing van het buitencontractuele nationale recht in de plaats van een oneerlijk beding. Dit in tegenstelling tot het nationaal recht dat het evenwicht in de contractuele rechtsverhouding beoogt te regelen.
5.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ieder1 worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
152,92
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
869,92

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met al hetgeen daartoe behoort en met wie en wat daarin of daarop aanwezig is, in goede staat en onder afgifte van de sleutels aan Ieder1 op te leveren en deze vervolgens ontruimd te houden,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 869,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. (hg)

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.Artikel 7:213 BW Pro.
3.Artikel 7:219 BW Pro.
4.ECLI:NL:HR:2007:AZ8743, r.o. 3.3.2.