ECLI:NL:RBOVE:2026:3325

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
12152538 \ EJ VERZ 26-102
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.B. de Hek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMECLI:NL:HR:2014:3126ECLI:NL:HR:2023:1008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid ontslag op staande voet wegens onjuiste voorstelling nevenwerkzaamheden en integriteitsschending

Verzoekster was sinds 2020 in dienst bij de Belastingdienst en werd op staande voet ontslagen vanwege onjuiste en onvolledige opgave van nevenwerkzaamheden, die volgens de werkgever verder gingen dan gemeld en een ernstige integriteitsschending vormden.

De feiten betroffen onder meer het indienen van visa-aanvragen voor personen zonder familierechtelijke relatie, het betalen van leges en het optreden als garantsteller, terwijl verzoekster dit niet transparant had gemeld. De werkgever baseerde het ontslag mede op processen-verbaal van het Openbaar Ministerie waarin verzoekster werd verdacht van mensensmokkel en valsheid in geschrifte.

Verzoekster betwistte het ontslag en verwees naar haar zwijgrecht in de strafprocedure, maar erkende wel betrokkenheid bij de aanvragen. De kantonrechter oordeelde dat de feiten voldoende waren gesteld en dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd was vanwege het ernstige vertrouwen dat was geschaad.

Het ontbreken van hoor en wederhoor werd niet als onrechtmatigheid aangemerkt, mede omdat verzoekster het gesprek had geweigerd. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag werd afgewezen en verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet van verzoekster wegens onjuiste opgave van nevenwerkzaamheden en integriteitsschending is rechtsgeldig verklaard en het verzoek tot vernietiging is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12152538 \ EJ VERZ 26-102
Beschikking van 3 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. B.J.H.L. Brouwer,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (DE BELASTINGDIENST),
te 's-Gravenhage,
verwerende partij,
hierna te noemen: De Staat,
gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer MA.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Samenvatting

De Staat heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen bij brief van 21 januari 2026. Volgens [verzoekster] is geen sprake van dringende redenen, moet het ontslag worden vernietigd en het loon worden doorbetaald. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De verzoeken van [verzoekster] worden daarom afgewezen.

3.De feiten

3.1
[verzoekster] is sinds 1 december 2020 in dienst bij De Staat der Nederlanden (de Belastingdienst). De laatste functie van [verzoekster] was groepsfunctionaris in het Landelijk Incassocentrum van de Belastingdienst op de locatie Enschede, met een loon van € 3.087,22 bruto per maand, exclusief emolumenten.
3.2
Eind 2022 heeft [verzoekster] melding gedaan van haar voornemen nevenwerkzaamheden te gaan verrichten. In het verslag van het personeelsgesprek van 6 oktober 2022 staat onder het kopje “integriteit en nevenwerkzaamheden” onder meer het volgende:

Afspraak: Meld plicht(…)
Ik heb met [verzoekster][ [verzoekster] ]
gesproken over wat we onder integriteit verstaan. Vanuit onboarding is daar ook voldoende aandacht aan besteed.(…)
[verzoekster] deed al vrijwilligerswerk bij de IND, invullen van formulieren. Zij gaat dit nu betaal[betaald]
doen. Goed dat je het meldt.
3.3
In een gespreksverslag van 10 januari 2024 staat over deze gemelde nevenwerkzaamheden voor de IND onder meer:
“Dit berust op een misverstand. Mevrouw [verzoekster] geeft aan dat zij in het verleden soms mensen uit haar gemeenschap, die belangrijk voor haar zijn, wegwijs heeft gemaakt. Er was geen sprake van werkzaamheden (betaald) voor de IND. De heer [naam 1] geeft aan dat ook voor vrijwilligerswerk het belang is dit te bespreken én te registreren in P-Direkt. Indien er in de toekomst wel sprake is van andere werkzaamheden dan is een goede registratie van belang.”
3.4
Op 4 november 2025 is [verzoekster] aangehouden. Zij heeft tot 16 december 2025 in detentie (voorarrest) gezeten. In die periode is haar loon niet betaald. Zij heeft haar detentie niet zelf gemeld bij haar werkgever. In januari 2026 meldde zij dat zij weer was vrijgekomen.
3.5
Op 12 januari 2026 heeft het afdelingshoofd met [verzoekster] gesproken over de aanhouding en detentie. In het gespreksverslag staat onder meer:
“ [naam 2] licht toe dat de uitnodiging gaat over het signaal vanuit de Marechaussee dat zij is
aangehouden en die berichtgeving roept vragen op over wat er is gebeurd en of zij bijvoorbeeld nog verdachte is. [naam 2] vraagt of [verzoekster] hier meer over kan of wil vertellen.
[verzoekster] verklaart dat zij geen inhoudelijke verklaring wil afleggen over de zaak omdat dit
niets te maken heeft met de Belastingdienst. Dit is een privékwestie en daarover laat zij zich
niet uit. Haar advocaat was niet in de gelegenheid om haar bij te staan in dit gesprek.
Zonder advocaat legt zij geen verklaring af gezien de gevoeligheid van de zaak.
[naam 3] zegt dat het voor de werkgever goed is om te horen dat de aanhouding niets met het
werk te maken heeft, soms is dat namelijk anders. De werkgever heeft, behalve het bericht
van de aanhouding, nog helemaal geen informatie waar het over gaat. De werkgever heeft
daarom een belang om te toetsen waar het over gaat, het kan te maken hebben met
werkgerelateerde zaken zoals omkoping of corruptie. Dit is ook van belang voor de
beoordeling van andere zaken, bijvoorbeeld het verzoek om een vaststellingsovereenkomst.
[verzoekster] meldt dat het strafrechtelijke onderzoek nog loopt, maar haar persoonlijke belangen zwaarder wegen dan de strafbelangen en daarom is voorlopig vrij gelaten.
[naam 3] informeert waarom zij vorige week contact heeft opgenomen met de werkgever en niet
op het moment van de vrijlating.
[verzoekster] heeft de brief van de werkgever niet direct gezien, omdat zij na de detentie eerst
moest bijkomen van alles en zich moest richten op de zorg voor haar vier kinderen. De
kwestie rondom de Belastingdienst lag zwaar voor haar, waardoor zij niet meteen naar haar post heeft gekeken. Nadat zij de brief tegen kwam, heeft zij dit met haar advocaat
besproken en deze heeft contact gezocht.
[naam 3] vraagt of [verzoekster] nader kan aangeven waar de strafrechtelijke zaak over gaat. Ze hoeft
daarbij niet in detail te treden, maar misschien kan ze aangeven waar de verdenkingen over
gaan. [verzoekster] verklaart niet te willen benoemen en dat zij daarover geen verklaring hoeft af te leggen. [naam 2] benoemt dat [verzoekster] volledig over haar eigen verklaringen gaat en die
vrijheid heeft, maar dat de werkgever moet kunnen vaststellen of het werkgerelateerd is of
niet.
[verzoekster] reageert met de vraag waar de werkgever de afgelopen twee jaar is geweest en
vertelt dat zij zich in die periode niet gehoord voelde. Zij noemt grensoverschrijdend gedrag, loonstoppen en langdurige ziekte als gevolg hiervan. Deze situatie geleid heeft tot psychische druk waaronder intensieve begeleiding door psychiaters en het gebruik van medicatie. Ze vertelt dat ze al lange tijd het gevoel heeft gehad niet gezien te worden binnen de organisatie. En nu wordt ze uitgenodigd voor een privékwestie.
[verzoekster] moet nu verklaren dat deze kwestie de werkgever niet schaadt. Zij is juist geschaad door de werkgever en al die tijd is er in haar beleving geen ook geen oog en oor geweest voor de impact hiervan op haar privésituatie. [verzoekster] licht emotioneel toe hoe deze lopende kwestie is opgepakt en hoe zij dit heeft ervaren. Zij vindt het vreemd dat zij eerst in de gevangenis moet komen voordat zij een gesprek kan krijgen.
[naam 2] zegt te begrijpen dat de situatie impact heeft en heeft begrip voor het feit dat vanuit
deze voorgeschiedenis de uitnodiging voor dit gesprek anders door [verzoekster] wordt beleefd.
Los daarvan, los van het hele traject wat aan de voorkant is geweest, moet er met [verzoekster]
worden gesproken over de aanhouding. [verzoekster] wordt erop gewezen dat wanneer zij dat
wenst, er op een ander moment verder kan worden toegelicht over eerdere keuzes en
besluiten vanuit de organisatie. [verzoekster] geeft aan dat zij dit via haar advocaat wil laten
verlopen. [verzoekster] wil "er gewoon eruit" en dit loopt via haar advocaat.
[naam 3] meldt dat de werkgever bericht heeft ontvangen dat het Openbaar Ministerie een
zogenaamde notificatiebrief zal sturen. In deze brief wordt de werkgever geïnformeerd over
de aanhouding. Aan [verzoekster] wordt gevraagd of zij voorafgaand aan deze brief de werkgever zelf nader wil informeren. [verzoekster] heeft deze brief nog niet gehad en wijst de werkgever erop dat ze deze brief kunnen afwachten, zij zal geen verklaring geven.
[naam 3] vertelt dat de werkgever heeft vernomen dat er meerdere mensen vanuit de
Belastingdienst zijn aangehouden. [verzoekster] verklaart dat zij hier voor zichzelf zit en daar
niets over kan en wil zeggen. Zij wijst de werkgever erop dat ze de brief vanuit het
Openbaar Ministerie dan moeten afwachten. [naam 3] herhaalt dat deze informatie dan moet
worden afgewacht voordat de nadere afspraken met haar kunnen worden gemaakt.”
3.6
Het OM heeft op 19 januari 2026 twee documenten verstrekt aan De Staat, te weten de geanonimiseerde processen-verbaal voorgeleiding ten behoeve van de vordering bewaring van verdachte [verzoekster] en van verdachte de heer [naam 4] . [verzoekster] en [naam 4] hebben een relatie met elkaar gehad. [naam 4] was een collega van [verzoekster] . Hij wordt ervan verdacht met [verzoekster] te hebben samengewerkt bij het plegen van de strafbare feiten.
3.7
De processen-verbaal bevatten onder meer verslagen van de verhoren met de verdachten, samenvattingen van aangiftes tegen de verdachten en de analyses van het onderzoeksteam van het OM. Uit de documentatie blijkt onder meer dat [verzoekster] verdacht wordt van mensensmokkel, oplichting en valsheid in geschrifte. Een van de verwijten van het OM is dat [verzoekster] meerdere personen met de Surinaamse nationaliteit heeft geholpen bij het indienen van aanvragen bij de IND voor het verkrijgen van verblijfsrecht in Nederland. [verzoekster] trad in dit proces meermaals op als referent en de kosten van de aanvragen werden betaald vanaf haar bankrekening. Daarnaast stond zij garant voor visumaanvragen voor de aanvragers van verblijfsrecht. Ook de huisgenoten van [verzoekster] traden op als referent en garant. Volgens het OM zijn de ingediende aanvragen afgewezen. Na indiening van een aanvraag krijgt de aanvrager echter zes maanden verblijfsrecht en mogen zij deelnemen aan de arbeidsmarkt. De afgewezen aanvragen hebben dus geleid tot verblijfsrecht van personen met de Surinaamse nationaliteit en toegang tot de arbeidsmarkt. De aanvragen waren volgens het OM reeds bij indiening kansloos, omdat een familierechtelijke relatie tussen de aanvrager en de referent een basisvoorwaarde is voor toewijzing van de aanvraag en het visum. Deze relatie ontbrak volgens het OM steeds tussen [verzoekster] en de aanvragers, althans deze bleek niet uit de aangeleverde documentatie.
3.8
Naar aanleiding van de processen-verbaal is [verzoekster] uitgenodigd voor overleg op 21 januari 2026 om 9.00 uur te Apeldoorn (binnen de voor haar geldende werktijden). De uitnodiging is haar telefonisch gedaan in de ochtend van 20 januari 2026. [verzoekster] heeft de uitnodiging afgewezen met een e-mail van 20 januari 2026 (10:47 uur):

Zojuist werd ik opgeroepen voor een gesprek morgenochtend om 9:00 uur. Ik kan niet
aanwezig zijn vanwege een andere afspraak. Daarnaast acht ik een gesprek niet zinvol.
Zoals ik in ons gesprek van maandag 12 januari 2026, vorige week al aangegeven dat
mijn aanhouding niets van doen heeft met het werk. U schendt mijn privacy door hier
aanhoudend naar te blijven vragen.
3.9
De Staat heeft op 20 januari 2026 (12:08 uur) ook de advocaat van [verzoekster] aangeschreven over de uitnodiging voor 21 januari 2026:

Op dinsdag 13 januari 2026 heeft werkgever een beknopte beschrijving van verdenking van de strafbare feiten en omstandigheden ontvangen van het OM (bijlage 1). Omdat uit deze brief nog niet duidelijk naar voren komt waar de strafbare feiten en omstandigheden precies op zien, heeft de werkgever om aanvullende informatie gevraagd aan het OM. Gisteren heeft werkgever een aanvullend PV ontvangen van het OM (bijlage 2) . De bevindingen die hierin zijn opgenomen, zijn aanleiding om uw cliënte morgen te horen. Uw cliënte is daarom uitgenodigd voor een gesprek met werkgever op woensdag 21 januari 2026 om 9.00 uur te kantoor Apeldoorn. Zojuist heb ik begrepen dat uw cliënte heeft aangegeven niet in gesprek te gaan met werkgever. Ik hecht er waarde aan te benoemen dat de bevindingen uit het PV dermate ernstig zijn dat dit mogelijk kan leiden tot een beëindiging van het dienstverband wegens een dringende reden. Voordat hierover een beslissing genomen wordt, willen wij uw cliënte horen en in de gelegenheid stellen om te reageren op de door werkgever van het OM ontvangen stukken. Uw cliënte wordt dan ook verzocht om alsnog gehoor te geven aan de uitnodiging om morgen in gesprek te gaan.
De uitnodiging is niet vrijblijvend.”
3.1
Op 20 januari 2026 om 12:47 uur reageerde de toenmalige advocaat van [verzoekster] als volgt:

Kunt u mij het belang van de werkgever weergeven? Een beëindiging met wederzijds
goedvinden waarbij de compensatieregeling van het UWV wordt gebruikt kost de werkgever € 0,-. Ten hoogste een vergoeding voor advocaatkosten. Thans stelt de werkgever, zonder reden daartoe, dat de detentie verband zou hebben met het dienstverband. Dat wordt uitdrukkelijk betwist. Indien daarop een ontslag op staande voet zal volgen, dan dient mijn cliënte daarvoor een procedure te starten en de vraag is eerlijkheidshalve waarom. Een en ander gelet op het feit dat de werkgever een compensatie van het UWV krijgt voor de toekenning van de transitievergoeding na twee jaar ziekte. Het ontgaat mij en cliënte waarom u er op gebrand bent deze zaak tot een nodeloze procedure te bewegen.”
3.11
Door De Staat is als volgt gereageerd op 20 januari om 14:13 uur:

Het belang van werkgever is mede gelegen in de beoordeling van een mogelijk zeer ernstige integriteitsschending, waarin ook de reputatie en het aanzien van het ministerie onmiskenbaar een rol spelen. Op basis van de aan u toegestuurde stukken bestaat het
vermoeden dat uw cliënte in strijd heeft gehandeld met de geldende integriteitsvoorschriften en zich (daardoor) mogelijk niet als goed ambtenaar heeft gedragen. Het gesprek van morgen dient ertoe uw cliënte in de gelegenheid te stellen om zich hierover uit te laten , zodat haar reactie meegenomen kan worden bij de beoordeling van de vermoedelijke integriteitsschending en bij het bepalen van de eventuele rechtspositionele gevolgen.
Volledigheidshalve wijs ik u er tot slot op dat de uitnodiging van morgen valt binnen het tijdvak van de vastgestelde werktijden van uw cliënte en zij derhalve wordt verwacht aanwezig te zijn. Ik ontvang wederom graag per omgaande de bevestiging dat uw cliënte morgen aanwezig zal zijn.”
3.12
Dit laatste bericht werd beantwoord door mevrouw [verzoekster] met de mededeling dat zij zich afmeldde voor het gesprek, omdat het verzoek haar slechts enkele uren van tevoren zou hebben bereikt.
3.13
Op 21 januari 2026 heeft De Staat daarop als volgt gereageerd:
“U stelt dat de uitnodiging u enkele uren van tevoren heeft bereikt. Dit is niet het geval. Gisterenochtend is er vanuit werkgever telefonisch contact geweest om u uit te nodigen voor het gesprek van vanochtend. Ook heeft u gisterenochtend per e-mail gereageerd op de uitnodiging, dus van een uitnodiging enkele uren voor de afspraak is geen sprake. Daarnaast is in de e-mailcorrespondentie met uw gemachtigde toegelicht wat de aanleiding en noodzaak betreft om u vandaag te horen en is benadrukt dat deze uitnodiging niet vrijblijvend is.
Omdat u inderdaad niet op afspraak bent verschenen zal werkgever zich beraden op de vervolgstappen. U zal hierover geïnformeerd worden.”
3.14
Diezelfde dag nog is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer:

1.3 Op 12 januari 2026 heeft de heer [afdelingshoofd] , afdelingshoofd, met u gesproken over uw aanhouding en vrijheidsberoving. Tijdens dat gesprek hebt u onder meer aangegeven dat u geen inhoudelijke verklaring wil afleggen, omdat de zaak niets te maken heeft met de Belastingdienst. Volgens u was er sprake van een privékwestie. Zonder uw advocaat ging u ook geen verklaring afleggen, gelet op de gevoeligheid van de zaak. Van de zijde van de directie CAP is aangegeven dat de werkgever nog helemaal geen informatie heeft en dat hij belang heeft dat wel te kunnen toetsen. Kort gezegd hebt u aangegeven dat de werkgever de (notificatie)brief van het Openbaar Ministerie moet afwachten.
1.4
Bij bericht van 19 januari 2026 heeft de officier van justitie twee documenten verstrekt:
1) een geanonimiseerd proces-verbaal voorgeleiding ten behoeve van vordering bewaring van verdachte [verzoekster] ;
20 een geanonimiseerd proces-verbaal voorgeleiding ten behoeve van vordering bewaring van verdachte [naam 4] .(…)
2.1
Namens de Staat der Nederlanden zeg ik de arbeidsovereenkomst tussen u en de Staat der Nederlanden met onmiddellijke ingang op vanwege (een) dringende reden(en). Ik ontsla u dus op staande voet. Deze dringende reden(en) is/zijn dat:
A) u (bewust) een onjuiste voorstelling van zaken hebt gegeven over (het bestaan van) uw nevenwerkzaamheden, terwijl u nimmer toestemming zou hebben gekregen voor die nevenwerkzaamheden als de werkgever de werkelijke gang van zaken bekend was geweest;
B) u hebt beschikt over aanzienlijke sommen contant geld, waarvan de herkomst niet is verklaard;
C) u hebt gegokt bij een illegaal casino, althans een kansspelverstrekker zonder vergunning in Nederland.
Elke dringende reden is op zichzelf en in samenhang beschouwd voldoende voor dit ontslag op staande voet.
Ik ga hieronder nader in op deze gedragingen.(…)
a) Onjuiste voorstelling van zaken nevenwerkzaamheden
(…)
Hoewel u aanvankelijk wel melding hebt gedaan van nevenwerkzaamheden, hebt u die melding op 10 januari 2024 tenietgedaan door een verkeerd beeld te schetsen. Ondanks dat u nota bene tijdens dat gesprek was gewezen op het belang van open, eerlijk en transparant communiceren, hebt u in januari 2024 niet conform waarheid verklaard.
(…)
[U heeft]
activiteiten verricht, die veel verder strekken dat het ‘wegwijs maken van mensen uit uw gemeenschap die belangrijk voor u zijn’. Dat licht ik aan de hand van de processen-verbaal, als volgt toe.
(…)
Bij de aanvraag van 8 december 2023 voor een visum kort verblijf stond u als garantsteller in de aanvraag(…).
In deze aanvraag stond u als ‘tante’ vermeld. De aanvraag werd door de IND afgewezen. In de tweede aanvraag(…)
voor dezelfde vreemdeling, stond u niet meer als ‘tante’, maar als ‘schoonzus’ vermeld. U was net als in de eerste aanvraag garantsteller. Bij beide aanvragen werden loonstroken gevoegd van het ministerie van Financiën die op uw naam stonden gesteld.(…)
Uit het voorgaande blijkt evident dat er geen sprake is geweest van een ‘wegwijs maken’. U hebt een duidelijke rol gehad in verschillende aanvragen voor visa (als indiener van een visum, als garantsteller, als ontvanger van retourvliegtickets, door leges te betalen en/of doordat uw telefoonnummer veelvuldig voorkwam).
Vervolgens doen de aanvragen de nodige vragen rijzen, bijvoorbeeld als het gaat om uw relatie tot de vreemdelingen die de aanvraag doen. Op het adres [adres] , uw woonadres, stonden namelijk (ook) twee referenten van de visumaanvragen ingeschreven. Voorts wilde de vreemdeling van de aanvraag van 4 juli 2023 -de aanvraag die u hebt ingediend- Nederland betreden op basis van een visum kort verblijf. Vervolgens vroeg de vreemdeling een aanvraag in om langdurig in Nederland te verblijven, met daarbij als referent iemand die ook bij acht andere aanvragen referent was. Ook dat doet niet alleen bij de IND, maar ook bij mij de nodige vragen rijzen.
(…)
U hebt géén openheid van zaken gegeven, terwijl u dat wel had moeten doen. Had de werkgever wél kennis gehad van voormelde werkzaamheden en uw rol daarin, dan zou hij dat nooit hebben toegestaan. Immers, hiermee hebt u ernstig afbreuk gedaan aan het imago van de werkgever. Uw rol in de nevenwerkzaamheden is zeer kwestieus en brengt daarmee schade toe aan de werkgever. Uw stelling op 12 januari 2026 dat het zou gaan om een privézaak is exemplarisch voor uw grovelijke onachtzaamheid als het gaat om de schade die u met uw gedrag de dienst en het ambt hebt toegebracht.
(…)
Uw gedragingen zijn op zichzelf en in samenhang beschouwd volstrekt ontoelaatbaar en een ambtenaar onwaardig. Door het afleggen van de belofte hebt u beloofd dat u zich zult gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat u zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zult zijn en dat u niets zult doen dat het aanzien van het ambt zal schade. Ik stel vast dat u deze belofte ernstig hebt veronachtzaamd.
3.15
Volgens [verzoekster] is het door De Staat gegeven ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd.
3.16
Los van (de kern van) het geschil speelt op de achtergrond dat [verzoekster] zich op 22 november 2023 ziek heeft gemeld en sindsdien arbeidsongeschikt is. Voor het ontslag op staande voet, medio augustus 2025, heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd. Tijdens de mondelinge behandeling is niet duidelijk geworden wat de status is van deze aanvraag.

4.Het verzoek en het verweer

4.1
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en De Staat te veroordelen tot loondoorbetaling vanaf 21 januari 2026. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoekster] meent dat de door De Staat aangevoerde ontslagredenen niet kunnen leiden tot een ontslag op staande voet. Volgens haar staat niet vast dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de door De Staat gestelde feiten, die De Staat baseert op de processen-verbaal van het OM. Het strafrechtelijk onderzoek is immers nog niet afgerond en zij moet dus voor onschuldig worden gehouden. Ook is volgens [verzoekster] geen sprake geweest van voldoende mate van hoor en wederhoor. Verder zijn de door De Staat gestelde integriteitsschendingen volgens [verzoekster] niet ten grondslag gelegd aan het ontslag op staande voet. [verzoekster] verzet zich niet tegen het (voorwaardelijk ingestelde) tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, mede gelet op eerdere pogingen om middels een vaststellingsovereenkomst uit elkaar te gaan.
4.2
De Staat voert verweer. Volgens De Staat is het ontslag op staande voet terecht en dient de opzegging dus in stand te blijven. De Staat heeft daarvoor onder meer het volgende naar voren gebracht. [verzoekster] is niet eerlijk geweest over haar nevenwerkzaamheden, omdat deze werkzaamheden verder gingen dan zij heeft verklaard. Datzelfde geldt voor het – volgens De Staat – kwestieuze karakter van de nevenwerkzaamheden. Volgens De Staat had [verzoekster] openheid van zaken moeten geven over haar nevenwerkzaamheden. Zij zou dan nooit toestemming hebben gekregen voor deze nevenwerkzaamheden. Als de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag op staande voet niet geldig is gegeven dan dient de arbeidsovereenkomst volgens De Staat alsnog te eindigen door ontbinding, primair op grond van verwijtbaar handelen en/of nalaten, subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair op grond van een combinatie van omstandigheden. In alle gevallen komt [verzoekster] volgens De Staat geen transitievergoeding toe, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen. Aan dit voorwaardelijk ontbindingsverzoek legt De Staat allereerst dezelfde feiten ten grondslag als aan het ontslag op staande voet. Daarnaast wijst De Staat erop dat [verzoekster] , nadat de strafrechtelijke verdenking ontstond, heeft geweigerd de twijfels over haar integriteit weg te nemen door de vragen van De Staat hierover te beantwoorden.

5.De beoordeling

5.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen. Daarbij wordt alleen de ontslaggrond ‘nevenwerkzaamheden’ besproken.
De door De Staat met de ontslagbrief meegedeelde redenen voor het ontslag
5.2
Partijen twisten allereerst over de redenen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het doel van het (met de ontslagbrief) onverwijld meedelen van de dringende reden is dat voor de ontvanger onmiddellijk duidelijk behoort te zijn wat de reden is geweest voor het ontslag. De ontvanger moet zich na de mededeling immers kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend ervaart (ECLI:NL:HR:2014:3126). Een werkgever kan de ontslagredenen om diezelfde reden niet later aanvullen.
5.3
De dringende reden is aan [verzoekster] meegedeeld met de ontslagbrief van 21 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] onder meer verklaard dat zij de brief “
een hele lap tekst” vond, die zij niet goed heeft gelezen. Wel begreep zij naar eigen zeggen dat de brief een vervolg was op de uitnodiging die zij op 20 januari 2026 had gekregen voor het gesprek op 21 januari 2026. Zij was zich er volgens haar verklaring ook van bewust dat dit gesprek zou gaan over de processen-verbaal van het OM. [verzoekster] ging ervan uit dat De Staat haar wilde spreken over het strafrechtelijke traject en dat De Staat “
er alles bijhaalde” om haar te ontslaan. In de ontslagbrief staat dat De Staat [verzoekster] verwijt dat zij een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over haar nevenwerkzaamheden. In de brief wordt dit gekoppeld aan enerzijds de door [verzoekster] in 2022 en januari 2024 tijdens haar personeelsgesprekken afgelegde (tegenstrijdige) verklaringen over haar nevenwerkzaamheden en anderzijds de daadwerkelijk door haar verrichte activiteiten, zoals deze volgens De Staat blijken uit de processen-verbaal van het OM. Blijkens de brief verwijt De Staat haar ook dat zij dit onjuiste beeld heeft laten bestaan, ook na haar arrestatie. Ook vermeldt de brief expliciet dat [verzoekster] wordt verweten dat haar rol in de nevenwerkzaamheden “
kwestieus” is. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het voor [verzoekster] voldoende duidelijk was dat zij is ontslagen omdat zij een verkeerd beeld heeft laten ontstaan en bestaan van haar nevenwerkzaamheden, en haar kwestieuze rol daarbij. Voor [verzoekster] was eveneens voldoende duidelijk dat De Staat haar ontsloeg vanwege die kwestieuze rol.
De feiten die volgens De Staat een dringende reden vormen
5.4
De volgende vraag is of de feiten die volgens De Staat de dringende reden vormen, zich hebben voorgedaan. De kantonrechter stelt het volgende voorop. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever. Als een werkgever feiten stelt en onderbouwt, is het vervolgens aan de werknemer om deze feiten gemotiveerd te weerspreken. Doet de werknemer dat niet, of onvoldoende, dan staan de feiten in beginsel vast. De processen-verbaal van het OM hebben – anders dan een strafrechtelijk vonnis – geen dwingende bewijskracht. Er komt wel vrije bewijskracht aan toe. Dat wil zeggen dat het kan worden gebruikt als onderbouwing van een standpunt van partijen. De Staat heeft de gestelde ontslagreden onderbouwd met de processen-verbaal. Daarmee heeft De Staat in civielrechtelijke zin voldoende gemotiveerd gesteld dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten zich hebben voorgedaan.
5.5
Het uitgangspunt is daarom dat het aan [verzoekster] is om de gestelde feiten gemotiveerd te betwisten. Doet zij dat niet, bijvoorbeeld omdat zij zich op haar zwijgrecht beroept, dan kan dat reden zijn om de door De Staat aangevoerde feiten als vaststaand aan te nemen (vgl. bijv. Gerechtshof Den Haag, 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:31). De kantonrechter denkt daar in dit geval genuanceerder over. Het strafrechtelijke zwijgrecht is gebaseerd op het grondrecht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro). Hoewel de civiele procedure geen recht op zwijgen kent, zou het strafrechtelijke zwijgrecht worden aangetast als [verzoekster] haar arbeidsrechtelijke positie enkel kan veiligstellen door (mogelijk belastende) verklaringen af te leggen die zij in de strafrechtelijke procedure heeft geweigerd af te leggen. De kantonrechter zal daarom, waar relevant, aan de motivering van haar betwisting minder zware eisen stellen dan te doen gebruikelijk in de civiele procedure.
5.6
De Staat heeft gesteld dat [verzoekster] tijdens het laatste personeelsgesprek waarin de nevenwerkzaamheden werden besproken, heeft verklaard dat zij ‘in het verleden soms mensen uit haar gemeenschap, die belangrijk voor haar zijn, wegwijs heeft gemaakt’. Volgens De Staat blijkt uit de processen-verbaal van het OM – samengevat – dat de betrokkenheid van [verzoekster] bij het naar Nederland halen van mensen met een Surinaamse achtergrond aanmerkelijk anders was dan het door haar geschetste beeld: zij diende vele aanvragen in, betaalde de leges, stond garant en trad op als referent, en liet huisgenoten hetzelfde doen. Ook bevatten haar aanvragen feitelijk onjuiste informatie.
5.7
[verzoekster] heeft de juistheid van de gespreksverslagen van de personeelsgesprekken van eind 2022 en 10 januari 2024 en het gesprek van 12 januari 2026 niet betwist. De inhoud daarvan staat daarom vast in deze procedure.
5.8
Voor wat betreft de beschuldigingen van het OM heeft [verzoekster] ervoor gekozen zich te beperken tot een algemene ontkenning. Zij heeft daarbij verwezen naar de strafrechtprocedure, waarin zij nog niet is veroordeeld, en naar het advies van haar strafrechtadvocaat om te zwijgen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij op veel vragen geen antwoord gegeven. Enkele vragen heeft zij wel beantwoord. Zo heeft zij tijdens de mondelinge behandeling erkend betrokken te zijn geweest bij meerdere aanvragen bij de IND. Zij kon niet vertellen om hoeveel aanvragen het precies ging, maar het zouden er minder dan honderd zijn. [verzoekster] heeft verklaard dat het “
haar taak” was om formulieren voor anderen in te vullen. Naar eigen zeggen kende zij deze mensen niet. Volgens [verzoekster] kreeg zij deze taak van een “
derde partij,” bij wie zij een schuld had. Het klopt volgens [verzoekster] dat zij de leges voor meerdere aanvragen heeft betaald en ook zelf als referent stond vermeld. [verzoekster] heeft erkend dat zij in een aanvraag heeft vermeld dat zij iemands “
tante” was, terwijl dat familierechtelijk gezien onjuist was. Volgens haar is het in haar cultuur gebruikelijk om mensen ‘tante’ te noemen, ook als zij geen familie zijn. Voor het overige heeft [verzoekster] volstaan met een blote betwisting en geen vragen beantwoord of verklaringen gegeven voor de in de processen-verbaal opgenomen verdenkingen.
5.9
De kantonrechter overweegt als volgt. Op basis van de verklaringen die [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling wel heeft afgelegd, staat vast dat er een aanzienlijk verschil is tussen de nevenwerkzaamheden die zij bij De Staat heeft gemeld en de nevenwerkzaamheden die zij daadwerkelijk uitvoerde, zowel qua omvang als werkwijze. [verzoekster] hielp immers niet (enkel) mensen die ‘belangrijk waren voor haar’, maar was ook betrokken bij aanvragen voor mensen die zij niet kende. Zij deed dit ook niet op verzoek van deze mensen zelf, om hen te helpen, maar in opdracht van een derde, waarbij zij schulden had. Zij maakte deze mensen daarnaast niet enkel ‘wegwijs’, maar diende zelf de formulieren in, betaalde de leges en vermeldde zichzelf als referent. Tot slot staat vast dat [verzoekster] bij het invullen van tenminste één formulier de indruk heeft gewekt dat iemand familie van haar was, terwijl dat niet het geval was. Dat het in haar cultuur gebruikelijk zou zijn om meer mensen ‘tante’ te noemen, maakt dat niet anders. In de context van de ingevulde formulieren gaat het immers niet om hoe iemand wordt genoemd, maar of iemand familie is, omdat dit een reden kan zijn voor toewijzing van de aanvraag. De feiten die door De Staat ten grondslag zijn gelegd aan de ontslaggrond ‘nevenwerkzaamheden’ staan daarmee vast, ook als de overige door De Staat in het kader van deze ontslaggrond aangevoerde feiten als voldoende gemotiveerd betwist zouden worden beoordeeld.
Vormen de feiten een dringende reden?
5.1
De kantonrechter oordeelt dat deze feiten een dringende reden opleveren en het ontslag op staande voet rechtvaardigen. [verzoekster] heeft driemaal de kans gekregen om open kaart te spelen over haar nevenwerkzaamheden. Zij heeft dat tot drie keer toe niet gedaan. Eind 2022 verklaarde zij voor de IND te werken en vrijwilligerswerk te hebben gedaan. Dat bleek niet juist te zijn. In januari 2024 verklaarde zij dat zij ‘in het verleden soms mensen uit haar gemeenschap, die belangrijk voor haar zijn, wegwijs heeft gemaakt’. Ook dat bleek geen correcte weergave te zijn van de werkelijkheid. En op 12 januari 2026 weigerde zij, ondanks expliciete verzoeken daartoe, iets te zeggen over de verdenkingen. Ook toen had het op haar weg gelegen om open kaart te spelen over haar nevenwerkzaamheden en de daarmee samenhangende complicaties. [verzoekster] heeft De Staat meermaals op het verkeerde spoor gezet en gehouden. Tegen die achtergrond kon van De Staat niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst in stand te houden. Daarbij komt nog dat [verzoekster] als ambtenaar is beëdigd en van haar op het vlak van integriteit nog meer mag worden verwacht dan van een gewone werknemer. Door haar nevenwerkzaamheden op deze wijze uit te oefenen heeft zij afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat mensen in de overheid en haar ambtenaren moeten kunnen stellen.
5.11
Gelet op het voorgaande behoeven de overige ontslaggronden geen bespreking.
Hoor en wederhoor
5.12
Het verweer van [verzoekster] dat het ontslag op staande voet niet geldig is omdat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden wordt verworpen. Het voorafgaand aan het ontslag horen van een werknemer is op zichzelf geen vereiste voor de geldigheid van een ontslag op staande voet (ECLI:NL:HR:2023:1008). Bovendien ligt de gang van zaken rond het horen anders dan door [verzoekster] naar voren gebracht. Anders dan door [verzoekster] gesteld is zij niet een paar uur, maar een dag van te voren uitgenodigd voor een gesprek. Deze uitnodiging heeft zij zelf geweigerd, omdat zij – binnen werktijd – een andere afspraak zou hebben en omdat zij het gesprek niet zinvol vond omdat het volgens haar ging om een privékwestie. Dat het uiteindelijk, ondanks een poging van De Staat, niet tot hoor en wederhoor is gekomen, is te wijten aan haar eigen opstelling.
Conclusie
5.13
Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. De voorwaardelijk ingestelde tegenverzoeken van De Staat hoeven daarom niet besproken te worden.
5.14
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat [verzoekster] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De proceskosten aan de zijde van De Staat worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
wijst het verzoek af,
6.2
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van De Staat begroot op
€ 1.009,00,
6.3
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. [1]
Deze beschikking is gegeven door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.