Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] en mevrouw [eiser 2], uit [woonplaats 1],
het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- De geluidsberekening vertoonde een gebrek aan informatie, omdat voor beide buitenunits essentiële technische gegevens ontbraken, waardoor een goede beoordeling niet mogelijk was,
- Van de buitenunit aan de voorzijde van de woning geen geluidsberekening was overgelegd en de buitenunit aan de achterzijde van de woning was gebaseerd op een onjuiste modelkeuze en locatie, waardoor de geluidsberekening onvoldoende was onderbouwd,
- De gehanteerde modelvariant en de plaatsing van de geluidsbron waren onjuist waardoor de door [derde belanghebbenden] aangeleverde geluidsberekening geen representatief of ‘worst case’-beeld gaf van de geluidsbelasting op het aangrenzende perceel.
ten behoeve vanhet gebruik voor (alle vormen van) paardrijactiviteiten, voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de definitie ‘paardenbak’. Dat ten tijde van het bestreden besluit de rijbaan niet voor springactiviteiten of dressuur werd gebruikt, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de rijbaan niet bestemd is voor paarden. De rechtbank stelt vast dat op het deel van [locatie 1] waar [derde belanghebbenden] haar paarden houdt, op de bodem van het perceel zand is aangebracht. [derde belanghebbenden] heeft ter zitting uitgelegd dat het terrein als een ‘paddock’ moet worden aangemerkt en daarom geschikt is als voorziening voor haar paarden om, ook bij slecht weer en een vochtige grond, buiten te kunnen verblijven. [derde belanghebbenden] heeft ter zitting toegelicht dat zij de rijbaan in het verleden gebruikte om haar paarden in te rijden en voor springdressuur te trainen. Als gevolg van het conflict met de buren en deze procedure berijdt zij haar paarden nu op een terrein bij de overburen. Dat [derde belanghebbenden] inmiddels twee lichtmasten en de springhindernissen van de rijbaan heeft verwijderd – en zij het terrein naar eigen zeggen alleen nog als ‘paddock’ gebuikt – doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat de rijbaan is opgericht om daar paard te rijden en/of paarden te laten lopen. En dit kan ook nog steeds. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college ten onrechte heeft overwogen dat het terrein op [locatie 1] niet kan worden aangemerkt als een ‘paardenbak’ zoals bedoeld in artikel 1.93 van de planregels. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd en in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het betoog slaagt. Volgens de rechtbank zal het college moeten onderzoeken en beoordelen of handhavend optreden onder de gegeven omstandigheden evenredig is.