Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3198

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
AK_25_924 en AK 25_925
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2:4 AwbArt. 2:79 APV Olst-Wijhe
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging besluit handhaving paardenbak, paardenstal en parkeren wegens onzorgvuldig onderzoek

De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van buren tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe om handhavend op te treden tegen vermeende overtredingen op het perceel van de buren, waaronder het gebruik van een paardenbak, het houden van paarden in een paardenstal, en het gebruik van een perceel als parkeerterrein.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht afzag van handhaving tegen de airco-units en het houden van paarden in de paardenstal, omdat geen overtreding was vastgesteld. Echter, het besluit om niet op te treden tegen de paardenbak was onvoldoende gemotiveerd, mede omdat het college onterecht aannam dat de paardenbak niet meer aanwezig was. Ook was het onderzoek naar de hinder van de paardenstal onzorgvuldig en was het college zonder goede motivering afgeweken van het advies van de bezwarenadviescommissie. Daarnaast was het onderzoek naar de parkeersituatie onvoldoende zorgvuldig.

De rechtbank vernietigde daarom het besluit voor zover het betrekking had op de paardenbak, de hinder van de paardenstal en het parkeren, en beval het college om binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen. Het beroep werd gegrond verklaard en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van het college wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onzorgvuldig onderzoek en onvoldoende motivering omtrent de paardenbak, paardenstal en parkeren.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/924 en ZWO 25/925

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] en mevrouw [eiser 2], uit [woonplaats 1],

hierna te noemen: [eisers]
(gemachtigde: mr. M.A. Patandin),
en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,

hierna te noemen: het college
(gemachtigde: drs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2], uit [woonplaats 2],
hierna te noemen: [derde belanghebbenden].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit op het verzoek om handhavend op te treden tegen verschillende overtredingen die volgens [eisers] aan de [adres] worden begaan. Het college heeft het handhavingsverzoek deels toegewezen en deels afgewezen. [eisers] is het niet eens met het besluit op haar handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college kon afzien van handhavend optreden tegen de airco-units en het houden van paarden in de paardenstal. Het bestreden besluit blijft voor dit gedeelte in stand.
1.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen voor zover het college heeft onderzocht en besloten dat de twee paarden en de mini-pony die door [derde belanghebbenden] bij haar woning worden gehouden, geen ernstige of herhaaldelijke hinder voor [eisers] veroorzaken. De rechtbank oordeelt ook dat het college zonder deugdelijke motivering heeft besloten om af te zien van handhavend optreden tegen de paardenbak. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek, dat het college naar de parkeersituatie heeft verricht, onzorgvuldig is geweest. De rechtbank vernietigt dit deel van het bestreden besluit. Het college dient op voornoemde punten opnieuw op de bezwaren van [eisers] te beslissen.
1.3.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eisers] heeft het college op 22 juni 2023 verzocht om handhavend op te treden tegen acht verschillende overtredingen op het perceel [adres].
2.1.
Met het besluit van 15 oktober 2023 (besluit 1) heeft het college op het handhavingsverzoek beslist om ten aanzien van twee overtredingen handhavend op te treden en het verzoek voor het overige af te wijzen.
2.2.
Tegen besluit 1 heeft [eisers] bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 26 februari 2024 (besluit 2) heeft het college aan [derde belanghebbenden] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van twee geplaatste airco-units.
2.4.
Tegen besluit 2 heeft [eisers] bezwaar gemaakt.
2.5.
Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 besloot het college om besluit 1 – voor zover van belang – gedeeltelijk te herroepen en nader te motiveren. Het college besloot om besluit 2 in te trekken omdat volgens hem de airco-units vergunningsvrij geplaatst konden worden.
2.6.
[eisers] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbenden] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [eisers] heeft nadere stukken ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: [eisers] en haar gemachtigde, de gemachtigden van het college vergezeld door [naam 1] en [derde belanghebbende 2] vergezeld door [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
[eisers] heeft met de brief van 22 juni 2023, die op 23 juni 2023 door het college is ontvangen, verzocht om handhavend op te treden tegen verschillende overtredingen op het perceel van [derde belanghebbenden]. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Planologisch kader
4. Ter plaatse van het perceel [adres] geldt het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Olst-Wijhe’. Op de betreffende gronden gelden de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’. Ook gelden op de gronden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1’ en Waarde – Archeologie – 2’.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
5. [eisers] en [derde belanghebbenden] wonen in een gesplitste woning en zijn daarom directe buren van elkaar. [eisers] stelt dat [derde belanghebbenden] op haar eigen perceel verschillende overtredingen begaat. [eisers] heeft het college op 22 juni 2023 verzocht om tegen de onderstaande door [eisers] gestelde overtredingen op te treden:
 Het gebruik van het bijgebouw bij de woning als paardenstal;
 Het gebruik van gronden met een agrarische bestemming als parkeerterrein;
 Het gebruik en oprichten van een paardenbak met lichtmasten;
 De overschrijding van het maximum bouwoppervlakte aan bijgebouwen;
 De aanwezigheid van een asbesthoudend dak van de paardenstal;
 Twee geplaatste airco-units op de woning;
 Een buitenopslag van puin in strijd met de geldende bestemming;
 De gevel van de woning vanwege strijd met de redelijke eisen van welstand.
5.1.
Met besluit 1 heeft het college op het handhavingsverzoek beslist en zich op het standpunt gesteld dat op het bovengenoemde adres verschillende overtredingen plaatsvinden. Het college besloot om tegen de volgende overtredingen op te treden:
 het gebruik van gronden als een parkeerterrein, en;
 een buitenopslag van puin.
Op de overige punten heeft het college geen overtreding vastgesteld of beslist dat van handhavend optreden wordt afgezien omdat vanwege een ontvangen aanvraag voor een omgevingsvergunning sprake is van een concreet zicht op legalisatie.
5.2.
Tegen besluit 1 heeft [eisers] bezwaar gemaakt. [eisers] kan zich niet verenigen met het besluit van het college om niet handhavend op te treden tegen:
 de gerealiseerde paardenstal op het woonperceel;
 de overschrijding van het maximaal aantal toegestane bijgebouwen;
 de aanwezige paardenbak en lichtmasten buiten het bouwvlak, en;
 de aanwezigheid van asbesthoudende golfplaten op de paardenstal bij de woning van [derde belanghebbenden].
5.3.
Met de besluiten van 21 december 2023 heeft het college besloten de omgevingsvergunningen voor het realiseren van een parkeerplaats en het oprichten en gebruiken van een paardenrijbak op en bij het perceel [adres], te weigeren.
5.4.
Met besluit 2 heeft het college aan [derde belanghebbenden] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de geplaatste airco-units. Het college besloot het bezwaar daartegen gedeeltelijk gegrond te verklaren en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in te trekken omdat de airco-units zonder omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ geplaatst konden worden. [1] Omdat uit een controleberekening van de geluidsproductie van de airco-units volgt dat aan de grenswaarde op de perceelgrens wordt voldaan, bestaat volgens het college geen grondslag om handhavend op te treden. Het college besloot verder het primaire besluit gedeeltelijk te herroepen en nader te motiveren.
Omvang van het geding
6. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het bestreden besluit en maakt een beoordeling ‘ex tunc’. De rechtbank beoordeelt of het college zich ten tijde van het bestreden besluit van 28 januari 2025 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het heeft kunnen afzien van handhavend optreden.
6.1.
In beroep stelt [eisers] dat het college ten onrechte toestemming heeft verleend voor het plaatsen van de airco-units aan de buitenzijde van de woning omdat de geluidsnormen uit het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) worden overschreden. Voorts stelt [eisers] dat de paardenbak nog steeds aanwezig is en het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [derde belanghebbenden] de paardenbak heeft verwijderd. Verder stelt [eisers] dat het houden van paarden in de paardenstal in strijd is met de woonbestemming en het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de hinder die de paarden opleveren. Tot slot stelt [eisers] dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat [derde belanghebbenden] niet meer op de gronden met een agrarische bestemming parkeert.
6.2.
[eisers] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het hekwerk rond de paardenbak hoger is dan één meter, waardoor het hekwerk volgens haar vergunningplichtig is en het college dit ten onrechte niet heeft onderkend. [eisers] heeft ter zitting aangegeven dat de rechtbank geen oordeel hoeft te geven over de vraag of het hekwerk rond de paardenbak vergunningplichtig is. De rechtbank stelt daarom vast dat [eisers] deze beroepsgrond heeft ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet nader bespreken.
Airco-units
7. De rechtbank stelt vast dat [eisers] te onrechte in de veronderstelling is geweest dat zij beroep tegen de omgevingsvergunning voor de airco-units heeft ingesteld. Het college heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2025 besloten de omgevingsvergunning in te trekken omdat de airco-units vergunningvrij geplaatst konden worden. De rechtbank zal daarom beoordelen of het college terecht tot het oordeel is gekomen dat de airco-units geen overtreding opleveren. De rechtbank maakt deze beoordeling aan de hand van de beroepsgronden van [eisers].
7.1.
Ter zitting heeft [derde belanghebbenden] verklaard dat de airco-unit die op de achterzijde van de woning op het dak was geplaatst, inmiddels is verwijderd. [derde belanghebbenden] heeft aangegeven voornemens te zijn om deze airco-unit bij de veranda terug te plaatsen. De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat [eisers] een (proces)belang heeft bij de uitkomst van haar beroep op dit punt. [eisers] streeft na dat zij geen overlast ondervindt van de airco-units van [derde belanghebbenden]. Volgens de rechtbank is het niet uit te sluiten dat [derde belanghebbenden] de airco-unit in de toekomst weer op het dak zal plaatsen. Als de rechtbank overweegt dat [derde belanghebbenden] in overtreding was bij de plaatsing van de airco-unit op het dak, is het college in beginsel gehouden om tegen de airco-unit handhavend op te treden. Het bereiken van dat resultaat kan voor [eisers] feitelijke betekenis hebben, zodat het procesbelang bij de beoordeling van dit punt naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen. [2]
7.2.
[derde belanghebbenden] heeft op 12 oktober 2023 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee airco-units. Bij de aanvraag heeft zij technische gegevens van de units aangeleverd en ook berekeningen van de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [eisers] ingediend. Het college heeft naar aanleiding van het bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning de Omgevingsdienst IJsselland (hierna: de omgevingsdienst) verzocht advies uit te brengen over de door [derde belanghebbenden] aangeleverde informatie. In het geluidsadvies van 31 juli 2024 adviseerde de omgevingsdienst het college om de geluidsberekening af te wijzen die door [derde belanghebbenden] bij de aanvraag was aangeleverd. Vanwege de complexiteit van de akoestische berekening en de termijn van de lopende procedure heeft het college de omgevingsdienst verzocht om een nadere beoordeling uit te voeren op basis van de technische specificaties van de geplaatste airco-units. De omgevingsdienst heeft vervolgens in twee geluidsadviezen van 20 december 2024 respectievelijk 10 januari 2025 controleberekeningen gemaakt van de twee airco-units. Volgens de omgevingsdienst voldoen beide airco-units aan de wettelijke grenswaarden voor de toegestane geluidsbelasting op de gevel van de woning van [eisers]. Het college heeft beide adviezen ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.
7.3.
In beroep stelt [eisers] dat uit de door [derde belanghebbenden] aangeleverde technische gegevens en geluidsberekeningen niet kan worden afgeleid dat geluidsnormen op hun aangrenzende gevel niet wordt overschreden. Volgens [eisers] volgt uit deze informatie dat de grenswaarde zoals opgenomen in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 overdag met 21 dB(A) en in de avond met 16 dB(A) wordt overschreden. [eisers] is verder van mening dat het geluidsadvies van 10 januari 2025 onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende concludent is omdat uit dit advies niet blijkt welke wijzigingen zijn doorgevoerd ten opzichte van het afwijzend advies van 31 juli 2024. Volgens [eisers] kan uit het bestreden besluit niet worden opgemaakt dat de geluidsadviezen van de omgevingsdienst zorgvuldig tot stand zijn gekomen en het college zich van de juistheid van de adviezen heeft vergewist. De vergunningverlening is volgens [eisers] daarom in strijd met artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.4.
Volgens het college zijn de adviezen van de omgevingsdienst wel deugdelijk tot stand gekomen. Het college heeft toegelicht dat het advies van 31 juli 2024 is afgewezen omdat de door [derde belanghebbenden] op 4 december 2023 aangeleverde geluidsberekening onvolledig was en om drie verschillende redenen niet kon worden geaccepteerd, namelijk:
  • De geluidsberekening vertoonde een gebrek aan informatie, omdat voor beide buitenunits essentiële technische gegevens ontbraken, waardoor een goede beoordeling niet mogelijk was,
  • Van de buitenunit aan de voorzijde van de woning geen geluidsberekening was overgelegd en de buitenunit aan de achterzijde van de woning was gebaseerd op een onjuiste modelkeuze en locatie, waardoor de geluidsberekening onvoldoende was onderbouwd,
  • De gehanteerde modelvariant en de plaatsing van de geluidsbron waren onjuist waardoor de door [derde belanghebbenden] aangeleverde geluidsberekening geen representatief of ‘worst case’-beeld gaf van de geluidsbelasting op het aangrenzende perceel.
7.5.
Het college heeft de conclusies uit de geluidsadviezen van 20 december 2024 respectievelijk 10 januari 2025 overgenomen. Uit de geluidsadviezen volgt volgens het college dat voor wat betreft het geluidsniveau van de airco-unit aan de voorzijde van de woning (op het maaiveld) het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op het maatgevende beoordelingspunt (erfgrens) ten hoogste 34 dB(A) bedraagt. Voor wat betreft de airco-unit aan de achterzijde van de woning (op het dak) bedraagt het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op het maatgevende beoordelingspunt (te openen deuren/of raam) ten hoogste 33 dB(A). De omgevingsdienst is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat de grenswaarde van 40 dB(A) niet wordt overschreden, aldus het college.
7.6.
De rechtbank gaat ervan uit dat de airco-units na 1 april 2021 zijn geplaatst en dat daarom de normen uit het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) van toepassing zijn. Op grond van artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit mag een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB veroorzaken, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.
7.7.
Het college heeft op 28 januari 2025 beslist op de bezwaren van [eisers]. Op dat moment was de Omgevingswet in werking getreden en het Bouwbesluit ingetrokken. Het college moet daarom ook kijken of naar het recht onder de Omgevingswet nog sprake is van een overtreding. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de omgevingsdienst in de geluidsadviezen heeft beoordeeld of aan de geluidsnorm, zoals opgenomen in artikel 4.107, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is voldaan. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de materiële normstelling onder het thans geldend recht gelijk is aan de normstelling in het Bouwbesluit en dat er geen sprake is van een overschrijding van de grensnorm opgenomen in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit.
7.8.
De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [3]
7.9.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het de geluidsadviezen van de omgevingsdienst kon baseren om tot de beoordeling te komen dat geen sprake is van een overtreding. Het betoog van [eisers], dat bij een maximale benutting van het geluidsvermogenniveau van de airco-units de geluidnormen worden overschreden, treft geen doel. Het geluidsvermogenniveau is geen toetsingsnorm, maar een bronwaarde, die, afhankelijk van de afstand tot het beoordelingspunt en de omgevingsfactoren, moet worden omgerekend naar het geluidsniveau ter plaatse van het beoordelingspunt. De rechtbank overweegt dat het college zich dan ook kon baseren op het geluidsadvies van 20 december 2024 over de airco-unit aan de voorzijde van de woning en het geluidsadvies van 10 januari 2025 over de airco-unit op het dak van de woning. Uit de geluidsadviezen volgt dat van de airco-unit aan de voorzijde van de woning (op het maaiveld) het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op het maatgevende beoordelingspunt (erfgrens) ten hoogste 34 dB(A) bedraagt. Voor de airco-unit aan de achterzijde van de woning (op het dak) bedraagt het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op het maatgevende beoordelingspunt (te openen deuren/of raam) ten hoogste 33 dB(A). De rechtbank merkt op dat [eisers] op de geluidsadviezen geen tegenrapport heeft ingediend, noch een eigen geluidsonderzoek, inclusief meting, heeft uitgevoerd waaruit volgt dat de grenswaarden worden overschreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich op de geluidsadviezen kon baseren voor zijn beoordeling dat de grenswaarde uit artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit, niet is overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
7.10.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [eisers] bij het college een handhavingsverzoek kan indienen op het moment dat [derde belanghebbenden] de airco-unit bij haar veranda heeft geplaatst en zij van mening is dat de grenswaarden wordt overschreden. Het college moet dan onderzoeken of, met inachtneming van hetgeen in artikel 4.107, tweede lid, van het Bbl is bepaald, de grenswaarde wordt overschreden.
Paardenbak
8. [eisers] stelt in beroep dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden tegen de paardenbak die [derde belanghebbenden] heeft opgericht. Volgens [eisers] moet de voorziening die [derde belanghebbenden] op het betreffende perceel, kadastraal bekend [locatie 1] (hierna: ‘[locatie 1]’), heeft opgericht, worden aangemerkt als een ‘paardenbak’ zoals dit is gedefinieerd in het bestemmingsplan. Volgens [eisers] is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een paardenbak op deze plek te hebben. Het college heeft het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd en ten onrechte afgezien van handhaving.
8.1.
Het college meent dat de voorziening van [derde belanghebbenden] niet meer als een ‘paardenbak’ kan worden aangemerkt en dat daarom geen sprake is van een overtreding. Volgens het college bepaalt het bestemmingsplan dat alleen van een paardenbak gesproken kan worden als daadwerkelijk ‘paardrijactiviteiten’ plaatsvinden. Volgens het college volgt uit de rapporten van bevindingen, die de toezichthouders van het college hebben opgesteld, dat ten tijde van het bestreden besluit geen paardrijactiviteiten werden uitgeoefend en [derde belanghebbenden] de hindernissen en obstakels had verwijderd. Het college is van mening dat het enkel houden van paarden niet gelijkgesteld kan worden aan paardrijactiviteiten.
Is [eisers] belanghebbende?
8.2.
[derde belanghebbenden] stelt dat [eisers] geen gevolgen ondervindt van haar paarden. Volgens [derde belanghebbenden] heeft [eisers] zelf een stuk grond ingericht als een paardenbak en houdt zij daar zelf ook paarden. [derde belanghebbenden] stelt dat haar stuk grond daarachter is gelegen en daarom verder van de woningen ligt dan het stuk grond van [eisers] zelf. Volgens [derde belanghebbenden] ondervindt [eisers] vanuit haar woning gevolgen van haar eigen paardenbak en niet van haar verderweg gelegen paddock, die op ongeveer 50 meter afstand van de woning van [eisers] ligt.
8.3.
De rechtbank vat het betoog van [derde belanghebbenden] op als een betoog dat [eisers] geen belanghebbende is bij het besluit op haar handhavingsverzoek in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] wel belanghebbende is bij haar handhavingsverzoek. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat belanghebbendheid bij omgevingsrechtelijke besluiten in beginsel wordt aangenomen bij bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het besluit betrekking heeft omdat de feitelijke gevolgen die zich daar voordoen in beginsel van enige betekenis zijn. [4] In dit geval grenzen de gronden waarop [derde belanghebbenden] en [eisers] allebei paarden houden direct aan elkaar. Op de zitting heeft [eisers] toegelicht dat de paarden van [derde belanghebbenden] in het verleden de groene haag, die [eisers] als afscheiding tussen deze gronden op haar eigen grond laat groeien, aantastten. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in dit geval dus feitelijke gevolgen voor en zijn deze gevolgen van enige betekenis. Omdat [eisers] belanghebbende is, heeft het college terecht inhoudelijk op het handhavingsverzoek en het bezwaar van [eisers] beslist.
Paardenbak en paardrijactiviteiten
8.4.
[locatie 1] heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Tussen partijen is niet in geschil dat volgens het bestemmingsplan het alleen is toegestaan om op deze grond binnen een bouwvlak een paardenbak op te richten. In de planregels van het bestemmingsplan is in artikel 3.6.4 een specifieke afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bij verlening van een omgevingsvergunning een paardenbak op te richten buiten het bouwvlak, indien de paardenbak grenst aan een perceel met de bestemming ‘Wonen’. In bovengenoemd geval wordt niet aan dit vereiste voldaan, waardoor het college niet van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik kon maken.
8.5.
In artikel 1.93 van de planregels is het begrip ‘paardenbak’ gedefinieerd als: "een rijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten in de open lucht met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining".
8.6.
Op grond van vaste rechtspraak moet een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd, tenzij de planregel onvoldoende duidelijk is. Dan kan op grond van de plansystematiek of de toelichting bij het bestemmingsplan tot een andere uitleg worden gekomen. [5] Bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en de plantoelichting voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen in het algemeen spraakgebruik, zoals dat door "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" wordt omschreven, daaronder wordt verstaan.
8.7.
Partijen zijn verdeeld over de vraag welke activiteiten precies als ‘paardrijactiviteiten’ kunnen worden aangemerkt. De rechtbank constateert dat de term ‘paardrijactiviteiten’ niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Volgens de rechtbank kan ook uit de systematiek van het bestemmingsplan niet worden afgeleid wat de planwetgever onder paardrijactiviteiten heeft willen scharen. Evenmin biedt de plantoelichting inzicht in de bedoeling van de planwetgever ten aanzien van de vraag wat als paardrijactiviteit moet worden aangemerkt. Tot slot is ook geen definitie van dit begrip gegeven in het ‘Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal’.
8.8.
De rechtbank is genoopt om een letterlijke uitleg van artikel 1.93 te geven. De rechtbank overweegt dat de plantwetgever het begrip ‘paardrijactiviteiten’ niet heeft willen beperken tot bepaalde activiteiten. Een rijbaan die aan de eigenschappen voldoet zoals opgenomen in de planregel en is aangelegd
ten behoeve vanhet gebruik voor (alle vormen van) paardrijactiviteiten, voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de definitie ‘paardenbak’. Dat ten tijde van het bestreden besluit de rijbaan niet voor springactiviteiten of dressuur werd gebruikt, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de rijbaan niet bestemd is voor paarden. De rechtbank stelt vast dat op het deel van [locatie 1] waar [derde belanghebbenden] haar paarden houdt, op de bodem van het perceel zand is aangebracht. [derde belanghebbenden] heeft ter zitting uitgelegd dat het terrein als een ‘paddock’ moet worden aangemerkt en daarom geschikt is als voorziening voor haar paarden om, ook bij slecht weer en een vochtige grond, buiten te kunnen verblijven. [derde belanghebbenden] heeft ter zitting toegelicht dat zij de rijbaan in het verleden gebruikte om haar paarden in te rijden en voor springdressuur te trainen. Als gevolg van het conflict met de buren en deze procedure berijdt zij haar paarden nu op een terrein bij de overburen. Dat [derde belanghebbenden] inmiddels twee lichtmasten en de springhindernissen van de rijbaan heeft verwijderd – en zij het terrein naar eigen zeggen alleen nog als ‘paddock’ gebuikt – doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat de rijbaan is opgericht om daar paard te rijden en/of paarden te laten lopen. En dit kan ook nog steeds. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college ten onrechte heeft overwogen dat het terrein op [locatie 1] niet kan worden aangemerkt als een ‘paardenbak’ zoals bedoeld in artikel 1.93 van de planregels. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd en in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het betoog slaagt. Volgens de rechtbank zal het college moeten onderzoeken en beoordelen of handhavend optreden onder de gegeven omstandigheden evenredig is.
Schending fair-play beginsel
8.9.
[eisers] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het college in strijd met het fair-play beginsel heeft gehandeld omdat een toezichthouder van het college de paardenbak al op 31 augustus 2023 buiten het bouwvlak heeft geconstateerd maar het college pas op 19 augustus 2024 aan [derde belanghebbenden] een voornemen van een last onder dwangsom heeft gestuurd. Ook is volgens [eisers] pas na meer dan een maand na afloop van de begunstigingstermijn op de paardenbak gecontroleerd.
8.10.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog niet. Artikel 2:4 van Pro de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid en dat het bestuursorgaan ervoor waakt dat voor het bestuursorgaan werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] niet gesteld en niet onderbouwd dat daarvan sprake is. Ook overweegt de rechtbank dat [eisers] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom door het voornoemde tijdsverloop sprake is van een onbehoorlijk bestuur. De beroepsgrond slaagt niet.
Hobbymatig houden van paarden en (mini)pony
9. [eisers] stelt dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden tegen de paardenstal nabij hun woning. Volgens [eisers] is het houden van paarden in strijd met de woonbestemming en kan dat niet als hobbymatig gebruik worden aangemerkt. Verder stelt [eisers] zich op het standpunt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanwezigheid van de paardenstal geen hinder veroorzaakt.
9.1.
Het college stelt dat [derde belanghebbenden] op het perceel aan de [adres] twee paarden en één (mini)pony houdt. Volgens het college ligt deze locatie in het buitengebied van Olst, in een gebied dat wordt omringd door agrarisch bestemd landschap. De twee paarden en de (mini)pony worden alleen door [derde belanghebbenden] gebruikt. Het college meent dat dit gebruik past binnen de vigerende woonbestemming.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van het bestreden besluit twee paarden en één (mini)pony werden gehouden in een bouwwerk dat voorheen in gebruik was als garage en thans wordt gebruikt als stal. De stal is gelegen binnen de bestemming ‘Wonen’ (artikel 24 van Pro de planregels). Op grond van artikel 24.1 van de planregels zijn deze gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor het wonen, daaronder begrepen kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis, één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en paardenbakken en met de ondergeschikte aan de grond toegekende functies.
9.3.
Uit rechtspraak van de Afdeling kan een vaste lijn worden afgeleid die wordt gehanteerd voor de vraag of bepaalde vormen van gebruik zich verdragen met een woonbestemming. De vraag of het gebruik van de gronden voor het houden en berijden van paarden in strijd is met de woonbestemming dient te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat specifieke gebruik, gezien zijn aard, omvang en intensiteit, heeft. Hierbij dient de aard van de omgeving en de relatie van het perceel tot het buitengebied te worden betrokken. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is, dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel, aldus de Afdeling. [6]
9.4.
De rechtbank ontleent aan de hiervoor weergegeven rechtspraak dat, als het gaat om de vraag of hobbymatig gebruik van dieren in overeenstemming met een woonbestemming is, naast de aard en intensiteit van het gebruik, ook de omvang van het perceel, de plaats van het gebruik op het perceel (voor -of achterkant woning), de afstand tot naburige woonbebouwing, en de omgeving van het perceel van belang is.
9.5.
De rechtbank is van oordeel dat het houden van de twee paarden en één (mini)pony als hobbymatig gebruik kan worden aangemerkt en niet in strijd is met de woonbestemming. In dit geval worden binnen de woonbestemming uitsluitend twee paarden en één (mini)pony gehouden. Deze dieren worden op deze locatie niet door [derde belanghebbenden] bereden of getraind. De stal is gelegen aan de westzijde van het perceel en direct gelegen aan de woning van [derde belanghebbenden]. De percelen van [derde belanghebbenden] liggen in het buitengebied en worden, behoudens het woonperceel van [eisers], (direct) omringd door agrarische gronden.
9.6.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een overtreding van artikel 24 van Pro het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Olst-Wijhe’. De rechtbank komt daarom niet toe aan het betoog van [eisers] dat de afstand van de paardenstal tot de woning niet voldoet aan de richtafstand van een paardenhouderij, zoals opgenomen in de ‘Handreiking Activiteiten en Milieuzonering’ van de VNG. De beroepsgrond van [eisers] slaagt niet.
Hinder van paardenstal
10. [eisers] stelt zich op het standpunt dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de hinder en overlast die zij ondervindt van de paarden en activiteiten in en rondom de paardenstal. Volgens [eisers] is sprake van ernstige en herhaaldelijke geluid- en geurhinder, dan wel hinder van dieren zoals is bedoeld in artikel 2:79, tweede lid, onder a en b van de Algemeen Plaatselijke Verordening Olst-Wijhe (APV). Verder is [eisers] van mening dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:13, lid zeven, van de Awb, omdat het college zonder motivering is afgeweken van het advies van de bezwarenadviescommissie van de gemeente Olst-Wijhe.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [eisers] slaagt. De rechtbank licht dat als volgt toe.
10.2.
Het college heeft de bezwaren van [eisers] in handen gesteld van de ‘bezwarenadviescommissie algemene aangelegenheden gemeente Olst-Wijhe’ (hierna: de commissie). [7] Op 30 oktober 2024 heeft de commissie het college geadviseerd om op de bezwaren te beslissen. De commissie adviseerde het college om het primaire besluit te herroepen ten aanzien van de hinder van de paardenstal en aanvullend te onderzoeken en motiveren in hoeverre er sprake is van hinder. Volgens de commissie volgt uit het proces-verbaal van de toezichthouder van het college dat alleen op 26 augustus 2024 een controle heeft plaatsgevonden op mogelijke hinder van de paardenstal. Volgens de commissie is het onderzoek van het college onvoldoende gemotiveerd om het bestreden besluit te dragen en adviseert het om nader onderzoek te doen naar de hinder op verschillende dagen en op verschillende tijdstippen.
10.3.
Het college heeft in het bestreden besluit bepaald dat zij het advies van de commissie overneemt, met dien verstande dat zij het primaire besluit in stand laat onder aanvulling van de in het bestreden besluit gegeven motivering. Volgens het college hebben toezichthouders op 18 en 19 november 2024 het perceel van [derde belanghebbenden] gecontroleerd en geen overlast van mest of geur- en geluidhinder waargenomen. Volgens het college kon er geen onevenredige of ernstige hinder (van paarden) worden geconstateerd.
10.4.
De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van de controle op 18 november 2024 is opgenomen dat de toezichthouders ’s avonds het perceel van [derde belanghebbenden] hebben bezocht. De toezichthouders hebben een uur met [derde belanghebbenden] gepraat. Omdat de toezichthouders vanwege de duisternis niet konden waarnemen of in de paardenstal mest aanwezig was, hebben zij hun onderzoek vroegtijdig beëindigd. Op 19 november 2024 zijn de toezichthouders omstreeks 13:00 uur ter plaatse van de woning gegaan en hebben zij een perceel van [derde belanghebbenden], waaronder de paardenstal, gecontroleerd. De toezichthouders hebben geen overlast of hinder van de paarden kunnen waarnemen.
10.5.
De rechtbank overweegt dat, anders dan het college van mening is, het college, náást de aanvankelijke controle op 26 augustus 2024 nog slechts eenmaal – namelijk op 19 november 2024 – een deugdelijke controle heeft uitgevoerd. Het college heeft niet nader gemotiveerd waarom het in dit geval met slechts één extra onderzoek kon volstaan, hoewel de adviescommissie had geadviseerd om nader onderzoek te doen “op verschillende dagen en op verschillende tijdstippen”. Het college is dan ook zonder deugdelijke motivering van het advies van de commissie afgeweken. Dat betekent dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft omdat deze tot stand is gekomen in strijd met artikel 7:13, lid zeven, van de Awb. De beroepsgrond slaagt.
10.6.
De rechtbank overweegt ten overvloede het volgende. Uit artikel 2:79, tweede en derde lid, onder a en b, van de APV volgt dat de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang kan opleggen bij ernstige en herhaaldelijke geluid- of geurhinder of hinder van dieren. Anders dan [eisers] en het college hebben aangenomen, is er op basis van het voornoemde artikel geen grondslag voor het college om op het handhavingsverzoek van [eisers] te beslissen. Het college zal daarom in de nieuwe beslissing op bezwaar moeten heroverwegen of het primaire besluit op dit deel in stand kan blijven en aanleiding bestaat om het handhavingsverzoek in handen te stellen van de burgemeester.
Parkeren
11. [eisers] stelt dat [derde belanghebbenden] stelselmatig en langdurig voertuigen parkeert op het perceel kadastraal bekend [locatie 2] (hierna: ‘[locatie 2]’) en zij om die reden op 22 juni 2023 een handhavingsverzoek heeft gedaan. Volgens [eisers] is dit in strijd met de agrarische bestemming die aan dit perceel is toegekend. Volgens [eisers] is het onderzoek dat het college naar de parkeeractiviteiten heeft uitgevoerd onzorgvuldig omdat uit het rapport van bevindingen niet is af te leiden wanneer precies is gecontroleerd en of op die momenten daadwerkelijk geen parkeeractiviteiten zijn vastgesteld. Volgens [eisers] kleeft aan het bestreden besluit een gebrek omdat het onzorgvuldig tot stand is gekomen.
11.1.
Het college heeft op 19 augustus 2024 aan [derde belanghebbenden] het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de toezichthouder van het college in de periode van 2 september 2024 tot en met 18 oktober 2024 meerder controles uitgevoerd. De toezichthouder heeft van de controles een rapport van bevindingen opgemaakt. Volgens het college volgt uit het rapport van bevindingen dat er niet meer geparkeerd wordt op [locatie 2] en om die reden heeft het college in het bestreden besluit te kennen gegeven dat het geen last onder dwangsom oplegt.
11.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie staat dat het gebruik van het [locatie 2] als een parkeerplaats – in ieder geval voor langdurig parkeren – op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Handhavend optreden is echter alleen mogelijk als sprake is van een overtreding. De vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat al dan niet sprake is van een overtreding dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. Verder dienen de vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. [8] Verder wordt van een bestuursorgaan niet verwacht dat het naar aanleiding van een handhavingsverzoek elke dag controleert, maar wel is vereist dat het aantal controles representatief is en dat de wijze van toezichthouden, die door een bestuursorgaan wordt gekozen, deugdelijk is. [9]
11.3.
De rechtbank oordeelt dat het college, bij de voorbereiding van het besluit tot afwijzing van het verzoek om handhaving, niet de nodige kennis heeft vergaard voordat het kon besluiten om het verzoek om handhaving af te wijzen. In het rapport van bevindingen van 22 oktober 2024 heeft de toezichthouder beschreven dat hij van 2 september 2024 tot en met 18 oktober 2024 controles heeft uitgevoerd aan de [adres] en dat hij heeft gekeken of er geparkeerd werd op de agrarische bestemming. In het rapport van bevindingen zijn twee foto’s van 18 oktober 2024 bijgevoegd waarop te zien is dat [derde belanghebbenden] de toegang naar het [locatie 2] met een hekwerk heeft geblokkeerd en geen voertuigen op het perceel zijn waar te nemen. In het rapport van bevindingen is niet beschreven op welke (andere) dagen en tijdstippen de toezichthouder het perceel heeft bezocht en wat hij op die momenten heeft aangetroffen. De feitelijke waarnemingen zijn niet op grond van het rapport van bevindingen te controleren. De rechtbank is daarom van oordeel dat de feitenvaststelling niet deugdelijk heeft plaatsgevonden. Omdat het college op dit punt geen deugdelijk onderzoek heeft verricht naar de relevante feiten en geen deugdelijke motivering heeft gegeven, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De beroepsgrond van [eisers] slaagt.
11.4.
Het college zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen en zorgvuldig moeten onderzoeken of op het terrein wordt geparkeerd. In de nieuwe beslissing op het bezwaar zal het college kunnen beoordelen of sprake is van een incidentele parkeersituatie of niet. Tot slot zal het college moeten afwegen of het van handhavend optreden kan afzien als de gevolgen daarvan onevenredig zijn in verhouding met de te dienen doelen.
11.5.
[eisers] heeft de rechtbank erop gewezen, dat zij, na het bestreden besluit, op 9 april 2025 een nieuw verzoek heeft gedaan om handhavend op te treden tegen de parkeeractiviteiten op [locatie 2]. Daarop heeft het college een besluit genomen, waartegen inmiddels bij de rechtbank een aparte beroepsprocedure aanhangig is. Dit nieuwe handhavingsverzoek blijft in deze uitspraak buiten beschouwing.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit op onderdelen in strijd is met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit wordt daarom gedeeltelijk – voor zover het gaat over de beslissingen over de paardenbak, de hinder van de paardenstal en het parkeren –vernietigd. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. Dit, omdat het college nader onderzoek moet verrichten. Daarnaast is het aan het college om op grond van een belangenafweging te beslissen of zij, bij een geconstateerde overtreding, handhaving al dan niet proportioneel acht in relatie tot de daarmee te dienen belangen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college voor het vernietigde deel een nieuw besluit moet nemen. De rechtbank zal hiervoor een termijn bepalen die zij, gelet op de onderzoekshandelingen die door het college moeten worden verricht, vaststelt op zestien weken.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan [eisers] vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het college heeft beslist over de paardenbak, de hinder van de paardenstal en het parkeren;
- bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;
- gelast het college om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak, voor het vernietigde deel, opnieuw op het bezwaar te beslissen;
- draagt het college op het door [eisers] betaalde griffierecht van € 194,- aan haar te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van € 1.868,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en artikel 3, onderdeel acht, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
2.Zie bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:745, r.o. 5.1.
4.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3175.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:140, r.o. 5.1 en de Afdeling van 7 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3201.
6.Zie de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2587.
7.De adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb.
8.De Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3831.
9.De Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1542, r.o. 6.3.