Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2817

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_1027
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over WIA-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling

Eiseres verzocht het UWV om een WIA-uitkering, welke op 20 maart 2024 werd afgewezen. Tevens werd haar ZW-uitkering per 13 mei 2024 beëindigd. Na bezwaar bleef het UWV bij deze besluiten, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Overijssel. Tijdens de procedure erkende het UWV dat de beëindiging van de ZW-uitkering onjuist was en kende alsnog een ZW-uitkering toe vanaf 13 mei 2024. Dit herzieningsbesluit verving het eerdere besluit over de ZW-uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de ZW-beoordeling niet-ontvankelijk dan wel ongegrond, omdat het herzieningsbesluit daarin voorzag. De beoordeling van de WIA-uitkering bleef echter ongewijzigd en vormde het centrale geschilpunt. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige rapportages niet zorgvuldig tot stand waren gekomen, inconsistenties bevatten en onvoldoende waren gemotiveerd, met name ten aanzien van de relatie tussen klachten en zwangerschap.

De arbeidskundige beoordeling werd als zorgvuldig en concludent beoordeeld, hoewel het gehanteerde maatmanloon onjuist was geïndexeerd. De rechtbank vernietigde het besluit over de WIA-uitkering en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen, waarbij een correcte indexering van het maatmanloon moet worden toegepast. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het besluit over de WIA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling; het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1027
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).

1.Inleiding

1.1.
Bij besluit van 20 maart 2024 (primair besluit I) heeft het UWV de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen. Bij besluit 12 april 2024 (primair besluit II) heeft het UWV aan eiseres laten weten dat de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 13 mei 2024 stopt.
1.2.
Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
11 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de primaire besluiten gebleven.
1.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het UWV in diens verweerschrift laten weten dat de beslissing op de ZW-aanvraag toch onjuist is.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiseres had aan de rechtbank medegedeeld niet op zitting te zullen verschijnen. Omdat het UWV, ondanks diens mededeling in het verweerschrift, nog geen formeel nieuw besluit op de ZW-aanvraag had genomen, heeft de rechtbank de procedure geschorst in afwachting van die beslissing.
1.5.
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft het UWV een nieuw besluit op de ZW-uitkering (herzieningsbesluit) genomen en aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 13 mei 2024 nog wel recht heeft op een ZW-uitkering. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderhavige beroep van rechtswege mede gericht tegen dit herzieningsbesluit.
1.6.
Nadat de rechtbank partijen heeft verzocht om toestemming om uitspraak te mogen doen zonder nadere zitting, hebben zowel eiseres als het UWV die toestemming verleend. Eiseres had daarbij evenwel nog een aantal aanvullende gronden gericht tegen onder meer de beslissing ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Daarop heeft de rechtbank partijen, gelet op het bepaalde in artikel 8:57 van Pro de Awb, opnieuw om toestemming verzocht waarbij partijen uiterlijk 28 april 2026 konden aangeven of zij een nieuwe zitting wensten. Geen van partijen heeft daarop gereageerd, zodat de rechtbank het onderzoek vervolgens heeft gesloten.

2.Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
2.1.
Ten aanzien van de WIA stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres met haar beperkingen met ingang van 14 maart 2024 nog in staat is werkzaamheden te verrichten. Met deze werkzaamheden zou eiseres 26,31% minder kunnen verdienen dan het loon dat zij verdiende in haar werk waarvoor zij ziek is geworden. In het herzieningsbesluit heeft het UWV alsnog een ZW-uitkering vanaf 13 mei 2024 toegekend. Daarbij is verwezen naar het rapport van 11 juni 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Hij heeft het verdienvermogen van eiseres na het opnieuw indexeren van het maatmanloon alsnog vastgesteld op 64,98%. De nieuwe indexering leidt niet tot een ander standpunt ten aanzien van de weigering van de WIA-uitkering.
Standpunt van eiseres
2.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat:
1) de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist is;
2) de mate van de beperkingen c.q. de klachten zijn onderschat;
3) de functies waarvan het UWV stelt dat eiseres deze zou kunnen uitvoeren te zwaar zijn/ niet passen bij haar (medische) situatie.
4) haar dagelijks functioneren niet past bij wat het UWV zegt;
5) haar re-integratie behandelaar, die haar echt heeft meegemaakt, het een en ander anders ziet;
6) de indexering van het maatmanloon onjuist is.
Standpunt van verweerder
2.3.
Verweerder ziet, nu een herzieningsbesluit is genomen ten aanzien van de ZW-uitkering, geen aanleiding voor verdere wijzigingen. Op vragen van de rechtbank ter zitting ten aanzien van het verschil in functies die zijn geduid in het kader van de WIA en de ZW, stelt het UWV zich op het standpunt dat bij de ZW sprake was van een lopende uitkering. Het besluit ten aanzien van de WIA betrof de situatie van einde wachttijd, zodat dan nieuwe functies geduid kunnen worden. Daardoor is de verdiencapaciteit in het kader van de WIA hoger beoordeeld dan in het kader van de ZW.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
2.4.
Voor zover het beroep gericht is tegen de ZW-beoordeling in het bestreden besluit, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit deel van het bestreden besluit vervangen is door het herzieningsbesluit. Voor zover het beroep gericht is tegen het herzieningsbesluit, wordt het beroep ongegrond verklaard, omdat met het herzieningsbesluit reeds tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres voor zover dit was gericht tegen de ZW-beoordeling. In het navolgende zal de rechtbank zich dan ook beperken tot de beroepsgronden, voor zover deze betrekking hebben op de WIA-beoordeling in het bestreden besluit. Eiseres heeft belang bij een beoordeling van dit deel van het bestreden besluit, omdat dit deel van het bestreden besluit niet door het herzieningsbesluit is vervangen en dus nog steeds van kracht is.
2.5.
Hoewel eiseres verder aan haar beroep aanvankelijk enkel arbeidskundige gronden ten grondslag had gelegd, heeft zij haar gronden bij brief van 12 april 2026 aangevuld, waarbij een deel van de nieuwe gronden ook gericht is tegen de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Beide partijen hebben de gelegenheid gehad een nieuwe zitting aan te vragen, beide hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank ziet in zoverre dan ook geen belemmering om in het navolgende (ook) de verzekeringsgeneeskundige gronden bij de beoordeling te betrekken.
Juridisch kader
2.6.
Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) een bijzondere waarde toe in die zin, dat het UWV zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Zulks betekent echter volgens de vaste rechtspraak van de Raad geenszins dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep onaantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van Pro de Awb wel aan eiseres om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven verzekeringsgeneeskundige beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk. [1]
Toegepast op de zaak – de verzekeringsgeneeskundige beoordeling
2.7.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verzekeringsgeneeskundige rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze zijn verder niet concludent en bevatten bovendien inconsistenties. In de primaire verzekeringsgeneeskundige rapportage wordt door de verzekeringsarts gesteld dat de causaliteit tussen haar klachten (waaronder, zo leidt de rechtbank uit de verslaglegging af, de rug/heup/bekken) en de voorafgaande zwangerschap/bevalling per datum van het spreekuur niet langer aanwezig is. De verzekeringsarts stelt in dat verband:
“De bevalling vond bijna twee jaar geleden plaats waarna de anatomie van rug/bekken zich sinds lang heeft hersteld cq cliënt sinds lang is ontzwangerd.” Evenwel onderbouwt de verzekeringsarts in het geheel niet waaruit blijkt dat na een bevalling na 2 jaar klachten als gevolg van de zwangerschap/bevalling per definitie zouden moeten zijn beëindigd en waarom deze niet langer zouden kunnen voortduren, terwijl uit medische publicaties kan worden afgeleid dat (rug)klachten na een zwangerschap ook langere tijd en zelfs levenslang kunnen aanhouden. [2] De verzekeringsarts heeft ook niet op medische informatie gewezen waaruit blijkt dat eiseres in de tussentijd van haar rug/heup/bekkenklachten zou zijn hersteld, terwijl eiseres juist, zo blijkt uit de verslaglegging, nog altijd beperkingen ervaart. Ingezette (bekkenbodem)fysiotherapie heeft daarbij ook kennelijk geen effect gehad. De conclusie van de primaire verzekeringsarts dat klachten maar in beperkte mate kunnen worden geobjectiveerd en geen aanleiding geven om forse(re) dynamische en statische beperkingen te stellen, is daarmee dan ook, zonder nadere motivering die ontbreekt, onbegrijpelijk.
2.8.
Bovendien geldt dat zelfs als de klachten aspecifiek zijn (en dus niet langer aan de zwangerschap/bevalling te relateren zouden kunnen zijn), dit niet op zichzelf reden is om die klachten beperkter objectiveerbaar te achten. Juist het gegeven dat de verzekeringsarts ook aspecifieke klachten kennelijk wel deels objectiveerbaar acht en hier ook arbeidsbeperkingen aan koppelt, zou er toe dienen te leiden dat ook verdergaande beperkingen kunnen worden aangenomen indien het klachtenverhaal van eiseres verder consistent is. [3]
2.9.
Aangezien de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapportage verder voortbouwt op de rapportage van de primaire arts en daar, onder andere ten aanzien van de rug/bekken/heupklachten, grotendeels bij aansluit werken de voornoemde inconsistenties ook door in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
Toegepast op de zaak – de arbeidskundige beoordeling
2.10.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de arbeidskundige rapportages van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor wat betreft de geduide functies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, ze zijn verder concludent en bevatten geen inconsistenties. Naar aanleiding van de verzekeringsgeneeskundige rapportage in bezwaar zijn een deel van de geduide functies in het kader van de ZW en de WIA in bezwaar komen te vervallen en zijn nieuwe functies geduid. De afwijking in geduide functies ten aanzien van de WIA en ZW wordt verder door het UWV verklaard door het verschil in beoordelingsmoment (de ZW heeft als beoordelingsmoment 13 mei 2024 en de WIA heeft als beoordelingsmoment de einde wachttijd), waardoor uit het CBBS (het claimbeoordelingssysteem dat door het UWV wordt gebruikt om functies te duiden op basis van de beperkingen die door de verzekeringsarts zijn vastgesteld) andere functies naar voren kunnen zijn gekomen. De rechtbank begrijpt dit aldus, dat het CBBS een dynamische applicatie is, waarbij de database van functies continu wordt aangepast aan veranderende omstandigheden, zoals het vervallen van functies die niet langer bestaan, de toevoeging van hogere salariëringen voor bestaande functies, en het ontstaan van nieuwe functies die aan de database worden toegevoegd. Daarmee is een afdoende toelichting gegeven voor het verschil in de duiding van functies ten aanzien van de ZW- en de WIA-beoordeling in bezwaar.
2.11.
Hoewel verder in het bestreden besluit nog steeds de functie met SBC-code 111180 Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) is toegevoegd, ondanks dat hiertegen bezwaargronden gericht waren, is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in bezwaar voldoende inzichtelijk heeft toegelicht waarom deze functie alsnog is geduid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de Resultaat functiebeoordeling namelijk toegelicht dat in die functie niet wordt gewerkt met latex- of nitrilhandschoenen, maar met ESD-handschoenen die zijn gemaakt van stof en volledig ademend zijn. Eiseres heeft verder niet inhoudelijk onderbouwd waarom de in bezwaar voor haar geduide functies toch niet passend zouden zijn als uit wordt gegaan van de arbeidsbeperkingen zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waren aangenomen.
2.12.
Wel voert eiseres terecht aan dat in de arbeidskundige beoordeling ten aanzien van de WIA-beoordeling van een onjuist maatmaninkomen wordt uitgegaan, gelet ook op de erkenning van het UWV dat in het bestreden besluit een onjuist maatmaninkomen ten aanzien van de ZW-uitkering was toegepast. De arbeidskundige bezwaar en beroep is in de WIA-beoordeling ten onrechte uitgegaan van een uurloon van € 21,70, waar – gelet op de ZW-beoordeling – tenminste een maatmanuurloon van € 21,81 per uur moest worden gehanteerd.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het bestreden besluit voor wat betreft de verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten aanzien van de WIA-beoordeling onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Om die reden is het beroep in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit in zoverre te worden vernietigd.
3.2.
De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar ten aanzien van de WIA-uitkering moet nemen. Indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens met een nieuwe zorgvuldige en voldoende gemotiveerde afweging tot dezelfde arbeidsbeperkingen komt, dan kan de arbeidskundige beoordeling die aan het bestreden besluit ten aanzien van de WIA ten grondslag was gelegd voor wat betreft de geduide functies, opnieuw worden toegepast. Wel dient de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in dat geval het maatmanloon opnieuw te indexeren en aan de hand daarvan te beoordelen of eiseres voor een WIA-uitkering in aanmerking komt.
3.3.
Het voorgaande betekent dat voor zover het beroep is gericht tegen de WIA-beoordeling in het bestreden besluit, dit beroep door de rechtbank gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit in zoverre ook wordt vernietigd. Voor zover het beroep gericht is tegen de ZW-beoordeling in het bestreden besluit, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit deel van het bestreden besluit vervangen is door het herzieningsbesluit. Voor zover het beroep gericht is tegen het herzieningsbesluit, wordt het beroep ongegrond verklaard, omdat met het herzieningsbesluit reeds tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres voor zover dit was gericht tegen de ZW-beoordeling. Eiseres is met het herzieningsbesluit immers een ZW-uitkering per 13 mei 2024 voor het resterende deel van haar ZW-periode toegekend.
3.4.
Aangezien het beroep (deels) gegrond is, zal de rechtbank het UWV in de proceskosten van eiseres in beroep veroordelen. Eiseres is in beroep niet bijgestaan door een gemachtigde, zodat het UWV enkel het griffierecht hoeft te vergoeden.

4.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen de WIA-beoordeling in het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
  • draagt het UWV op om ten aanzien van de WIA-beoordeling een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het herzieningsbesluit ongegrond;
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3894, r.o. 5.1.
2.Zie bijvoorbeeld de volgende publicatie van de WHO: https://www.who.int/news/item/07-12-2023-more-than-a-third-of-women-experience-lasting-health-problems-after-childbirth.
3.Vgl. Naar analogie: CRvB 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2459.