Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2458

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_2721
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:12 AwbArt. 15 AOWArt. 17a AOWArt. 20 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen ongehuwden naar gehuwdenpensioen wegens huwelijk in het buitenland

Eiser ontving aanvankelijk een AOW-pensioen voor ongehuwden, maar werd later herzien naar een gehuwdenpensioen met terugwerkende kracht vanaf augustus 2023, nadat de SVB meldingen ontving over zijn huwelijk in het buitenland en samenwoning.

Eiser voerde aan dat er sprake was van duurzaam gescheiden leven tot december 2024 en dat hij zijn huwelijk niet tijdig had gemeld, maar dat dit niet tot herziening mocht leiden. Ook stelde hij dat hij niet was geïnformeerd over zijn recht op een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO).

De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door het huwelijk niet te melden, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor duurzaam gescheiden leven, en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van herziening met terugwerkende kracht. Hoewel het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiser hierdoor niet werd benadeeld.

Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de SVB werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van het AOW-pensioen naar gehuwdenpensioen met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2721

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. E. Schriemer,
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gemachtigden: mr. S. Venema en mr. C.A van der Vlist.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 10 april 2025 heeft de SVB eisers AOW-pensioen vanaf augustus 2023 herzien naar een gehuwdenpensioen.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn zoon [eiser] en zijn partner [naam], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1
Eiser heeft bij de SVB op 11 mei 2023 een pensioen op grond van de AOW aangevraagd. Bij besluit van 15 mei 2023 heeft de SVB eiser met ingang van 1 mei 2023 op grond van de AOW een ongehuwdenpensioen toegekend. Daarbij is een korting toegepast van 34% wegens niet-verzekerde jaren.
2.2
De SVB heeft van de gemeente een melding ontvangen op 19 januari 2025 dat eiser is gaan samenwonen op 6 januari 2025. Op 25 maart 2025 heeft de SVB een melding ontvangen dat eiser op 17 juli 2023 is getrouwd. Eiser heeft zijn huwelijk niet (tijdig) gemeld bij de SVB. Na contact met eiser heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met ingang van augustus 2023 recht heeft op een gehuwdenpensioen. Van duurzaam gescheiden leven is geen sprake geweest. Daarvan is sprake als eiser en zijn partner niet (meer) willen samenwonen en ook niet van plan zijn om bij elkaar te gaan wonen. Hiervan is geen sprake geweest. Dat blijkt ook uit de komst van eisers partner naar eisers adres op 6 januari 2025. Eiser heeft geen mededeling gedaan van zijn huwelijk aan de SVB. De SVB ziet daarom geen dringende redenen om zijn AOW-pensioen niet aan te passen.
3.2
Eiser stelt dat de SVB ten onrechte heeft vastgesteld dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De SVB heeft niet alle standpunten en aangedragen feiten van eiser kenbaar meegenomen. Er is dan ook sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, dan wel het motiveringsbeginsel.
Primair is eiser van mening dat er in elk geval tot 21 december 2024 sprake is van duurzaam gescheiden leven. Van schending van de inlichtingenplicht is dan ook geen sprake. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat zijn partner pas op 21 december 2024 naar Nederland is gekomen. Tot die tijd waren zij in elk geval duurzaam gescheiden. Er was voor die tijd ook geen contact. De partner had ook geen inkomen in Marokko en eiser onderhield haar ook niet. Er was geen sprake van een gezamenlijke huishouding of het delen van kosten of anderszins iets dat op een gezamenlijke huishouding wees. Op 6 januari 2025 is zij ingeschreven in de BRP op het adres van eiser.
Ten aanzien van het voornemen om samen te gaan wonen is in bezwaar na de hoorzitting nog toegevoegd dat sprake is van een gearrangeerd huwelijk. Eiser en zijn nieuwe partner hebben voor het huwelijk geen contact gehad. De intentie is niet om (blijvend) samen te wonen. De vergunning is nog niet rond en indien de nieuwe partner hier in Nederland niet kan aarden of geen aansluiting vindt, gaat zij terug. Op dit moment is het verblijf dus hooguit tijdelijk. Dit heeft te maken met een andere cultuur dan hier in Nederland en met het feit dat eiser nog 'van de oude stempel' is.
Subsidiair stelt eiser dat hem nimmer is meegedeeld dat hij recht heeft op een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO). Die heeft hij dus niet ontvangen terwijl hij daar vanaf de toekenning van het gekorte AOW-pensioen wel recht op had. Als hij alsnog AIO ontvangt kan die uitkering met terugwerkende kracht verrekend worden met de teveel ontvangen AOW om zo tot een passende oplossing te komen die cliëntgericht is. Hier is in het besluit op bezwaar niet op ingegaan. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
3.3
De SVB ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Eiser is in Marokko gehuwd. Hij had hiervan mededeling moeten doen aan de SVB. Om duurzaam gescheiden leven aan te kunnen nemen moet ondubbelzinnig uit de feiten blijken dat de wil om samen te leven ontbreekt en dat er geen invulling wordt gegeven aan het huwelijk. De wil om samen te leven bestond wel degelijk en daar is ook uitvoering aan gegeven door eiser en zijn partner. Zij is immers bij eiser in Nederland komen wonen. De SVB heeft erop gewezen dat het besluit op bezwaar alleen ziet op de herziening van eisers AOW-pensioen naar de gehuwdennorm en niet op de terugvordering, boete en de AIO-aanvulling.

Beoordelingskader

4. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het besluit om eisers AOW-pensioen vanaf augustus 2023 te herzien naar een pensioen voor gehuwden in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgronden niet slagen. Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, maar de rechtbank ziet aanleiding dit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De inlichtingenverplichting
6.1
Vast staat dat eiser voor zijn huwelijk een ouderdomspensioen ontving naar de norm voor een ongehuwde en dat hij op 17 juli 2023 is gehuwd met zijn partner. Eiser heeft de SVB geen mededeling gedaan van dit huwelijk.
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank had eiser kunnen of moeten weten dat hij de omstandigheid dat hij in het huwelijk was getreden diende te melden bij de SVB. Eiser ontving immers een pensioen voor een ongehuwde. Gelet daarop had hem duidelijk moeten zijn dat een huwelijk van belang kon zijn voor zijn ouderdomspensioen. Voor zover hij hierover twijfelde gelet op de bijzondere constructie van het huwelijk had het op zijn weg gelegen om via een melding daarover duidelijkheid te krijgen.
6.3
Vastgesteld moet dan ook worden dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen.
Duurzaam gescheiden leven
7.1
Op grond van artikel 3, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon van wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is bij gehuwden pas sprake van duurzaam gescheiden leven indien aan alle volgende eisen is voldaan:
a. ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b. ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c. ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving – al dan niet op termijn – aan te gaan. Toch is het niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. [1]
7.2
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, moet worden geconcludeerd dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van duurzaam gescheiden leven. Hierbij is van belang dat eiser met zijn partner is gehuwd in Marokko. Daarbij was het voornemen steeds dat eisers partner naar Nederland zou komen en met eiser zou gaan samenwonen. Eiser stelt dat hij voordat zijn partner naar Nederland kwam geen contact met haar had en dat eiser haar in Marokko niet heeft onderhouden. Dit doet echter niet af aan het feit dat eiser is gehuwd en dat vanaf het sluiten van het huwelijk het voornemen was dat eisers partner naar Nederland zou komen. Daarbij was wel sprake van een soort affectieve relatie, aangezien de bedoeling van het huwelijk voor eiser was dat hij hierdoor gezelschap zou hebben en minder eenzaam zou zijn. Tussen eiser en zijn partner is wel contact geweest toen eiser in augustus 2024 in Marokko is geweest. Uit de aanvraag van een verblijfsvergunning blijkt ook dat het de bedoeling was dat eisers partner naar Nederland zou komen. Weliswaar heeft het lang geduurd voordat de verblijfsvergunning van eisers partner rond was en zij naar Nederland kon komen, maar dit maakt niet dat daardoor de wil tot samenleving bij één van hen ontbrak. Dat eiser zijn partner in de periode dat zij nog in Marokko verbleef niet financieel heeft onderhouden, is onvoldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen.
De herziening met terugwerkende kracht
7.3
De schending van de inlichtingenplicht door eiser heeft tot gevolg gehad dat eiser vanaf augustus 2023 te veel ouderdomspensioen heeft ontvangen. De SVB was op grond van artikel 17a van de AOW gehouden het AOW-pensioen van eiser te herzien naar de norm van een gehuwde tenzij er dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien.
Dringende redenen
7.4
De SVB hanteert beleidsregel SB1407 bij het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht. Daarbij wordt rekening gehouden met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De SVB ziet in het geval van dringende redenen af van herziening met volledige terugwerkende kracht als dat onevenredig is. In deze stap van de beoordeling wordt rekening gehouden met het subjectieve doenvermogen van de betrokkene in de concrete situatie. Bij die beoordeling is de mate waarin de betrokkene en de SVB een verwijt kan worden gemaakt van belang. [2] Ook alle overige door de betrokkene aangevoerde relevante omstandigheden worden bij de evenredigheidstoetsing meegewogen, waaronder bijvoorbeeld een fout van een ander overheidsorgaan.
7.5
In dit geval heeft de SVB zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van dringende redenen om de herziening geheel of gedeeltelijk te matigen, overwegende dat eiser wijzigingen die van invloed kunnen zijn op zijn AOW-pensioen niet op tijd heeft gemeld aan de SVB.
7.6
Dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen is echter niet de enige omstandigheid die moet worden betrokken in de evenredigheidstoetsing. Eiser heeft in bezwaar feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de SVB volgens hem moet afzien van herziening met terugwerkende kracht. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
7.7
Ter zitting heeft de SVB een nadere toelichting gegeven. Daarbij heeft de SVB erop gewezen dat de herziening met terugwerkende kracht niet te wijten is aan het niet tijdig handelen door de SVB. De SVB heeft tijdig gereageerd na de melding van het huwelijk. Dat eiser al de tijd dat nu wordt herzien met terugwerkende kracht recht zou hebben gehad op een AIO-aanvulling, is geen omstandigheid die ertoe leidt dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. De SVB heeft eiser al bij de toekenning van de AOW-uitkering en later nogmaals gewezen op de mogelijkheid een AIO-aanvulling aan te vragen. Dat de AIO-aanvulling niet eerder is toegekend ligt in de risicosfeer van eiser. Daar komt bij dat een AIO-aanvulling niet echt in verband staat met een AOW-uitkering. Eiser heeft gesteld dat hij niet wist dat hij melding moest maken van het huwelijk. Uit het gegeven dat hij een ongehuwdenpensioen ontving kon eiser echter redelijkerwijs duidelijk zijn dat zijn huwelijk van invloed zou kunnen zijn op zijn ouderdomspensioen. Eiser kan zich niet zozeer verschuilen achter wat hij allemaal niet heeft begrepen, dat dit voor de SVB aanleiding had moeten zijn om dringende redenen aan te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de SVB zich in dit geval gelet op hetgeen is aangevoerd op het standpunt kan stellen dat er geen sprake is van dringende redenen om de herziening te matigen.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het vorenstaande heeft de SVB eisers AOW-pensioen terecht met ingang van augustus 2023 herzien naar een gehuwdenpensioen.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat de SVB pas in beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Ook wanneer dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met dezelfde strekking zijn genomen.
10. In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding de SVB te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. De vergoeding voor verleende rechtsbijstand bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Ook moet de SVB aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.868,-;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Beoordelingskader

Algemene Ouderdomswet
Artikel 17a van de AOW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. (…);
c. (…).
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 49 van Pro de AOW
De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen Pro wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. (…)
Beleidsregels
SB 1101 (Niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden)
Van schending van de mededelingsverplichting is onder andere sprake als de belanghebbende feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat die van invloed kunnen zijn op de uitkering, niet onverwijld spontaan aan de SVB meldt. Onder 'onverwijld' in de zin van artikel 49 AOW Pro, artikel 35 Anw Pro, artikel 15 AKW Pro, artikel 17, eerste lid Participatiewet en artikel 5a Remigratiewet verstaat de SVB: binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden. De SVB past een termijn van zes weken toe indien het van belang zijnde feit of de relevante wijziging betrekking heeft op een belanghebbende of een partner die niet in Nederland woont, of een kind dat niet in Nederland woont. In afwijking van het voorgaande geldt voor de Participatiewet dat de betrokkene een verblijf in het buitenland voorafgaand aan zijn verblijf moet melden. (...)
SB1407 (dringende reden)
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ‘kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3615.
2.Zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, van