Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2354

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ak_25_2554
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AlcoholwetArt. 27 AlcoholwetArt. 28 AlcoholwetArt. 30 AlcoholwetArt. 31 Alcoholwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen wijziging alcoholvergunning voor horecabedrijf

De zaak betreft een wijziging van een alcoholvergunning die de burgemeester van Dinkelland aan derde belanghebbende heeft verleend voor een horecabedrijf. Eiseres, die aan het perceel van derde belanghebbende grenst, betwist deze wijziging omdat zij meent dat het gewijzigde deel in strijd is met het omgevingsplan en dat er een omgevingsvergunning ontbreekt.

De burgemeester verleende op 6 mei 2025 een gewijzigde vergunning waarbij een cafetaria werd vervangen door een bierbrouwerij met proeflokaal. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in. De rechtbank oordeelde eerder dat strijd met het omgevingsplan of het ontbreken van een omgevingsvergunning geen reden is om een alcoholvergunning te weigeren, hetgeen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is bevestigd.

De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de gewijzigde vergunning aan de inrichtingseisen voldoet en dat de wijziging binnen de kaders van de Alcoholwet valt. Ook de vermeende vergroting van het terras wordt niet bevestigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de wijziging van de alcoholvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit van de burgemeester blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2554

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres ([eiseres]),

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,
en

de burgemeester van Dinkelland, verweerder (de burgemeester).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V., uit [vestigingsplaats], vergunninghouder ([derde belanghebbende]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een vergunning die de burgemeester op grond van de Alcoholwet aan [derde belanghebbende] heeft verleend, omdat zij een onderdeel van haar horecabedrijf heeft gewijzigd. [eiseres] is het niet eens met deze vergunning. Zij voert in beroep in hoofdzaak aan dat de burgemeester de alcoholvergunning niet had mogen verlenen, omdat het gewijzigde deel van het horecabedrijf waarop de vergunning betrekking heeft in strijd met het omgevingsplan is dan wel dat voor dat deel van het bedrijf een omgevingsvergunning nodig is, die ontbreekt. Zoals de rechtbank in een andere uitspraak op een beroep van [eiseres] echter ook al oordeelde, vormen eventuele strijd met het omgevingsplan en het ontbreken van een omgevingsvergunning geen reden om een alcoholvergunning te weigeren. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 6 mei 2025 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van de Alcoholwet aan [derde belanghebbende] een, ten opzichte van de eerder verleende alcoholvergunning, gewijzigde vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Tegen dit besluit hebben [eiseres] en [naam 1] ([naam 1]) bezwaar gemaakt.
2.2
Bij besluit van 13 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
2.3
Hiertegen heeft [eiseres] beroep ingesteld.
2.4
Bij uitspraak van 5 december 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank was gebleken dat [eiseres] niet tijdig de gronden van het beroep had ingediend. Tegen deze uitspraak heeft [eiseres] verzet gedaan.
2.5
Bij uitspraak van 13 februari 2026 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard, omdat is gebleken dat [eiseres] de beroepsgronden wel tijdig heeft ingediend. Hierdoor is de uitspraak van 5 december 2025 komen te vervallen.
2.6
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.7
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer ZWO 25/132, op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eiseres] en [naam 1] aanwezig, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Namens [derde belanghebbende] is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding: de feiten en de bestreden vergunning
3.1
[derde belanghebbende] is gevestigd aan de [adres 1] en [adres 2]. [eiseres] woont aan de [adres 3]. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan dat van [derde belanghebbende].
3.2
Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de burgemeester aan [derde belanghebbende] op grond van artikel 3 van Pro de Drank- en horecawet (Dhw) een vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Tegen dit besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt, dat de burgemeester bij besluit van 12 november 2020 ongegrond heeft verklaard. Bij uitspraak van 17 september 2021 heeft de rechtbank het hiertegen door [eiseres] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [1] Tegen deze uitspraak heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2]
3.3
Vanwege de wijziging van de rechtsvorm van [derde belanghebbende], van een vennootschap onder firma naar een besloten vennootschap, heeft zij op 11 maart 2024 bij de burgemeester een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf in het pand aan de [adres 1] en [adres 2]. Dit betreft een vergunning als bedoeld in artikel 3 van Pro de Alcoholwet. Bij besluit van 10 juni 2024 heeft de burgemeester deze vergunning aan [derde belanghebbende] verleend. Tegen dit besluit hebben [eiseres] en [naam 1] bezwaar gemaakt, dat de burgemeester bij besluit van 25 november 2024 ongegrond heeft verklaard. Tegen dit besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld. Dat is het hiervoor genoemde beroep met zaaknummer ZWO 25/132.
3.4
Per e-mail van 10 maart 2025 heeft [derde belanghebbende] bij de burgemeester gemeld dat het gebruik van een bepaald gedeelte van de inrichting is gewijzigd. In deze e-mail heeft [derde belanghebbende] meegedeeld dat de betreffende ruimte voorheen heeft gediend als cafetaria. Nadat die ruimte een tijdje leeg heeft gestaan, is die daarna in gebruik genomen als micro brouwerij met een mini-proeflokaal voor 10 personen en een daarbij behorend stukje terras. In de e-mail van 10 maart 2025 heeft [derde belanghebbende] vermeld dat die e-mail moet worden opgevat als een melding als bedoeld in artikel 30 van Pro de Alcoholwet. Naar aanleiding hiervan heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder het kopje ‘Procesverloop’.
3.5
In de gewijzigde alcoholvergunning die de burgemeester met het primaire besluit aan [derde belanghebbende] heeft verleend is de lokaliteit ‘cafetaria’ vervangen door de lokaliteit ‘bierbrouwerij met proeflokaal’.
Beoordelingskader voor het verlenen van een horecavergunning
4. Artikel 3 van Pro de Alcoholwet bepaalt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.
Artikel 27 van Pro de Alcoholwet luidt als volgt.
1. Een vergunning wordt geweigerd indien:
a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;
b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;
c. artikel 7, tweede lid, artikel 31, vierde lid, en artikel 32, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet;
d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
e. niet wordt voldaan aan het bepaalde krachtens artikel 25a, derde lid.
2. Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.
3. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van Pro die wet worden gevraagd.
Artikel 28 van Pro de Alcoholwet bepaalt dat een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde Pro weigeringsgronden aanwezig is.
Artikel 30 van Pro de Alcoholwet bepaalt dat indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, de vergunninghouder verplicht is de bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 29 vereiste Pro omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.
Het bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft de burgemeester geconcludeerd dat de gewijzigde alcoholvergunning terecht aan [derde belanghebbende] is verleend, omdat een toezichthouder heeft vastgesteld dat de lokaliteit die als bierbrouwerij met proeflokaal in gebruik wordt genomen voldoet aan de geldende inrichtingseisen. Gelet op het bepaalde in artikel 30 van Pro de Alcoholwet volgt hieruit volgens de burgemeester dat de vergunning terecht is afgegeven.
De beroepsgronden van [eiseres]
6. [eiseres] voert in beroep tegen het bestreden besluit aan dat een bierbrouwerij volgens het geldende omgevingsplan niet is toegestaan in het pand van [derde belanghebbende]. Daarnaast is volgens [eiseres] ook het terras dat op het perceel aan de [adres 1] aanwezig is volgens het omgevingsplan niet toegestaan. Ter onderbouwing hiervan wijst [eiseres] onder meer op een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024. [3] Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland bij besluit van 31 maart 2020 aan [derde belanghebbende] heeft verleend voor onder meer het gebruiken van het pand en het voorterrein op het perceel aan de [adres 1] voor horecadoeleinden. Verder voert [eiseres] aan dat door de gewijzigde alcoholvergunning het aantal vierkante meters aan terras op het perceel aan de [adres 1] is vergroot van 110 naar 146. Ook dat is volgens haar in strijd met de omgevingsvergunning van 31 maart 2020 en de uitspraak die de Afdeling daarover op 20 maart 2024 heeft gedaan.
Beoordeling van het beroep
7.1
De alcoholvergunning waar het in deze zaak over gaat verschilt, ten opzichte van de alcoholvergunning die de burgemeester op 10 juni 2024 aan [derde belanghebbende] heeft verleend, alleen op het punt van de cafetaria. In de alcoholvergunning van 10 juni 2024 is een cafetaria opgenomen met een oppervlakte van 9 m². Die is in de alcoholvergunning van 6 mei 2025 vervangen door een bierbrouwerij met proeflokaal met een oppervlakte van 23 m². Uit de stukken blijkt dat naast de voormalige cafetaria een keuken zat, die bij de nieuwe bierbrouwerij met proeflokaal is betrokken. Dat verklaart waarom deze nieuwe lokaliteit een grotere oppervlakte heeft dan de voormalige cafetaria. Voor het overige is de alcoholvergunning die de burgemeester op 6 mei 2025 heeft verleend identiek aan de alcoholvergunning die op 10 juni 2024 is verleend.
7.2
In de uitspraak die de rechtbank vandaag ook heeft gedaan op het beroep met zaaknummer ZWO 25/132 heeft zij geoordeeld dat de alcoholvergunning die de burgemeester op 10 juni 2024 heeft verleend in stand blijft. In deze zaak (het beroep met zaaknummer ZWO 25/2554) kan het alleen gaan om de wijziging die ten opzichte van de alcoholvergunning van 10 juni 2024 is vergund.
7.3
Zoals de rechtbank ook oordeelde in de uitspraken op de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/132 en AWB 20/2634 is strijd met het omgevingsplan of het ontbreken van een omgevingsvergunning geen grond voor het weigeren van een alcoholvergunning; strijd met het omgevingsplan of het ontbreken van een omgevingsvergunning is niet als weigeringsgrond opgenomen in artikel 27 of Pro artikel 30 van Pro de Alcoholwet. In de uitspraak van 27 oktober 2023 heeft de Afdeling dit oordeel bevestigd. Verder heeft [eiseres] niet gemotiveerd bestreden dat het horecabedrijf van [derde belanghebbende] ook na de vergunde wijziging nog steeds aan de gestelde inrichtingseisen voldoet. Gelet op het beoordelingskader in de artikelen 27 en 30 van de Alcoholwet, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit op goede gronden heeft geconcludeerd dat de alcoholvergunning van 6 mei 2025 terecht is verleend.
7.4
Dat de alcoholvergunning van 6 mei 2025 ziet op een groter terras aan de voorkant van het pand aan de [adres 1] dan de alcoholvergunning van 10 juni 2024, is onjuist. In beide vergunningen is een terras aan de voorkant van het pand aan de [adres 1] opgenomen met een oppervlakte van 148 m².
7.5
Voor zover [eiseres] heeft aangevoerd dat de alcoholvergunning van 6 mei 2025 niet in stand kan blijven, omdat die mede betrekking heeft op een ijssalon in het pand van [derde belanghebbende], slaagt dat niet. Zowel in de alcoholvergunning van 10 juni 2024 als in de vergunning van 6 mei 2025 is bij de lokaliteiten en terrassen waarvoor die vergunningen gelden geen ijssalon vermeld. Daarnaast kan het in deze zaak alleen maar gaan om de wijziging van de voormalige cafetaria naar een bierbrouwerij met proeflokaal. Wat [eiseres] heeft aangevoerd over de ijssalon leidt dan ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.