Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2345

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
ak_24_2704
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbWet WIAArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep werkgever tegen WIA-uitkering op basis van CBBS-beoordeling

Buurtzorg, als eigenrisicodrager, maakte bezwaar tegen de toekenning van een loongerelateerde WIA-uitkering aan een ex-werkneemster wegens arbeidsongeschiktheid van circa 35%. Het UWV handhaafde het besluit na bezwaar, waarbij de arbeidsdeskundige functies had aangepast en de resterende verdiencapaciteit herberekend. Buurtzorg stelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat het CBBS-systeem ondoorzichtig is, waardoor controle op de beoordeling onmogelijk is.

De rechtbank oordeelde dat het UWV het besluit voldoende had gemotiveerd, ook na het overleggen van aanvullende rapporten van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen. De rechtbank volgde de stelling van Buurtzorg niet dat het CBBS onvoldoende representatief is of dat er onvoldoende rekening is gehouden met deeltijdfuncties. De motiveringsgebreken werden gepasseerd omdat deze niet tot benadeling van Buurtzorg leidden.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft toegekend. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van Buurtzorg. De uitspraak bevestigt de aanvaardbaarheid van het CBBS als ondersteunend systeem bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en benadrukt het belang van een zorgvuldige en inzichtelijke motivering door het UWV.

Uitkomst: Het beroep van Buurtzorg tegen de toekenning van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2704

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Buurtzorg Nederland, uit Almelo,

(gemachtigde: mr. S.J. Heijtlager)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
(gemachtigde: mr. J.M. Breevoort en T. van der Weert).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Buurtzorg (eigenrisicodrager) tegen de aan [ex-werkneemster] (ex-werkneemster) toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
Met het besluit van 28 september 2023 heeft het UWV aan ex-werkneemster met ingang van 21 september 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend op basis van 37,35% arbeidsongeschiktheid.
1.3.
Met het bestreden besluit van 23 april 2024 op het bezwaar van Buurtzorg is het UWV bij de toekenning gebleven. Het bezwaar is wel gegrond verklaard omdat de arbeidsdeskundige functies heeft laten vervallen, maar ook enkele functies heeft toegevoegd. Hierdoor is de resterende verdiencapaciteit gewijzigd naar € 1.773,34 per maand. De mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 35,53%.
1.4.
Buurtzorg heeft op 28 mei 2024 beroep ingesteld en heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Op 2 augustus 2024 heeft Buurtzorg deel II van de arbeidskundige analyse van haar juridisch arbeidsdeskundige [deskundige] overgelegd.
1.5.
Het UWV heeft op 1 oktober 2024 gereageerd met een verweerschrift. Daarbij is een rapport van 8 augustus 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd met een gewijzigde functionele mogelijkhedenlijst (FML). Ook is een rapport van 13 september 2024 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.
1.6.
Buurtzorg heeft op 22 oktober 2025 gereageerd op het verweerschrift met reacties van [deskundige] van achtereenvolgens 17 december 2024, 9 januari 2025 en 29 januari 2025 en 20 februari 2025.
1.7.
Het UWV heeft op 17 februari 2026 gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (HR-coach Buurtzorg), de gemachtigde van Buurtzorg en de gemachtigden van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank boordeelt het betreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van Buurtzorg.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat het UWV naar aanleiding van het beroepschrift van Buurtzorg de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd. De urenbeperking is gewijzigd van maximaal 8 uur per dag naar maximaal 6 uur per dag. Het aantal van maximaal 30 uur per week is ongewijzigd gebleven. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd en nieuwe functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid heeft het UWV berekend op 38,18% en een restverdiencapaciteit van € 1.700,52 per maand.
2.2.
Door de gewijzigde FML en de nieuw geselecteerde functies is het bestreden besluit pas in beroep voorzien van een toereikende motivering. Deze schending van het motiveringsbeginsel zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht passeren, omdat aannemelijk is dat Buurtzorg hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage boven de 35% is gebleven.
2.3.
Ex-werkneemster was vanaf 14 oktober 2011 voor 24 uur per week werkzaam bij Buurtzorg als wijkverpleegkundige. Zij meldde zich ziek op 20 september 2021 en heeft haar werk op enig moment deels hervat bij een andere werkgever. Op 29 juni 2023 heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig- en arbeidskundig onderzoek is met ingang van 21 september 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend.
Standpunten van Buurtzorg
3.1.
Buurtzorg stelt samengevat dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd, terwijl een WIA-toekenning voor een werkgever een belastend besluit is. Zo is wel een urenbeperking van maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week aangenomen, maar er ontbreekt een motivering waaruit blijkt dat ex-werknemer niet in staat zou zijn om in een passende deeltijdfunctie een paar uur meer te werken. Ook is het, als een arbeidsdeskundige een SBC-code verwerpt, onduidelijk waarom onderliggende functies niet passend zouden zijn. Volgens Buurtzorg is het aannemelijk dat op de huidige arbeidsmarkt voldoende passende deeltijdfuncties zijn te selecteren die leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Wat die deeltijdfuncties betreft is onduidelijk of het functiebestand van de CBBS nog wel een voldoende representatieve afspiegeling van op de arbeidsmarkt beschikbare functies oplevert.
3.2.
Volgens Buurtzorg is de arbeidsdeskundige beoordeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van het CBBS onvoldoende inzichtelijk. Zij is bekend met de jurisprudentie over het CBBS, maar wijst er op dat daarin ook is bepaald dat de aard van de betrokken belangen wel met zich meebrengt dat het UWV een besluit zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [1] Tijdens de zitting is benadrukt dat het Buurzorg niet zozeer gaat om de zeggenschap over het CBBS en dat er gebruik gemaakt wordt van een systeem zoals het CBBS, maar dat de uitkomsten en wat de arbeidsdeskundige daar vervolgens mee doet onvoldoende controleerbaar zijn. De informatie die wel wordt verstrekt geeft onvoldoende handvatten om de grondslag van de theoretische schatting in twijfel te kunnen trekken. Het is voor werkgevers vrijwel onmogelijk om een besluit te controleren. Ook heeft Buurtzorg tijdens de zitting toegelicht dat anders dan in het verleden nu geen persoonsprofiel meer wordt opgesteld door een arbeidsdeskundige, hoewel kenmerken en eigenschappen van een werknemer wel van belang zijn voor het selecteren van passende functies.

Overwegingen

4.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in geschil is. Voor zover Buurtzorg ook de door de verzekeringsarts vastgestelde urenbeperking nog verder ter discussie heeft willen stellen volgt de rechtbank Buurtzorg daarin niet, omdat die grond niet is gemotiveerd met medische argumenten.
4.2.
Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het CBBS in beginsel aanvaardbaar als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. [2] In deze rechtspraak is ook geoordeeld dat de omstandigheid dat het UWV met het CBBS beschikt over gegevens die voor anderen niet kenbaar zijn geen strijd oplevert met het uit artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechtbank van de Mens (EVRM) voortvloeiende vereiste van equality of arms en met het beginsel van fair play. De rechtbank ziet op basis van de beroepsgronden van Buurtzorg geen aanleiding om daar in dit concrete geval anders over te oordelen.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak [3] wordt in beginsel ook uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens, tenzij een betrokkene erin slaagt andersluidende informatie in het geding te brengen waarmee reële twijfel over de juistheid van die gegevens wordt gewekt. In dat geval zou er aanleiding kunnen zijn om het UWV opdracht te geven tot verificatie daarvan. Ook is het zo dat de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit over arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV met het rapport 13 september 2024 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep goed gemotiveerd heeft waarom de drie geselecteerde functies (en twee reservefuncties) passend zijn. Buurtzorg heeft geen informatie ingebracht die de rechtbank daaraan doet twijfelen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat Buurtzorg in de gelegenheid is gesteld om de beoordeling te controleren, omdat alle relevante CBBS-stukken zijn overgelegd. Het UWV heeft daar in het verweerschrift van
17 februari 2026 terecht op gewezen en is daarin ingegaan op de beroepsgronden. De beroepsgrond dat bij het selecteren van functies onvoldoende rekening kan worden gehouden met deeltijdfuncties, volgt de rechtbank niet omdat het CBBS ook deeltijdfuncties bevat. Het UWV heeft tijdens de zitting immers toegelicht dat in dit geval 71% van de verworpen functies deeltijdfuncties waren.
De beroepsgrond met betrekking tot het ontbreken van een persoonsprofiel slaagt ook niet, omdat dergelijke informatie in de arbeidskundige rapporten is opgenomen. Indien daarin fouten of staan of informatie ontbreekt, dan had Buurtzorg daar gemotiveerd op in kunnen gaan. Hierbij betrekt de rechtbank in dit geval dat Buurtzorg hiervoor over eigen informatie beschikt, omdat ex-werkneemster immers tien jaar bij Buurtzorg werkzaam is geweest.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond
.Dit betekent dat Buurtzorg geen gelijk krijgt. Het UWV heeft terecht met ingang van 21 september 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend aan ex-werkneemster.
5.1.
Vanwege het motiveringsgebrek en toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb bepaalt de rechtbank dat het UWV het door Buurtzorg betaalde griffierecht en de in beroep gemaakte proceskosten moet vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 1.868,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten is niet gebleken. De rechtbank is evenmin gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het afwijken van de forfaitaire tarieven moeten leiden. Ook moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van in totaal € 1.868,-;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 371,- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 2 maart 2023 met kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2023:398
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1407 en van 2 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:434.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2423 en van 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1737.