Eiser, erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van drie informele geldschulden ter waarde van €35.000. Sociale Banken Nederland wees de aanvraag af omdat de schulden niet waren vastgelegd in een notariële akte en niet aannemelijk was dat zij vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. De minister handhaafde deze afwijzing in het bestreden besluit.
Eiser voerde aan dat het bestaan van de schulden niet werd betwist en dat de eis van een notariële akte in zijn geval onbillijk was, waardoor de hardheidsclausule toegepast zou moeten worden. Ook stelde hij dat de leningen van rechtswege opeisbaar zijn en verwees naar jurisprudentie en het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke vereisten van de Wet hersteloperatie toeslagen dwingend zijn en dat de schulden niet als opeisbaar konden worden aangemerkt omdat geen bewijs van opeising was geleverd. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat eiser geen concrete, actuele schrijnende omstandigheden aannemelijk had gemaakt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Rozeboom op 22 april 2026.