Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2151

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3367
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 54 lid 4 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek bijstandsintrekking wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiseres verzocht het college van burgemeester en wethouders van Zwolle om herziening van het besluit van 6 februari 2023, waarbij haar bijstandsuitkering werd ingetrokken wegens het niet overleggen van een Kimlik-nummer. Zij overhandigde documenten uit 2024 die zouden aantonen dat zij geen onroerend goed in Turkije bezit en geen Turks staatsburger meer is.

De rechtbank oordeelt dat deze documenten geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die niet eerder hadden kunnen worden aangevoerd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de stukken niet eerder kon verkrijgen, noch dat zij eerder niet aan haar medewerkingsplicht kon voldoen. De stukken geven bovendien geen duidelijkheid over het bezit van onroerend goed vóór 2024.

De rechtbank bevestigt dat het college terecht het herzieningsverzoek heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3367

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college

(gemachtigde: M.J. Iding).

Samenvatting

1. Eiseres heeft het college verzocht om het besluit van 6 februari 2023 te herzien. Zij stelt dat zij nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat dit besluit van het college niet in stand kan blijven. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van dit verzoek door het college. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het herzieningsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 18 april 2025 het college verzocht om het besluit van 6 februari 2023 te herzien. Het college heeft de herzieningsaanvraag met het besluit van 2 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Eiseres is zelf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres had eerder een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW).
Vanwege het vermoeden van vermogen in het buitenland heeft de sociale recherche het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht onderzoek te doen naar bezittingen van eiseres in Turkije. Na oriënterend onderzoek heeft het IBF op 4 november 2022 laten weten voor nader onderzoek het TC-Kimlik-nummer (hierna Kimlik-nummer) van eiseres nodig te hebben.
Met een brief van 5 januari 2023, die door de sociaal rechercheur persoonlijk aan eiseres is overhandigd en toegelicht, heeft het college eiseres verzocht voor 20 januari 2023 haar Kimlik-nummer te overleggen.
Op 18 januari 2023 heeft de gemachtigde van eiseres via e-mail contact opgenomen met het college en vermeld dat eiseres onmogelijk aan dat verzoek kan voldoen. Zij heeft afstand gedaan van de Turkse nationaliteit en haar gegevens zijn daarom door de Turkse staat vernietigd. Omdat eiseres door de Turkse autoriteiten als verrader wordt gezien, staat zij doodsangsten uit om contact met het consulaat te moeten leggen over haar Kimlik-nummer, aldus eiseres.
Het college heeft vervolgens met een besluit van 23 januari 2023 het recht op bijstand van eiseres opgeschort met ingang van 20 januari 2023. In dit besluit is eiseres verzocht vóór
6 februari 2023 haar Kimlik-nummer te overleggen, dan wel een verklaring van het Turkse consulaat waaruit blijkt dat het Kimlik-nummer is vernietigd.
Omdat de gevraagde informatie niet werd ontvangen, heeft het college de uitkering van eiseres met het besluit van 6 februari 2023 ingetrokken met ingang van 20 januari 2023, op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 april 2023 heeft het college het besluit van 6 februari 2023 gehandhaafd.
Het tegen dat besluit ingestelde beroep is ongegrond verklaard door deze rechtbank bij uitspraak van 13 juli 2023 [1] . De besluitvorming staat daarmee in rechte vast.
4. Eiseres heeft herziening gevraagd van het besluit van 6 februari 2023. Zij heeft daartoe een tweetal documenten overgelegd. Dit betreft in de eerste plaats een document van het Turkse Ministerie van Milieu, Urbanisatie en Klimaatverandering van 31 juli 2024 waarin is opgenomen dat uit een zoekopdracht in het Kadaster- en Grondregister-informatiesysteem blijkt dat er geen onroerend goed geregistreerd staat op naam van eiseres. Dit betreft in de tweede plaats een document van het Turkse Ministerie van Binnenlandse Zaken, Directoraat-Generaal voor Bevolking- en Burgerzaken van 22 oktober 2024. Hierin is vermeld dat namens eiseres is verzocht om een document dat aantoont dat zij geen Turks staatsburger is, maar dat dit document op grond van artikel 52, lid 2, van het Reglement voor de Uitvoering van de Bevolkingsdiensten niet aan buitenlandse autoriteiten kan worden verstrekt. Indien het gevraagde document via diplomatieke weg wordt aangevraagd door de bevoegde autoriteiten van het land van de betrokkene, via het Ministerie van Buitenlandse Zaken, kan dit document mogelijk worden verstrekt.
5. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje ‘procesverloop’.

Beroepsgronden

6. Namens eiseres is ter zitting aangevoerd dat de overgelegde stukken bewijsmiddelen zijn ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Zij kon deze stukken niet eerder overleggen. Uit de stukken blijkt dat eiseres geen Turks staatsburger meer is. Daaruit volgt dat zij geen Kimlik-nummer heeft. Eiseres heeft twee jaar moeten wachten op bewijsstukken om aan te tonen dat zij geen onroerend goed in Turkije op haar naam heeft staan en dit ook nooit heeft gehad. Deze stukken zijn nieuwe feiten waaruit volgt dat eiseres wel recht had op een bijstandsuitkering in 2023 en dat ze destijds de medewerkingsverplichting niet heeft geschonden.
Bestreden besluit
7. De aanvraag van eiseres is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb. Er is geen sprake van relevante feiten of omstandigheden die eiseres niet eerder naar voren had kunnen brengen.
Eiseres heeft destijds niet binnen de gestelde termijn de gevraagde stukken overgelegd. Niet valt in te zien waarom zij niet tijdig haar medewerking kon verlenen aan het indienen van de gevraagde informatie. Het alsnog overleggen van stukken die zien op een inhoudelijke beoordeling over de intrekkingsperiode kan er dan ook niet toe leiden dat wordt teruggekomen van dat eerdere besluit. Bovendien is het college, anders dan eiseres stelt, van mening dat de toegestuurde stukken alleen duidelijk maken dat zij op het moment van het verzoek van 30 juli 2024 geen onroerende zaken op haar naam had staan. Er wordt geen duidelijkheid gegeven over de vraag of er op enig moment in het verleden wel onroerende zaken op haar naam hebben gestaan.
Met wat eiseres heeft aangevoerd beoogt zij in feite het debat over de juistheid van het intrekkingsbesluit opnieuw te voeren. Daarvoor is echter in deze procedure geen plaats, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn. De afwijzing van de huidige aanvraag is ook niet evident onredelijk, omdat niet gebleken is dat het besluit waarvan herziening wordt verzocht onmiskenbaar onjuist is.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit waarbij de vraag voorligt of het college het herzieningsverzoek met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft mogen afdoen.
9.1
Artikel 4:6 van Pro de Awb luidt als volgt:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
9.2
Uit de uitspraak van 20 december 2016 van de CRvB [2] vloeit voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.
De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [3]
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
9.3
Namens eiseres is ter zitting naar voren gebracht dat de overgelegde stukken dienen te worden aangemerkt als bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet eerder konden worden overgelegd. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog.
Weliswaar dateren de stukken van na het besluit van 6 februari 2023 en zijn ze in zoverre nieuw, er blijkt niet uit dat eiseres deze stukken niet eerder had kunnen overleggen. Eiseres heeft niet met documenten, zoals bijvoorbeeld verzoeken aan de Turkse instanties, onderbouwd dat zij heeft getracht deze stukken eerder te verkrijgen. Voor zover eiseres stelt dat zij eerder geen geld had om deze verzoeken in te dienen, kan eiseres evenmin worden gevolgd, nu ook deze stelling in het geheel niet is onderbouwd.
Ten aanzien van de inhoud van de documenten is de rechtbank met het college van oordeel dat hieruit hooguit kan worden afgeleid dat eiseres op 31 juli 2024 geen onroerend goed op haar naam had staan in Turkije. Dit zegt echter niets over de periode daarvóór. De stelling van de gemachtigde dat zij van eiseres heeft vernomen dat het in dit document zou hebben gestaan als er vóór de datum van afgifte op enig moment wel onroerend goed op haar naam had gestaan, is onvoldoende voor een ander oordeel.
9.4
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
de rechter is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2016:4872
3.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106