Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2038

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3320
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.16 Wsf 2000Art. 5.5 Wsf 2000Art. 5.7 Wsf 2000Art. 7.3 Wsf 2000Art. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging diplomatermijn studiefinanciering wegens ontbreken onderwijsverklaring

Eiseres verzocht de minister om haar diplomatermijn met zeven maanden te verlengen vanwege medische omstandigheden, zodat haar studieschuld omgezet kan worden in een gift. De minister wees dit verzoek af omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000, met name vanwege het ontbreken van een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling.

Eiseres startte diverse hbo- en wo-opleidingen tussen 2004 en 2011 en behaalde haar diploma's binnen de reguliere diplomatermijn. In 2025 vroeg zij met terugwerkende kracht verlenging aan, onderbouwd met verklaringen van een studentendecaan en huisarts. De onderwijsinstelling kon echter geen causaal verband vaststellen tussen de medische omstandigheden en studievertraging, mede omdat eiseres haar bijzondere omstandigheden niet tijdig had gemeld.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het verzoek afwees, omdat de wetgever expliciet vereist dat verlenging alleen kan worden toegekend bij gedagtekende verklaringen van zowel een arts als de onderwijsinstelling. De minister hoeft niet zelfstandig de medische omstandigheden te beoordelen, dat is aan de onderwijsinstelling. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat de Awb-artikelen 7:2 tot en met 7:9 niet van toepassing zijn op deze procedure.

Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en zij kreeg het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de diplomatermijn studiefinanciering wordt afgewezen wegens ontbreken van een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3320

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap(hierna: de minister), Dienst Uitvoering Onderwijs, gemachtigde: mr. G.J.M. Naber.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om met terugwerkende kracht haar diplomatermijn vanwege medische redenen met zeven maanden te verlengen, zodat haar studieschuld wordt omgezet in een gift. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 [1] . De ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling ontbreekt, waardoor de minister terecht heeft besloten dat geen causaal verband is vast te stellen tussen de medische omstandigheden en de opgelopen studievertraging. Daarom is het beroep ongegrond.

Inleiding

1. Aan eiseres is vanaf 1 september 2004 studiefinanciering toegekend voor de hbo-opleiding Theater, Film en Televisiewetenschappen. Met ingang van 1 september 2005 is zij gestart met de opleiding Hoger Toeristisch en Recreatief Onderwijs. Voor deze studie heeft zij haar diploma behaald op 31 augustus 2009. Vervolgens is met het besluit van
10 januari 2010 haar prestatiebeurs omgezet in een gift.
1.1.
Met ingang van 1 september 2011 is eiseres gestart met de opleiding Leisure, Tourism and Environment aan de Wageningen University. Deze opleiding heeft zij afgerond met een diploma op 27 februari 2015.
1.2.
Op 30 april 2025 heeft eiseres aan de minister verzocht om met terugwerkende kracht de diplomatermijn te verlengen. Bij de aanvraag heeft zij een verklaring van de studentendecaan van de Wageningen University en een verklaring van de huisarts gevoegd.
1.3.
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 8 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.4.
Eiseres heeft op 11 november 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op
24 januari 2026 heeft zij aanvullende gronden ingediend.
1.5.
De minister heeft op 2 februari 2026 gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 4 februari 2026 haar medische dossier opgestuurd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren eiseres en de gemachtigde van de minister aanwezig.

Standpunt van de minister

2. Volgens de minister kan aan eiseres geen verlenging van de diplomatermijn worden toegekend, omdat de onderwijsinstelling haar verzoek niet ondersteunt. Uit de verklaring van de decaan blijkt dat zij - na overleg in het decanenteam - geen causaal verband heeft kunnen vaststellen tussen de medische omstandigheden en het niet kunnen afronden van de opleiding binnen de diplomatermijn van 10 jaar, die eindigde op 31 augustus 2014.

Standpunten van eiseres

3. Eiseres stelt dat haar diplomatermijn alsnog met zeven maanden moet worden verlengd. De studentendecaan heeft weliswaar verklaard dat zij het verzoek niet kan ondersteunen, maar in de brief staat ook dat het decanenteam hoopt dat de minister de medische omstandigheden wel meeweegt. Dit is van belang, omdat de decaan in 2012 wel drie maanden studievertraging heeft vastgesteld. Dat was volgens eiseres vanwege dezelfde medische klachten die er uiteindelijk ook voor hebben gezorgd dat zij haar opleiding niet tijdig heeft kunnen afronden. Ook geeft de studentendecaan in de brief aan dat zij op basis van de aangeleverde verklaringen heeft gezien dat er ook na 2012 bijzondere omstandigheden waren, maar dat zij daar destijds niet in hebben mee kunnen denken of adviseren omdat eiseres die omstandigheden toen niet heeft gemeld. Volgens eiseres heeft de minister hier onvoldoende rekening mee gehouden.
3.1.
Ook stelt eiseres dat de minister miskent dat hij zelfstandig een besluit kan nemen op haar verzoek. Daarnaast stelt eiseres dat een ondertekend prestatieformulier niet nodig is, omdat gekeken moet worden naar medische omstandigheden. Hiervoor wijst eiseres op de uitspraak van 29 april 2015 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2015:1478. Verder stelt eiseres dat de hoorplicht is geschonden, omdat er geen contact met haar is opgenomen. Dit terwijl zij wel had aangegeven dat zij bereid was om een medische onderbouwing te geven over de periode 2013-2015, als dat nodig zou zijn.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag voor verlenging van de diplomatermijn terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Voor de beoordeling van het verzoek van eiseres om verlenging van de diplomatermijn is artikel 5.16, eerste en vijfde lid, van de Wsf 2000 van belang. De volledige wettekst van dit artikel en andere relevante artikelen staat in de bijlage. In het kort komt het erop neer dat alleen bij bijzondere omstandigheden de diplomatermijn kan worden verlengd. Deze bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond met gedagtekende verklaringen van een arts en van de onderwijsinstelling waar de student staat ingeschreven. Bij uitsluitend niet-medische omstandigheden volstaat een onderwijsverklaring.
4.2.
In zijn uitspraak van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781, heeft de CRvB onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 5.5 en 5.16 van de Wsf 2000 de bedoeling van de wetgever en, daarmee samenhangend, het toetsings-kader voor de beoordeling van een verzoek om verlenging van de diplomatermijn uiteengezet. Kort samengevat geldt het volgende.
4.2.1.
Volgens de wetgever zal de ruim gestelde diplomatermijn van tien jaar slechts bij hoge uitzondering niet toereikend zijn om met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs te kunnen behalen. Slechts in gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden zal de diplomatermijn moeten worden verlengd.
4.2.2.
Verder heeft de wetgever met het bepaalde in artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 er uitdrukkelijk voor gekozen dat uit verklaringen van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven en, in geval van medische omstandigheden ook van een arts, zal moeten blijken dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlengen van de diplomatermijn.
4.2.3.
Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan deze toepassings-voorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de voorgeschreven verklaringen van de onderwijsinstelling en de arts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Pas als daarvan sprake is heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000, omdat de ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling ontbreekt.
4.3.1.
De decaan schrijft in de verklaring van 27 maart 2025 dat men tijdens een overleg in het decanenteam gezamenlijk tot de conclusie is gekomen dat zij het verzoek van eiseres niet kunnen ondersteunen. De decaan overweegt daartoe dat weliswaar uit aangeleverde verklaringen blijkt dat er na de laatste melding van eiseres in september 2012 sprake was van bijzondere omstandigheden, maar dat eiseres zich ervan bewust was dat zij deze bijzondere omstandigheden bij een studentendecaan kon melden om in aanmerking te komen voor regelingen. Ook was zij bekend met de diplomatermijn en de consequenties van het overschrijden daarvan. Doordat eiseres haar omstandigheden desondanks niet heeft gemeld, was het voor het decanaat onmogelijk om met haar mee te denken en haar hierin te adviseren.
4.3.2.
De minister heeft kunnen concluderen dat er gelet op deze verklaring geen causaal verband is vast te stellen tussen de medische omstandigheden van eiseres en het niet kunnen afronden van de opleiding binnen de diplomatermijn van 10 jaar.
4.4.
De beroepsgrond dat door de studentendecaan wel aan de minister is gevraagd om naar de medische verklaringen van na 2012 te kijken slaagt niet, omdat het niet aan de minister is om die verklaringen te beoordelen. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting goed toegelicht dat de minister dat ook niet kan, omdat de minister niet kan inschatten of de medische klachten reden zijn voor een verlenging van de diplomatermijn. Dat is nu juist ter beoordeling aan de onderwijsinstelling, omdat de onderwijsinstelling weet wat de opleiding vergt en wat de instelling - zo nodig - kan doen om eiseres bij te staan in het halen van haar diploma binnen de daarvoor geldende termijn. Omdat eiseres zich echter destijds niet bij de decaan heeft gemeld, heeft zij het voor de onderwijsinstelling onmogelijk gemaakt om haar hierin bij te staan.
4.5.
Het beroep van eiseres op de uitspraak van 29 april 2015 van de CRvB slaagt niet, omdat die uitspraak niet vergelijkbaar is. In die zaak bleek uit de stukken in het dossier genoegzaam dat zowel artsen als het college van bestuur van de onderwijsinstelling van opvatting waren dat de betrokken persoon als gevolg van een functiestoornis of chronische ziekte niet in staat was het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen de duur van de prestatiebeurs. Daaraan deed onder die omstandigheden niet af dat de decaan had geweigerd het formulier voorziening prestatiebeurs te ondertekenen. Een vergelijkbare situatie doet zich hier niet voor.
4.6.
De rechtbank oordeelt ten slotte dat de hoorplicht niet geschonden is, omdat in artikel 7:3 van Pro de Wsf 2000 is bepaald dat artikel 7:2 tot Pro en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn. Daarom was de minister niet verplicht om eiseres een hoorzitting aan te bieden om haar bezwaarschrift toe te lichten.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het door haar betaalde griffierecht van € 53,- niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: artikelen uit de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)

Artikel 5.5 van de Wsf 2000
De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.
Artikel 5.7, eerste lid, van de Wsf 2000
1. Indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift.
Artikel 5.16 van de Wsf 2000
1. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze minister stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.
Artikel 7.3 van de Wsf 2000
De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.