Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2025

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/08/345400 KG RK 26-117
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter De Kwaasteniet wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker diende op 26 februari 2026 een wrakingsverzoek in tegen mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter bij de rechtbank Overijssel, die belast was met de behandeling van vijf beroepen van verzoeker tegen besluiten van het college van B&W van Harderberg en de Omgevingsdienst IJsselland. Verzoeker stelde dat mr. De Kwaasteniet niet onpartijdig kon zijn omdat hij op 6 januari 2026 in eerdere beroepen van verzoeker had beslist en verzoeker tegen die uitspraken hoger beroep had ingesteld.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien verzoeker al op 6 januari 2026 op de hoogte was van de uitspraken en de behandeling van de nieuwe beroepen op 26 februari 2026 bekend was gemaakt op 27 november 2025. Daarnaast ontbraken objectieve feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van mr. De Kwaasteniet in twijfel konden trekken. Het enkele feit dat dezelfde rechter eerder ongegrond had verklaard, was onvoldoende om partijdigheid aan te nemen.

Verzoeker verscheen niet op de zitting van 27 maart 2026, terwijl mr. De Kwaasteniet ook niet kwam. De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker mogelijk het wrakingsmiddel misbruikt, maar zag geen aanleiding om dit nader te onderzoeken. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de beslissing is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. De Kwaasteniet wordt afgewezen wegens te late indiening en gebrek aan geobjectiveerde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/345400 KG RK 26-117
Beslissing van 13 april 2026
in de zaak van
mr. [verzoeker],
verzoeker tot wraking.

1.De procedure

1.1.
Op 26 februari 2026 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van
mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter in deze rechtbank. In die hoedanigheid is hij belast met de behandeling van vijf beroepen die door verzoeker zijn ingediend. De beroepen zijn geregistreerd onder nummers ZWO 25/1926, ZWO 24/416, ZWO 24/418, ZWO 25/1170 en ZWO 24/1857. De beroepen zijn gericht tegen besluiten van het college van Burgermeester en Wethouders van de gemeente Harderberg (eerstgenoemde zaak) en van de Omgevingsdienst IJsselland (overige zaken).
1.2.
Mr. de Kwaasteniet heeft niet berust in de wraking en heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.
1.3
Het wrakingsverzoek is op 27 maart 2026 ter zitting behandeld. Verzoeker is zonder bericht niet verschenen. Mr. de Kwaasteniet heeft bericht dat hij niet zal verschijnen.

2.De feiten

2.1.
In brieven van 27 november 2025 heeft de rechtbank de betrokken partijen bericht dat de beroepen met de hierboven genoemde registratienummers op 26 februari 2026 ter zitting in Zwolle zouden worden behandeld. De behandeling van de zaak met nummer ZWO 25/1926 zou om 13.30 uur aanvangen. De andere zaken zouden daarna worden behandeld, waarbij voor de behandeling van elke zaak apart tijd was ingeruimd. De behandelend rechter zou mr. A.T. de Kwaasteniet zijn.
2.2
Bij uitspraken van 6 januari 2026 is beslist op drie eerdere beroepen die door verzoeker waren ingesteld. Eén beroep is niet-ontvankelijk verklaard [1] , de andere beroepen zijn ongegrond verklaard [2] . De behandelend rechter was mr. De Kwaasteniet.
2.3
Op 26 februari 2026 vernam mr. De Kwaasteniet kort voor 13.30 uur van de griffie dat verzoeker om 13.26 uur een mailbericht naar de rechtbank had gestuurd waarin hij mr. De Kwaasteniet wraakte in alle zaken die op zitting stonden gepland. De zaken zijn vervolgens niet door de bode uitgeroepen en de overige betrokken partijen zijn geïnformeerd dat de behandeling van de zaken die middag niet zou plaatsvinden in verband met het wrakingsverzoek.

3.Waarom verzoeker het verzoek tot wraking heeft ingediend

Verzoeker heeft er in zijn verzoek van 26 februari 2026 op gewezen dat mr. De Kwaasteniet op 6 januari 2026 in een aantal door verzoeker eerder ingediende beroepen uitspraak heeft gedaan en dat verzoeker tegen die uitspraken hoger beroep heeft ingesteld. Die beroepen
gaan over verzoeken die verzoeker op grond van de Wet open overheid heeft ingediend bij het algemeen en dagelijks bestuur bij de Omgevingsdienst IJsselland. De beroepen die op 26 februari 2026 op zitting zouden worden behandeld zien ook op verzoeken die verzoeker op grond van de Wet open overheid bij het algemeen en dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst IJsselland heeft ingediend. Omdat gelet op het voorgaande niet valt in te zien dat mr. De Kwaasteniet in staat is om de objectiviteit en onpartijdigheid te waarborgen en de (schijn van) partijdigheid en/of (schijn van) vooringenomenheid te vermijden, wordt hij gewraakt in alle zaken die op 26 februari 2026 op zitting zouden worden behandeld.

4.Het standpunt van mr. De Kwaasteniet

Naast een opmerking over het tijdstip van indiening van het wrakingsverzoek, stelt mr. De Kwaasteniet zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Mr. de Kwaasteniet erkent dat hij recent beroepen van verzoeker ongegrond heeft verklaard maar wijst er ook op dat voor verzoeker de weg van het hoger beroep openstaat en dat verzoeker ook van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Mr. de Kwaasteniet stelt verder dat er geen sprake is van objectieve feiten of omstandigheden die met zich brengen dat zijn onpartijdigheid als rechter in de genoemde zaken schade kan lijden.

5.De beoordeling

5.1
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker zijn wrakingsverzoek te laat heeft ingediend. Het verzoek moet namelijk worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. [3] De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 27 november 2025 bericht dat de beroepen op 26 februari 2026 ter zitting zouden worden behandeld door mr. De Kwaasteniet. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn verzoek heeft gestoeld waren hem bekend, of konden hem bekend zijn, kort nadat de rechtbank op 6 januari 2026 uitspraak had gedaan. Door het verzoek pas op 26 februari 2026 in te dienen heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek naar het oordeel van de wrakingskamer niet met de vereiste voortvarendheid gedaan.
5.2
De wrakingskamer is verder van oordeel dat het verzoek inhoudelijk ongegrond is en overweegt daartoe het volgende.
5.3
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet de wrakingskamer de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
5.4
Het wrakingsverzoek draait er in de kern om dat volgens verzoeker mr. De Kwaasteniet partijdig is omdat hij op 6 januari 2026 uitspraken heeft gedaan op beroepen die door verzoeker zijn ingediend, verzoeker in die uitspraken geen gelijk heeft gekregen en de zaken die op 26 februari 2026 zouden worden behandeld over vergelijkbare materie gaan. Die enkele omstandigheid kan er echter niet toe leiden dat moet worden aangenomen dat mr. De Kwaasteniet partijdig is. De rechter moet immers ieder geschil tussen partijen beoordelen aan de hand van de argumenten die in dát geschil zijn aangevoerd. Verzoeker heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat mr. De Kwaasteniet dat niet zou doen met betrekking tot de beroepen die op 26 februari 2026 op zitting zouden worden behandeld en dat hij zich bij de beoordeling van die beroepen zou laten leiden door de uitkomst van de eerdere procedures waarin op 6 januari 2026 uitspraak is gedaan.
5.5
Verzoeker heeft verder ook geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat mr. De Kwaasteniet blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.
5.6
Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5.7
De wrakingskamer merkt tot slot nog het volgende op. Verzoeker heeft mr. De Kwaasteniet twee keer eerder gewraakt. Eén verzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser te laat was met het indienen van zijn verzoek. [4] Het andere verzoek is ongegrond verklaard omdat – kort gezegd – het feit dat mr. De Kwaasteniet moest beslissen op het verzet van verzoeker tegen een uitspraak van de andere rechter en mr. De Kwaasteniet samen met deze rechter deel heeft uitgemaakt van een meervoudige kamer, niet betekende dat mr. De Kwaasteniet partijdig was en dit ook niet uit de overige feiten en omstandigheden bleek. [5] Daaruit moet worden afgeleid dat verzoeker op die momenten geen goede redenen had voor zijn wrakingsverzoeken. Ook het wrakingsverzoek waar het in deze beslissing over gaat wordt ongegrond verklaard. Gelet op het voorgaande, op het late tijdstip waarop het wrakingsverzoek is gedaan en op het vervolgens zonder bericht van verhindering niet verschijnen van verzoeker ter zitting van de wrakingskamer, dringt de vraag zich op of verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld. De wrakingskamer ziet op dit moment echter nog geen aanleiding om die vraag te beantwoorden.
6. De beslissing
De wrakingskamer wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. U. van Houten, voorzitter, en mr. F. Koster en
mr. A. van Holten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P de Zwart, griffier, en in openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
de griffier is verhinderd deze de voorzitter
beslissing te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.ZWO 25/915.
2.ZWO 24/3683, ZWO 24/3730.
3.Artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 8:15 van Pro de Awb.
4.Wrakingskamer rechtbank Overijssel 6 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2024:4705.
5.Wrakingskamer rechtbank Overijssel 10 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2024:4747.