ECLI:NL:RBOVE:2026:1736

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11908247 \ CV EXPL 25-3050
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter wijst vordering tot restitutie wegens niet geleverde stages toe

In deze civiele zaak vordert [partij A], een jonge voetballer, restitutie van een deel van het betaalde bedrag aan [partij B], die stages voor voetballers regelt. [partij A] stelt dat [partij B] niet heeft voldaan aan de contractuele verplichting om twee resterende stages te leveren, waardoor recht op restitutie ontstaat.

De procedure omvatte een verstekvonnis, verzet en een inhoudelijke behandeling. De kantonrechter beoordeelde de uitleg van de contracten aan de hand van de Haviltex-maatstaf en concludeerde dat [partij B] maximaal tot het seizoen 2024/2025 de tijd had om de stages te leveren. Omdat na de stage in België geen verdere stages zijn aangeboden, is aan de restitutievoorwaarde voldaan.

Het verweer van [partij B] dat geen termijn was afgesproken en dat [partij A] contact zou hebben geweigerd, werd verworpen. Ook de vordering van buitengerechtelijke incassokosten werd toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat het restitutiebedrag pas vanaf mei 2025 opeisbaar was.

De kantonrechter vernietigde het verstekvonnis en wees de vordering van [partij A] toe tot betaling van €9.900,00, wettelijke rente vanaf 2 juli 2025, €870 aan incassokosten en €1.523,71 aan proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [partij B] tot betaling van €9.900,00 plus rente, incassokosten en proceskosten wegens niet geleverde stages.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11908247 \ CV EXPL 25-3050
Vonnis van 31 maart 2026 na verzet
in de zaak van
in de zaak van

1.[partij A 1],

2.
[partij A 2],
3.
[partij A 3],
uit Zwolle,
oorspronkelijk eisende partijen,
gedaagde partijen in het verzet (geopposeerde),
[partij A 1] hierna te noemen: ‘[partij A]’,
eisende partijen gezamenlijk hierna te noemen: ‘[partij A]’,
gemachtigde: mr. J.H.M. Döbber,
tegen
[partij B],
handelend onder de naam [bedrijf],
uit [woonplaats],
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in verzet (opposant),
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: voorheen mr. A.C. Hansen, die zich op de rol van 24 februari 2026 heeft onttrokken.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[partij A], een jonge voetballer, en zijn ouders hebben twee overeenkomsten met [partij B] gesloten gericht op het lopen van stages bij voetbalclubs, met als (eind)doel het sluiten van een contract bij een betaald voetbal organisatie. In deze zaak zijn partijen verdeeld over de vraag of [partij B] tijdig aan zijn contractuele verplichting heeft voldaan om twee stages – die [partij A] tegoed had – te leveren, en in het verlengde daarvan of aan de voorwaarde van een tussen partijen overeengekomen restitutiebepaling is voldaan. De kantonrechter legt de afspraken tussen partijen uit en komt tot de conclusie dat [partij A] recht hebben op restitutie van een bedrag van € 9.900.00. Hieronder wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de inleidende dagvaarding met producties van [partij A] van 2 juli 2025;
  • het verstekvonnis van 22 juli 2025;
  • de verzetdagvaarding van [partij B] met producties van 10 september 2025;
  • de akte overlegging producties van [partij A] van 11 februari 2026;
  • de advocaatonttrekking aan de zijde van [partij B] op de rol van 24 februari 2026;
  • de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan de griffier aantekening heeft gemaakt die in het dossier worden bewaard en waarop de gemachtigde van
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[partij B] regelt stageplaatsen voor jonge voetballers bij (amateur en betaalde) voetbalclubs. [partij A] had de wens profvoetballer te worden.
3.2.
Op 9 september 2022 hebben [partij B] en [partij A] een overeenkomst gesloten (hierna: de eerste overeenkomst), waarin onder andere het volgende is bepaald:
“[…]
2. Opdrachtnemer, verwijzend naar Dhr [partij B], garandeert volgens de overeenkomst 3 stages bij clubs uit de onderstaande competities:
*Nederland
*Eredivisie
*Keuken Kampioen Divisie
*Jacks League (2e Divisie)
*België
*Jupiler Pro League
*Proximus League
*1e Nationale
3. De stages zullen verspreid gelopen worden in het seizoen 2022/2023 en het seizoen 2023/2024. In uitzonderlijke gevallen (voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer) kan hier, in goed overleg, van afgeweken worden. Echter is het, gezien de leeftijd van opdrachtgever, niet de bedoeling dat dit gebeurt. De data van deze stages zullen in goed overleg bepaald worden.
[…]
5. Kosten voor bovengenoemde diensten bedraagt E15.000.
3.3.
[partij B] heeft een bedrag van € 15.000,00 ontvangen.
3.4.
[partij A] heeft in het seizoen 2023/2024 stage gelopen bij de voetbalclub [club 1]. De stage heeft niet geleid tot een contract bij de voetbalclub.
3.5.
Op 6 september 2023 is een tweede overeenkomst (hierna: de tweede overeenkomst) tussen [partij B] en [partij A] gesloten. Daarin is, voor zover relevant, het volgende bepaald:
“[…]
2. ‘Opdrachtnemer’, verwijzend naar Dhr [partij B], garandeert volgens de overeenkomst één stage bij een club uit één van de onderstaande competitie:
België
*Challanger Pro League
*Eerste Nationale
3. De kosten voor bovengenoemde dienst bedraagt 20.000,-. De betaling wordt contant verricht op de datum van ondertekening van de stageovereenkomst.
[…]
5. Bij een negatieve uitkomst zal het traject worden doorlopen waarbij speler (verwijzend naar opdrachtgever [partij A 1]), via bepaalde doelstellingen op de Nederlandse 2e en 3e divisie niveau (contract + basisspeler 1e elftal) een stage kan afdwingen naar een BVO[betaald voetbal organisatie, toevoeging kantonrechter]
. Dit wordt verzorgd door opdrachtnemer. Opdrachtgever heeft twee stages tegoed om dit af te dwingen indien dit niet mogelijk is bij de huidige vereniging [club 1].
6. Indien opdrachtnemer de twee stages niet kan leveren voortkomend uit de eerdere overeenkomst (getekend op 09-09-2022), volgt er een restitutie van 66% van het eerder geïnvesteerde bedrag. Indien opdrachtgever, ongeacht reden of oorzaak, het traject en de daarbij behorende stages niet kan doorlopen, dan heeft opdrachtgever geen recht op restitutie van het eerder geïnvesteerde bedrag.
[…]
10. De stage zal gelopen worden tijdens het seizoen 2023/2024.
[…]
13. Bij het ondertekenen van deze overeenkomst komt de vorige overeenkomst getekend op 09-09-2022 te vervallen.
3.6.
[partij B] heeft een bedrag van € 20.000,00 ontvangen.
3.7.
[partij A] heeft in het seizoen 2023/2024 stage gelopen bij de voetbalclub [club 2] (België).
3.8.
In een telefoongesprek begin maart 2024 heeft [partij B] [partij A] meegedeeld dat deze stage niet tot een contract bij de voetbalclub heeft geleid.
3.9.
Partijen hebben hierna telefonisch contact gehad.
3.10.
Op 11 september 2024 hebben [partij A] [partij B] per e-mail verzocht om tot restitutie over te gaan van 66% van het aanvankelijk betaalde bedrag van € 15.000,00. Verder hebben zijn geschreven:

Indien opdrachtnemer wil reageren op bovenstaande kan dit via het e-mailadres: [e-mailadres].Gelieve geen telefonisch- of app-contact.
3.11.
Per e-mail van 15 september 2024 hebben [partij A] aan [partij B] geschreven:

Ondanks ons verzoek om alleen te reageren via email, stuur je toch een app met de korte mededeling dat je de email hebt gelezen en dat je uiterlijk 31 oktober met een reactie komt.
Hier gaan wij niet mee akkoord.[…]”
3.12.
Per brief van 6 januari 2025 en, nadat betaling uitbleef, per brief van 23 januari 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] [partij B] gesommeerd om over te gaan tot betaling van € 9.900,00.
3.13.
[partij B] heeft ten behoeve van de twee stages, die [partij A] tegoed had nadat de stage in België niet tot de gewenste uitkomst leidde, geen werkzaamheden verricht.

4.Het geschil

4.1.
[partij A] hebben in de (inleidende) dagvaarding gevorderd dat [partij B] wordt veroordeeld tot betaling van € 9.900,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024, althans de datum van de dagvaarding, betaling van € 870,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4.2.
Aan hun vorderingen hebben [partij A] ten grondslag gelegd dat [partij B] de twee resterende stages niet heeft geleverd en daarom de restitutieregeling van artikel 6 van Pro de tweede overeenkomst dient na te komen.
4.3.
In de verzetdagvaarding heeft [partij B] vernietiging van het verstekvonnis van 22 juli 2025 gevorderd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de proceskosten. [partij B] voert aan dat restitutie niet aan de orde is, omdat partijen geen termijn zijn overeengekomen waarbinnen hij de resterende twee stages had moeten leveren. Verder voert [partij B] aan dat [partij A] zijn werkzaamheden ten behoeve van de twee stages, hebben tegengewerkt. [partij B] heeft ook betwist dat er sprake is van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden waarvoor een vergoeding kan worden gevorderd.
4.4.
[partij A] hebben de kantonrechter vervolgens ter zitting verzocht het verzet niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren en [partij B] te veroordelen in de proceskosten.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, verder ingegaan.

5.De beoordeling

[partij B] is tijdig in verzet gekomen
5.1.
Voordat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke behandeling van deze zaak, moet zij beoordelen of [partij B] tijdig in verzet is gekomen. Verzettermijnen zijn namelijk van openbare orde, zodat de kantonrechter dit ambtshalve moet vaststellen. [1]
5.2.
In artikel 143 lid 1 en Pro 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat degene die bij verstek is veroordeeld, in verzet kan gaan binnen vier weken na betekening van het vonnis (of de in lid 2 van dat artikel bedoelde akte) aan hem in persoon, of binnen vier weken nadat de veroordeelde een daad heeft gepleegd waaruit blijkt dat hij bekend is met het vonnis of met de aangevangen tenuitvoerlegging van het vonnis.
5.3.
[partij B] heeft aangevoerd dat het verstekvonnis niet aan hem is betekend. [partij A] hebben dit niet weersproken. Dat betekent dat de kantonrechter moet beoordelen of door [partij B] een daad van bekendheid is gepleegd. De Hoge Raad heeft die maatstaf zodanig ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. [2] Voldoende is dat de veroordeelde ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld, [3] kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis. [4] Verder volgt uit vaste rechtspraak dat een daad van een vertegenwoordiger van de veroordeelde buiten rechte, waaruit volgt dat de vertegenwoordiger bekend is met de veroordeling bij verstek, op zichzelf niet als daad van bekendheid van de veroordeelde zelf kan gelden, ook niet als de vertegenwoordiger daarbij namens de veroordeelde is opgetreden. [5]
5.4.
[partij B] heeft aangevoerd dat hij pas op de hoogte is geraakt dat er een vonnis tegen hem was gewezen nadat hij een brief van de gemachtigde van [partij A] ontving, maar dat daarbij het verstekvonnis niet was meegestuurd. Volgens [partij B] heeft zijn gemachtigde het verstekvonnis opgevraagd en het op 26 augustus 2025 met [partij B] besproken.
5.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij B] daarmee voldoende onderbouwd dat de verzetstermijn vanaf 26 augustus 2025 is gaan lopen. Nu de verzetdagvaarding op 10 september 2025 – en daarmee binnen vier weken na 26 augustus 2025 – is uitgebracht, heeft [partij B] tijdig verzet ingesteld. Hij is dan ook ontvankelijk in zijn verzet. Dat betekent dat de procedure heropend en voortgezet wordt en de vorderingen van [partij A] hierna inhoudelijk zullen worden beoordeeld.
De vordering tot betaling van € 9.900,00
5.6.
Partijen zijn het erover eens dat [partij A] na de niet succesvolle stage in België, op grond van artikel 6 van Pro de tweede overeenkomst, twee stages tegoed had. Partijen zijn het er ook over eens dat hetzelfde artikel [partij A], onder de voorwaarde dat [partij B] de twee stages niet kan leveren, recht geeft op restitutie van 66% van de reeds betaalde € 15.000,00, te weten € 9.900,00.
5.7.
Volgens [partij A] is aan de voorwaarde voor de restitutie voldaan. Zij wijzen, bij afwezigheid van een concrete termijn in de tweede overeenkomst, op de termijn in de eerste overeenkomst. Daarin is bepaald dat de stages uit die overeenkomst verspreid zullen worden gelopen in het seizoen 2022/2023 en 2023/2024. Omdat [partij B] de twee resterende stages die tegoed waren niet in de seizoenen 2022/2023 en 2023/2024 heeft geleverd, hebben zij recht op € 9.900,00, aldus [partij A]
5.8.
[partij B] spreekt tegen dat voldaan is aan de voorwaarde voor de restitutie. Volgens hem is er geen termijn overeengekomen waarbinnen de twee resterende stages geleverd hadden moeten worden. Bij het aangaan van de tweede overeenkomst lag de nadruk immers op het regelen van een stage in België. De verplichting tot het regelen van nog twee stages, was volgens hem weer afhankelijk van de uitkomst van het traject in België, zodat het afspreken van een uiterste termijn niet haalbaar was. Verder is de verwijzing door [partij A] naar de eerste overeenkomst volgens [partij B] misplaatst, want in de tweede overeenkomst is bepaald dat de eerste overeenkomst is komen te vervallen.
5.9.
Uit het voorgaande volgt dat partijen de gemaakte afspraken verschillend uitleggen. Dat betekent dat deze moeten worden uitgelegd.
Het beoordelingskader
5.10.
De uitleg van een overeenkomst vindt plaats aan de hand van de Haviltex-maatstaf. [6] Deze maatstaf komt er – kort gezegd – op neer dat bij de uitleg niet alleen de tekst van belang is, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bewoordingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang, zoals de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en wat zij daaruit redelijkerwijs mochten afleiden. Daarnaast speelt bij de uitleg ook een rol hoe partijen na het sluiten van de overeenkomst feitelijk hebben gehandeld. [7]
De uitleg van de overeenkomst
5.11.
Het staat vast dat partijen in de tweede overeenkomst geen expliciete termijn hebben opgenomen waarbinnen de twee resterende twee stages door [partij B] geleverd hadden moeten worden. Het staat ook vast dat [partij B] na maart 2024 geen stage heeft aangeboden (en [partij A] ook geen stage meer heeft gelopen). De uitleg van [partij A] dat dit had moeten gebeuren in de seizoenen zoals vermeld in de eerste overeenkomst volgt de kantonrechter niet. Daartoe is het volgende redengevend.
5.12.
Allereerst is in artikel 13 van Pro de tweede overeenkomst expliciet bepaald dat bij het tekenen van die overeenkomst, de eerste overeenkomst komt te vervallen. Naast de tekst is, zoals uit de Haviltex-maatstaf volgt, ook de context van belang. In dat kader is relevant dat de tweede overeenkomst zag op het regelen van een stage in België. Tegen die achtergrond is in artikel 5 van Pro de tweede overeenkomst bepaald dat [partij A] de twee stages pas tegoed heeft als de stage in België niet succesvol zou zijn. De tweede overeenkomst is op 6 september 2023 getekend. De stage in België zou op grond van de tweede overeenkomst in principe in het seizoen 2023/2024 moeten plaatsvinden en vond uiteindelijk plaats in maart 2024. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat een voetbalseizoen van augustus tot mei van het daaropvolgende jaar loopt. Dat betekent dat het seizoen van 2022/2023 bij het tekenen van de tweede overeenkomst al was verstreken en dat er ergens in het seizoen 2023/2024 eerst nog een onsuccesvolle stage in België zou moeten plaatsvinden, voordat [partij B] verplicht zou zijn twee aanvullende stages te regelen. Gelet op deze feiten en omstandigheden, kon [partij A] naar het oordeel van de kantonrechter niet redelijkerwijs verwachten dat de resterende stages nog in de seizoenen 2022/2023 en 2023/2024 geleverd zouden worden.
5.13.
Tegelijkertijd betekent dit niet dat [partij B] in zijn uitleg van de overeenkomst gevolgd kan worden. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht hij er redelijkerwijs niet van uitgaan dat er door de afwezigheid van een expliciete termijn, helemaal geen tijdsbepaling voor het leveren van de stages gold. Het doel van de samenwerking van partijen was immers een positie voor [partij A] in het betaald voetbal. Hij was destijds een jonge speler van 19 jaar. Tussen partijen staat niet ter discussie dat hoe ouder men wordt, hoe moeilijker het is om een stage te krijgen en hoe kleiner de kans om terecht te komen bij een profclub. In de eerste overeenkomst was daarom ook bepaald dat, gezien de leeftijd van [partij A], het niet de bedoeling was dat de aanvankelijk overeengekomen stages later dan seizoen 2023/2024 zouden plaatsvinden. Er was dus wel degelijk enige tijdsdruk om stages voor [partij A] te regelen en dat was bij partijen ook bekend.
5.14.
De kantonrechter overweegt daarom als volgt. In de eerste overeenkomst van september 2022 werden de twee seizoenen 2022/2023 en 2023/2024 voor het regelen van drie stages haalbaar én – gelet op de leeftijd van [partij A] – wenselijk geacht. Ter zitting is gebleken dat een voetbalclub vrij snel ziet of iemand talent heeft en dat een stage daarom slechts een week of langer duurt. Een redelijke uitleg van artikel 6 van Pro de tweede overeenkomst brengt de kantonrechter, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, tot het oordeel dat [partij B] voor het leveren van de twee stages eveneens maximaal twee seizoenen de tijd had. Gelet op het moment van tekenen van de tweede overeenkomst, september 2023, betekent dit meer specifiek dat [partij B] voor het regelen van de twee resterende stages tot maximaal het seizoen 2024/2025 de tijd had. Daarmee had [partij B] zelfs als uiteindelijk pas tegen het einde van seizoen 2023/2024 duidelijk zou worden dat de stage in België niet de gewenste uitkomst had, zoals hier ook het geval was, nog iets meer dan één seizoen om de twee resterende stages te leveren.
5.15.
[partij B] stelt zich ten slotte tijdens de zitting nog op het standpunt dat [partij A] eerst contact met hem moesten opnemen voor het regelen van de stages, en dat hij tot die tijd niet verplicht was om iets te doen. Het is echter onduidelijk waar [partij B] deze afspraak op baseert. Deze afspraak volgt niet uit een van de tussen partijen gesloten overeenkomsten en komt, gelet op de ontkenning van [partij A] en bij gebrek aan enige verdere onderbouwing, dan ook niet vast te staan. [partij B] mocht dus niet zomaar, zonder dat daar consequenties aan verbonden waren, een afwachtende houding aannemen.
Tussenconclusie: [partij B] dient de restitutiebepaling na te komen
5.16.
De vervolgvraag is of [partij B] tekortgeschoten is in zijn verplichting om de stages binnen de seizoenen 2023/2024 en 2024/2025 te leveren en, als het antwoord daarop bevestigend is, [partij A] recht heeft op restitutie van € 9.900,00. Het staat vast dat [partij B] na de stage van [partij A] in België, hem geen stage(s) meer heeft aangeboden en dat [partij B] daarvoor ook geen werkzaamheden meer heeft verricht. Dat betekent dat in beginsel aan de voorwaarde voor restitutie is voldaan en [partij A] recht hebben op € 9.900,00.
Toepassing van de restitutieverplichting is in dit geval niet onaanvaardbaar
5.17.
[partij B] heeft nog aangevoerd dat hij wel bereid was om de twee stages te leveren, maar dat [partij A] dat onmogelijk hebben gemaakt door contact met hem te weigeren en zelf ook geen contact met hem te leggen om de invulling van de twee stages te bespreken. Toen [partij A] wel contact opnamen, werd gelijk aanspraak gemaakt op de restitutieregeling. Volgens [partij B] hebben [partij A] hem daarmee belemmerd om aan zijn verplichtingen te voldoen, met als gevolg dat van hem niet verwacht kan worden dat hij tot betaling overgaat.
5.18.
Voor zover [partij B] hiermee een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is de kantonrechter van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Dat [partij A] nakoming door [partij B] hebben tegengewerkt, komt naar het oordeel van de kantonrechter immers niet vast te staan. Uit de stukken volgt namelijk, anders dan [partij B] stelt, niet dat [partij A] contact met [partij B] hebben geweigerd. Zij hebben de manier van contact weliswaar beperkt door aan te geven enkel per e-mail te willen communiceren, onder andere in verband met persoonlijke omstandigheden aan hun zijde, maar het contact is niet geweigerd. Dat dit [partij B] heeft belemmerd om in het geheel geen werkzaamheden meer te verrichten, heeft hij ook – gelet op de betwisting van [partij A] – onvoldoende onderbouwd. Het standpunt van [partij B] dat [partij A] hem zouden hebben tegengewerkt, valt bovendien niet goed te rijmen met zijn verklaring op de zitting dat hij juist op een startsein van [partij A] wachtte, voordat hij tot het regelen van verdere stages over zou gaan. Nakoming van de restitutieregeling is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dus niet onaanvaardbaar.
5.19.
Het voorgaande leidt de kantonrechter tot het oordeel dat [partij A] recht hebben op betaling van € 9.900,00.
Wettelijke rente
5.20.
[partij A] vorderen wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024, dan wel de dag van de dagvaarding. Voor toewijzing van wettelijke rente is verzuim vereist. Het verzuim kan pas intreden nadat een verbintenis opeisbaar is. Vast staat dat [partij A] pas recht hadden op het restitutiebetaling als [partij B] de stages niet kon leveren. Hiervoor is geoordeeld dat [partij B] uiterlijk tot seizoen 2024/2025 (eindigend in mei 2025) de tijd had om twee stages te leveren. Het restitutiebedrag van € 9.900,00 was dus pas vanaf mei 2025 opeisbaar. Dit betekent dat de wettelijke rente niet al vanaf 1 oktober 2024 zal worden toegewezen, maar vanaf de tweede gevorderde datum, de datum van de dagvaarding, 2 juli 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.21.
[partij A] vorderen € 870,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke incassokosten zijn de kosten die [partij A] hebben gemaakt om, in een poging een gang naar de kantonrechter te voorkomen, betaling van [partij B] te ontvangen.
5.22.
[partij B] betwist dat de buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens hem zijn er geen werkzaamheden verricht om tot een oplossing buiten rechte te komen. Hij betwist dat er telefonisch contact, besprekingen of schikkingsvoorstellen hebben plaatsgevonden en volgens hem is de brief die DAS heeft gestuurd, enkel ter instructie en voorbereiding van deze procedure geweest, waarvoor geen buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend. Voor zover [partij A] wel kosten hebben gemaakt, stelt [partij B] zich op het standpunt dat deze kosten worden gedekt door DAS in het kader van de (vermoedelijke) verzekering die zij zullen hebben afgesloten.
5.23.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vordering van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Voor de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten is alleen vereist dat incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het is daarbij niet relevant welke handelingen zijn verricht. Een enkele brief is in beginsel al voldoende. [8] [partij A] hebben bij inleidende dagvaarding brieven van 6 en van 23 januari 2025 overgelegd waaruit blijkt dat dat de gemachtigde van [partij A] [partij B] heeft verzocht om over te gaan tot betaling van € 9.900,00. Daarmee zijn voldoende incassowerkzaamheden verricht die [partij A] recht geven op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het argument dat de kosten onder een mogelijke verzekering vallen, maakt wat hiervoor is overwogen niet anders. Het al dan niet bestaan van een rechtsbijstandverzekering is namelijk niet relevant voor de toewijsbaarheid van de buitengerechtelijke incassokosten. Het betreft immers nog steeds vermogensschade aan de zijde van de schuldeiser, zij het dat deze mogelijk door een verzekering wordt gedekt (Rapport BGK-integraal 2013).
5.24.
Wat de hoogte van de vordering betreft, gaat de wetgever uit van een vaste vergoeding waarbij geabstraheerd wordt van de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 870,00 zijn in overeenstemming met het Besluit, zodat de kantonrechter dit bedrag zal toewijzen.
Conclusie
5.25.
Uit het bovenstaande volgt dat de toewijzing van de door [partij A] gevorderde hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten in het verstekvonnis naar het oordeel van de kantonrechter terecht is. Dat is anders wat de toewijzing van de wettelijke rente betreft. Deze wordt immers vanaf een latere datum toegewezen. Het verzet is daarmee gedeeltelijk gegrond, maar om misverstanden te voorkomen, kiest de kantonrechter ervoor om niet over te gaan tot gedeeltelijke vernietiging, maar om het hele verstekvonnis te vernietigen en een nieuwe eindbeslissing op te nemen, zoals hierna in het dictum staat vermeld.
Proceskosten
5.26.
Zoals hiervoor is overwogen, zal het verstekvonnis worden vernietigd. Daarom moet er ook opnieuw worden beslist over de proceskosten. In deze verzetprocedure is [partij B] grotendeels in het ongelijk gesteld. Dit betekent dat de kantonrechter, opnieuw beslissend, [partij B] niet alleen zal veroordelen tot betaling aan [partij A] van de kosten van de oorspronkelijke dagvaarding (€ 149,71), het griffierecht in de verstekprocedure (€ 257,00), het salaris van de gemachtigde van [partij A], voor zover het ziet op het opstellen van de dagvaarding in de verstekprocedure (€ 406,00), en de nakosten voor zover deze zien op de kosten die na het verstekvonnis zijn gemaakt (€ 135,00), maar ook in de proceskosten (inclusief nakosten) in de verzetprocedure aan de zijde van [partij A]. Deze worden begroot op:
- salaris gemachtigde
432,00
(1 punten × tarief € 432,00)
- nakosten
144,00
(+ de kosten van betekening)
Totaal
576,00
In totaal zal [partij B] dus worden veroordeeld om € 1.523,71 aan proceskosten te betalen.
5.27.
Zoals hierboven is opgemerkt, vallen onder de proceskosten ook de nakosten. Dat betekent dat als [partij B] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis voldoet en het vonnis daarna is betekend, hij ook de kosten van de betekening aan [partij A] moeten betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond en vernietigt het tussen [partij A] en [partij B] op 22 juli 2025 met zaaknummer 11786318 CV EXPL 25-2076 gewezen verstekvonnis;
en opnieuw beslissend:
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een bedrag van € 9.900,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 870,00;
6.4.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.523,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de kosten van betekening van dit vonnis als [partij B] niet binnen deze termijn aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend;
6.5.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de veertiende dag na aanschrijving van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.6.
verklaart de rechtsoverwegingen 6.2 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie hof Den Bosch 17 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4552.
2.Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ065.
3.Hoge Raad 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5501.
4.Hoge Raad 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AC2381.
5.Hoge Raad 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325.
6.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
7.HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR2004:AP2651.
8.Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405.