ECLI:NL:RBOVE:2026:1661

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_2389
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2 Wsf 2000Art. 5.16 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nieuwe aanspraak studiefinanciering wegens onvoldoende medische onderbouwing

Eiseres, geboren in 2001, volgde vanaf 2018 een HBO-opleiding Human Resource Management (HRM) die zij in augustus 2022 stopzette zonder diploma. Zij startte daarna een andere HBO-opleiding Vormgeving. De minister weigerde een nieuwe aanspraak op studiefinanciering omdat eiseres het maximale aantal maanden studiefinanciering had verbruikt en onvoldoende medische onderbouwing was geleverd dat haar chronische ziekte tijdens de HRM-opleiding zodanig was verergerd dat zij de opleiding niet kon afronden.

Eiseres stelde dat haar chronische pijnsyndroom, later gediagnosticeerd als fibromyalgie, tijdens haar studie was verergerd en haar dwong te stoppen. Zij voerde aan dat de fysieke belasting van het HRM-beroep haar gezondheid negatief beïnvloedde en dat zij onvoldoende steun van de onderwijsinstelling had ervaren. De onderwijsinstelling en medische verklaringen stelden echter dat de aandoening al bestond vóór de studie en niet zodanig was verergerd dat zij de studie niet binnen een redelijke termijn kon afronden.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het verzoek had afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij door een tijdens de studie ontstane of verergerde handicap niet in staat was de opleiding af te ronden. Ook de hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie van eiseres niet uitzonderlijk genoeg was. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering, noch vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2389

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (hierna te noemen: [eiseres] )

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: M. Santing).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). [eiseres] is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister terecht heeft geweigerd om aan [eiseres] een nieuwe aanspraak op studiefinanciering toe te kennen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht aan [eiseres] geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft toegekend. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 6 juni 2025 heeft de minister aan [eiseres] geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering toegekend. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij de weigering van de nieuwe aanspraak op studiefinanciering gebleven.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] en de gemachtigde van de minister. De moeder van een vriendin van [eiseres] was ook aanwezig.
2.4.
[eiseres] heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd. De minister heeft gedurende een week de gelegenheid gekregen om hierop te reageren. De minister heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
[eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2001. In 2018 is zij gestart met de HBO-bacheloropleiding Human Resource Management (HRM) aan de [school]. Zij is per 31 augustus 2022 gestopt met deze opleiding. Zij heeft hiervoor geen diploma behaald. In september 2022 is [eiseres] begonnen met de HBO-bacheloropleiding Vormgeving bij ArtEZ. In de periode september 2018 tot en met augustus 2022 heeft [eiseres] studiefinanciering ontvangen.
3.2.
Met een besluit van 2 augustus 2022 heeft de minister aan [eiseres] gemeld dat zij vanaf
1 september 2022 het maximale aantal maanden prestatiebeurs voor haar opleiding heeft verbruikt, dat zij vanaf die datum geen aanvullende beurs meer krijgt en dat ze nog maximaal 24 maanden recht heeft op een reisvoorziening. In dat besluit staat ook dat deze voorzieningen worden omgezet in een gift als [eiseres] op tijd haar diploma haalt. Verder is in dat besluit aan [eiseres] medegedeeld dat ze nog maximaal 36 maanden kon lenen. [eiseres] ontving tot en met augustus 2025 een lening en een collegegeldkrediet.
Met een besluit van 19 oktober 2025 heeft de minister aan [eiseres] vanaf september 2025 tot en met december 2025 geen lening en geen collegegeldkrediet meer toegekend, omdat zij de volledige duur studiefinanciering voor een ho-opleiding al heeft verbruikt.
3.3.
[eiseres] heeft op 24 maart 2025 een nieuwe aanspraak op studiefinanciering aangevraagd. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt minister
4. De minister heeft aan [eiseres] geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering toegekend, omdat het verzoek niet wordt ondersteund door de onderwijsinstelling en omdat de minister niet is gebleken dat sprake is van een tijdens de opleiding gekregen, verergerde of manifesterende handicap of chronische ziekte die maakt dat de opleiding niet binnen een redelijke termijn afgerond kon worden.
4.1.
De onderwijsinstelling [school] ondersteunt het verzoek van [eiseres] niet. De minister is van mening dat de verklaring van de decaan van [school] op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inzichtelijk en consistent is. Uit de aanvullende verklaring van de decaan is gebleken dat deze niet betwist dat sprake is van een medische aandoening maar dat, afgaand op de feiten, niet aannemelijk is gemaakt dat de opleiding niet binnen een redelijke termijn afgerond kon worden. De door [eiseres] geraadpleegde docenten geven geen ander beeld of melden niet dat [eiseres] de opleiding heeft moeten beëindigen vanwege een tijdens de opleiding gekregen, verergerde of manifesterende handicap of chronische ziekte.
4.2.
Dat de onderwijsinstelling geen causaal verband kan vaststellen tussen de gezondheidssituatie van [eiseres] en haar studiewijziging omdat [eiseres] over haar medische problemen geen contact heeft gezocht, komt volgens de minister voor haar eigen rekening en risico.
4.3.
Uit de medische gegevens blijkt dat [eiseres] de chronische aandoening niet heeft gekregen tijdens de opleiding HRM. Van de aandoening was voorafgaand aan de opleiding al sprake. De ziekte heeft zich ook niet pas gemanifesteerd tijdens de opleiding. Uit de medische gegevens blijkt ook niet dat van september 2018 tot en met augustus 2022 sprake was van een verergering van de klachten van [eiseres] .
Standpunt [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking moet komen voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Zij was als direct gevolg van tijdens haar studie verergerde en manifesterende chronische ziekten genoodzaakt de reeds begonnen opleiding te beëindigen. Om die reden koos zij voor een passender opleiding tot interieurarchitect. [eiseres] licht dit toe met de volgende punten.
5.1.
[eiseres] moest haar stage in het vierde studiejaar van haar HRM-opleiding 2021-2022 vanwege lichamelijke klachten stoppen. Zij heeft toen niet onderzocht of het behalen van haar HRM-diploma op een andere manier mogelijk was. Zij wist toen namelijk zeker dat het uitoefenen van het werk in HRM problemen zou geven voor haar gezondheid. De fysieke belasting die gepaard gaat met het werken in een kantoorsetting op vaste dagen en tijden en onder voor [eiseres] stressvolle omstandigheden zouden voor haar gezondheid niet helpend zijn. [eiseres] zag geen mogelijkheden om in een kantoorsetting en een fysiek statische werkhouding te moeten werken. Zij kon het HRM-beroep niet uitoefenen. Het HRM-diploma leek [eiseres] daarom waardeloos. Zij wilde niet dat haar beperking haar heel veel zou hinderen bij het werk. Het stoppen in het vierde jaar van haar opleiding gaf [eiseres] nog voldoende tijd om binnen tien jaar een passendere opleiding af te ronden. [eiseres] is ervan overtuigd dat zij zonder medische problemen de HRM-opleiding had afgerond. [eiseres] wijst erop dat ze nog maar een half jaar hoefde te studeren, waarin ze stage moest lopen en een scriptie moest schrijven. Zij behaalde goede resultaten. Maar het vooruitzicht om werk te moeten doen dat voor haar gezondheid niet bevorderend zou zijn werd voor [eiseres] mentaal te belastend. Zij verwijst naar wat in het huisartsenjournaal bij 30 november 2021 is vermeld.
5.2.
[eiseres] heeft zich als student met een kwetsbare gezondheid en het chronisch pijnsyndroom niet gesteund en gehoord gevoeld door docenten van [school]. Dat heeft mede bijgedragen aan haar besluit om te stoppen met de opleiding. De docenten waren op de hoogte van de gezondheidsproblemen van [eiseres] . Signalen over haar hadden zij moeten bespreken en delen binnen het zorg- of ondersteuningsteam en hadden zij moeten vastleggen in een studentvolgsysteem/dossier.
5.3.
[eiseres] heeft tijdens een minor ervaren dat zij fysiek dynamischer zou kunnen werken als interieurarchitect. Dit was geen gewone interesse en geen gewone keuze. Dit was een noodgreep. Dit beroep is haalbaar met haar gezondheid.
5.4.
[eiseres] wijst erop dat de diagnose fibromyalgie pas in december 2024 is gesteld en dat deze aandoening zich in de periode daarvoor heeft ontwikkeld. Zij stelt dat zij deze aandoening heeft gekregen tijdens de HRM-opleiding.
5.5.
Ondanks de revalidatie in 2017 zijn de gezondheidsproblemen niet opgelost. [eiseres] doorliep tijdens haar huidige opleiding een tweede revalidatietraject. Dit ging niet zomaar en de weg daar naartoe was lang. [eiseres] merkte dat zij ook tijdens de beter passende opleiding werd belemmerd in haar dagelijkse leven met studie, schoolwerk en haar bijbaan. Haar klachten namen toe en er ontstonden nieuwe klachten. [eiseres] heeft dit verder laten onderzoeken bij diverse medisch specialisten, maar daar kwam niets nieuws uit, zodat opnieuw een revalidatietraject is ingezet.
5.6.
[eiseres] wijst erop dat het verloop van fibromyalgie schommelt. Het is onvoorspelbaar en kan verergeren wanneer sociale of fysieke aspecten veranderen. [eiseres] is ervan overtuigd dat de studie HRM en de bijhorende stages hebben bijgedragen aan verergering van haar klachten en dat dat er uiteindelijk voor heeft gezorgd dat een nieuw revalidatietraject nodig was. De impact van de fysieke klachten door fibromyalgie op de mentale gezondheid van [eiseres] is enorm. Ook omdat zij zich nergens gehoord voelde. Uiteindelijk werkte dat door in de fysieke toestand van [eiseres] tot op het moment dat het niet meer ging. [eiseres] deed op school haar best. Dat ging ten koste van haar gezondheid. [eiseres] wilde zichzelf bewijzen en graag goed presteren. Zij wilde graag binnen het plaatje passen en voldoen aan de eisen van haar studie en alles wat daarmee te maken had. Achteraf heeft [eiseres] zichzelf enorm tekortgedaan. Ze had veel eerder op de rem moeten trappen, maar daar zeker ook ondersteuning van school bij moeten krijgen.
5.7.
[eiseres] vindt het logisch dat uit het verslag van CIR van 19 september 2023 niet is op te maken dat haar klachten tijdens de opleiding HRM van september 2018 tot en met september 2022 zijn verergerd, waardoor zij de opleiding moest beëindigen. Het verslag is immers niet geschreven om te dienen als bewijs in deze procedure. [eiseres] wijst erop dat een revalidatietraject pas wordt ingezet als alle andere onderzoeken zijn afgerond en behandelingen geen positief effect hebben gehad. Ook het huisartsenjournaal is niet geschreven met het doel duidelijk te maken dat de klachten van [eiseres] zijn toegenomen. Ook al ervaart [eiseres] een toename van haar klachten, zij gaat daarmee niet regelmatig naar de huisarts. [eiseres] is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat ze moet zien te leven met een kwetsbare gezondheid. De huisarts heeft wel goed zicht op de beperkingen en fysieke klachten van [eiseres] . Het bleek voor [eiseres] niet mogelijk om zelf een onafhankelijke arts in te schakelen die zou kunnen rapporteren over de causaliteit tussen de verergering van haar gezondheidsklachten en het niet afronden van de HRM-opleiding en de onmogelijkheid om in het HRM-werkveld te werken. [eiseres] is van mening dat [school] een onafhankelijk arts had moeten inschakelen.
5.8.
Als chronisch zieke jonge student zonder steunend netwerk staat [eiseres] vaker in de kou. Ze ervaart weinig steun vanuit de maatschappij. Ze loopt tegen veel muren van onbegrip aan, wat maakt dat zij zich vaak eenzaam voelt. [eiseres] heeft weinig steun ervaren en moest veel zelf uitzoeken en zij wist te weinig van de mogelijkheden om hulp in te schakelen. Dat dit voor haar eigen rekening en risico komt vindt [eiseres] wrang. Zij wil zich ontwikkelen tot iemand die zoveel mogelijk financieel onafhankelijk kan zijn.
5.9.
[eiseres] merkt op, dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle vanaf 1 april 2022 aan haar studietoeslag heeft toegekend, omdat sprake is van een structurele medische beperking waardoor zij niet in staat is om naast haar studie arbeid te verrichten. Als [eiseres] vanaf 1 september 2025 geen recht meer heeft op studiefinanciering, kan zij ook geen aanspraak meer maken op studietoeslag. Feitelijk heeft [eiseres] dan geen inkomsten meer om in haar levensonderhoud te voorzien en om haar studie te kunnen bekostigen. [eiseres] vindt het cru dat de gemeente Zwolle haar structurele medische beperking erkent en haar ondersteunt in het positief opbouwen van haar toekomst en zij via [school] door de minister niet wordt ondersteund.
Toetsingskader
6.1.
De wetsartikelen die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6.2.
De Centrale raad van Beroep (CRvB) heeft in vaste rechtspraak het toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering uiteen gezet. [1] Uit verklaringen van de onderwijsinstelling waar de student (laatstelijk) is ingeschreven, én van een arts zal moeten blijken dat voldaan is aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 voorgeschreven verklaringen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Het vereiste van een inzichtelijke en consistente motivering houdt ook in dat de in de verklaring(en) getrokken conclusie wordt gedragen door de gegeven motivering.
6.3.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 [2] volgt dat de in dit artikellid getroffen voorziening enkel ziet op zeer uitzonderlijke gevallen. Deze voorziening is bedoeld om een nieuwe start te kunnen maken met een studie die wél verenigbaar is met een tijdens de studie ontstane (of verergerde) handicap of een zich manifesterende chronische ziekte. Vast moet staan dat de gevolgde opleiding door de handicap/chronische ziekte niet kan worden voortgezet (of werken in het beroep waartoe wordt opgeleid daardoor niet mogelijk zal zijn), maar een andere opleiding met die handicap/chronische ziekte wel mogelijk is. Als voorbeeld is genoemd het geval van een student die door een ongeval handletsel oploopt waardoor hij zijn opleiding tot pianist aan het conservatorium niet meer kan afmaken maar met die handicap bijvoorbeeld wel een juridische opleiding kan volgen. Evenals de overige in artikel 5.16 getroffen voorzieningen, is de in het vierde lid getroffen voorziening slechts bedoeld voor gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden.
Toegepast op [eiseres]
7.1.
Hieruit volgt dat de beoordeling of voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 geschiedt aan de hand van twee vragen, waarbij de tweede vraag pas aan de orde is bij een bevestigende beantwoording van de eerste vraag. De eerste vraag die in het geval van [eiseres] moet worden beantwoord is of zij door een tijdens de HRM-opleiding ontstane of verergerde handicap of een zich manifesterende chronische ziekte niet meer in staat is tot het volgen van die opleiding (of werken in het beroep waartoe wordt opgeleid). Zo ja – en pas dan – moet de vraag worden beantwoord of de HBO-bacheloropleiding Vormgeving met die handicap of chronische ziekte dan wel mogelijk is. Eerst indien beide vragen bevestigend worden beantwoord is sprake van een passender opleiding in de zin van artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000.
7.2.
De studentendecanen van [school] ondersteunen het verzoek van [eiseres] om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering niet. Zij lichten dit in berichten van 23 en 29 januari 2025 toe. Uit de gegevens blijkt dat de medische situatie van [eiseres] tijdens de studie niet bij de decanen bekend was. Gedurende deze periode is geen ondersteuning of extra begeleiding aangevraagd of noodzakelijk gebleken. Van de aandoening van [eiseres] was al vóór het begin van de studie sprake en deze lijkt tijdens de studie HRM niet dusdanig te zijn verergerd dat deze negatieve invloed heeft gehad op de studieresultaten van [eiseres] . In het studiejaar 2018-2019 heeft [eiseres] succesvol de bindend studieadvies-norm behaald. In juli 2019 behaalde [eiseres] de propedeuse voor de Bachelor HBO, HRM aan [school]. Er is tijdens de studie geen aantoonbare studievertraging geconstateerd. De vrije minor AMA-HRM Interieurarchitectuur aan NHL Stenden is in 2021 succesvol afgerond. In 2022 heeft [eiseres] zich uitgeschreven bij [school] en zich aansluitend in september 2022 ingeschreven bij ArtEZ, waar zij in juni 2023 de propedeuse voor de Bachelor HBO Vormgeving heeft behaald. De decanen betwisten niet dat sprake is van een medische aandoening, maar afgaande op de feiten en de overgelegde gegevens is de onderwijsinstelling van mening dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat zou zijn de studie af te ronden binnen een redelijke termijn. [eiseres] heeft niet aangetoond dat haar medische aandoening van invloed is geweest op haar eerdere studievoortgang. Evenmin hebben de decanen een directe causaliteit kunnen vaststellen tussen de klachten en beperkingen enerzijds en de onmogelijkheid van [eiseres] om in de toekomst de studie HRM af te ronden en een baan in het HRM-werkveld uit te kunnen oefenen anderzijds.
7.3.
In het dossier bevindt zich een brief van 19 juli 2017 van een revalidatiearts van Vogellanden. Uit deze brief blijkt dat [eiseres] toen is behandeld voor chronische pijnklachten van het houdings- en bewegingsapparaat, vooral de benen. [eiseres] had tijdens het revalidatietraject geleerd hoe zij de klachten kon voorkomen en verminderen, en deed dit inmiddels met succes. Dit leidde tot minder klachten.
Ook zit in het dossier een rapport van 19 september 2023 van CIR. Hierin staat dat bij [eiseres] al 10 jaar sprake is van pijnklachten, dat zij in 2017 een revalidatietraject heeft gehad bij de Vogellanden voor chronische pijn en dat de pijn hierna alleen maar is toegenomen en ervoor zorgde dat [eiseres] niet goed meer kon functioneren. [eiseres] heeft er in dit revalidatietraject aan gewerkt haar beperkingen te verminderen. Door haar gedrag aan te passen kwam ze tot een betere zelfzorg. [eiseres] had echter nog verdere hulp nodig. Vandaar adviseerde CIR nog psychologische begeleiding.
Het dossier bevat ook een brief van 23 december 2024 van reumatoloog dr. [reumatoloog] . Hierin staat dat [eiseres] al langer bekend is met een chronisch pijn syndroom en dat zij voldoet aan de criteria voor fibromyalgie.
7.4.
Uit wat [eiseres] in haar brief van 21 januari 2025 aan de studentendecaan schrijft leidt de rechtbank af dat [eiseres] vooral tijdens haar stage bij TeachR van augustus 2021 tot en met november 2021 geconfronteerd werd met haar beperkingen. Tijdens die stage merkte [eiseres] dat de lichamelijke en psychische klachten van de afgelopen 3,5 studiejaren opstapelden en dit resulteerde erin dat zij thuis kwam te zitten. De klachten van [eiseres] waren enorm toegenomen. Het lukte haar niet meer om haar taken op stage en in haar privéleven uit te voeren. Zij ervoer voornamelijk pijn in haar rug, schouders en heupen. Het vele zitten achter een computer zorgde ervoor dat dit niet meer ging en dat de dagen te lang waren. [eiseres] realiseerde zich dat dit niet tijdelijk was, maar dat dit een opeenstapeling was van de afgelopen 3,5 jaar en dat haar beste periode hierin de periode van de minor was. [eiseres] realiseerde zich dat HRM-werk voor haar lichaam niet het juiste beroep noch werkveld is. Stoppen terwijl [eiseres] bijna haar diploma had voelde als een bizarre keuze. Maar ze voelde ook dat door dit werk te doen haar pijn alleen maar erger zou worden. Waar ze tijdens de revalidatie enorm hard voor had gewerkt en veel dingen voor had gelaten zou daardoor voor niets zijn geweest. [eiseres] zag geen andere optie dan te stoppen met de HRM-opleiding en te beginnen met een nieuwe studie die haar op termijn een baan zou opleveren die passend is bij haar fysieke beperkingen.
In het huisartsenjournaal is op 30 november 2021 vermeld dat [eiseres] heel moe was, geen energie had en veel huilde. Hierdoor had zij ook geen energie meer voor school of stage. In het huisartsenjournaal staat dat [eiseres] met haar huisarts heeft besproken dat zij 3,5 jaar geleden een verkeerde studiekeuze voor een HRM-opleiding heeft gemaakt en dat ze graag interieur architectuur wilde doen, waar ze een minor in gevolgd heeft. [eiseres] vertelde aan de huisarts dat ze bijna klaar was met de HRM-opleiding, maar dat ze zich had ziek gemeld voor haar stage. Het lukte niet meer om deze af te maken. [eiseres] wist al dat ze niet meer terug wilde naar deze studie. Ze vroeg zich af waarvan ze moe was. De huisarts stelde vast dat sprake was van overbelasting door de verkeerde studiekeuze en adviseerde een begeleidingstraject via school. In het huisartsenjournaal is bij 9 december 2021 wederom vermeld dat [eiseres] heel moe was, veel sliep, weinig tot geen energie had en veel huilde. Hierdoor ging [eiseres] ook niet meer naar school en stage.
7.5.
Het is duidelijk dat [eiseres] tijdens haar stage in het kader van de HRM-opleiding beperkingen ervoer, die het gevolg zijn van het chronisch pijn syndroom, dat later is geduid als fibromyalgie. [eiseres] had al voordat zij aan de HRM-opleiding begon te maken met deze aandoening en het lijkt er ook wel op dat de klachten ten gevolge daarvan tijdens de studie zijn toegenomen. In het dossier bevindt zich echter geen verklaring van een arts waaruit blijkt dat deze chronische ziekte tijdens de HRM-opleiding zodanig is verergerd dat [eiseres] daardoor niet meer in staat was tot het volgen van die opleiding. Daarom kan de rechtbank de minister volgen als hij stelt dat de verklaringen van [school] op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inzichtelijk en consistent zijn. De weigering het verzoek van [eiseres] te ondersteunen wordt gedragen door de gegeven motivering. Het was niet nodig dat de minister een onafhankelijke arts liet inschakelen. De medische informatie in het dossier en de toelichting van [eiseres] geeft voldoende informatie.
Ook [eiseres] zelf stelt overigens strikt genomen niet, dat zij als gevolg van haar aandoening niet meer in staat was om de opleiding af te maken. Zij is van opleiding geswitcht, omdat zij zichzelf met haar beperkingen niet in staat achtte om in het HRM-werkveld aan het werk te gaan. Zij heeft echter niet onderbouwd dat zij met haar beperkingen in de HRM-branche helemaal niet aan het werk kan.
Hardheidsclausule
7.6.
Wat [eiseres] onder 5.8. en 5.9. heeft aangevoerd merkt de rechtbank aan als een beroep op toepassing van de hardheidsclausule, zoals bedoeld in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000. De CRvB heeft overwogen dat volgens de wetsgeschiedenis de in artikel 5.16, vierde lid van de Wsf 2000 getroffen voorziening enkel ziet op zeer uitzonderlijke gevallen en dat de voorzieningen in artikel 5.16 van de Wsf 2000 slechts bedoeld zijn voor gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden. [3] Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever ziet de rechtbank in zaken over de voorziening voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering dan ook weinig ruimte voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000. De rechtbank vindt hiervoor steun in een uitspraak van de CRvB. [4] Hier is over verlengingen van de diplomatermijn die geregeld zijn in artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wsf 2000, overwogen dat niet snel plaats is voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000, omdat verlenging van die termijn slechts bij hoge uitzondering zal plaatsvinden. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor de voorziening in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000.
7.7.
Vanaf september 2025 ontvangt [eiseres] geen lening en geen collegegeldkrediet meer. Tijdens de zitting heeft [eiseres] verteld dat zij een bijstandsuitkering ontvangt. [eiseres] hoopt haar HBO-bacheloropleiding Vormgeving in het studiejaar 2025-2026 af te ronden. Daarom ziet de rechtbank in wat [eiseres] onder 5.8 en 5.9 heeft aangevoerd geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. De situatie van [eiseres] is niet zo bijzonder dat, ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan de uitzonderingsbepalingen artikel 5.16, vierde en vijfde lid, van de Wsf 2000, toch een nieuwe aanspraak op studiefinanciering moet worden toegekend.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister terecht heeft geweigerd om aan [eiseres] een nieuwe aanspraak op studiefinanciering toe te kennen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt geen nieuwe aanspraak op studiefinanciering. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet studiefinanciering 2000 (Wsf)
Artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig aan een ho-student wordt verstrekt gedurende 4 jaar.
Artikel 5.2, derde lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat de basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
Artikel 5.2, vierde lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, het collegegeldkrediet kan worden verstrekt en daarnaast studiefinanciering kan worden verstrekt in de vorm van een lening.
Artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat indien een ho-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, de ho-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering ontvangt.
Artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat de minister op aanvraag van de ho-student vaststelt of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.
Artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat de minister voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voetnoten

1.Zie onder meer CRvB 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4015 en CRvB 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2779.
2.Kamerstukken II, 1999/00, 26 873, nr. 42 en Handelingen II, 1999/00, nr. 58, blz. 4088/4094; nr. 59, blz. 4145 en nr. 60, blz. 4212
3.Zie CRvB 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2779.
4.Zie CRvB 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1393.