ECLI:NL:RBOVE:2026:1618

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_237 en ak_25_352
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 3.225 BalArt. 3.50 BalArt. 3.72 BalArt. 3.78 Bal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning biomassa-installatie wegens onvoldoende milieubeoordeling en onduidelijke voorschriften

De rechtbank Overijssel heeft op 27 maart 2026 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken tegen het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel betreffende de omgevingsvergunning voor wijzigingen aan de biomassa-installatie van Groen Gas Goor.

De vergunning betrof diverse wijzigingen, waaronder de opslag van vaste cosubstraten, invoerbakken, mestzakken en gasopslag. Eisers stelden dat het college de inrichting onjuist had getypeerd en dat de milieueffectrapportage (MER) onvolledig was. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was en de inrichting juist had getypeerd, maar dat de gevolgen van de wijziging in de opslag van vaste cosubstraten onvoldoende waren beoordeeld en gemotiveerd.

Daarnaast waren meerdere vergunningvoorschriften onduidelijk geformuleerd, waaronder voorschriften over geurmetingen en de opslag van afvalstoffen. Groen Gas Goor stelde dat een gewijzigd voorschrift onjuist was geformuleerd. De rechtbank verklaarde beide beroepen gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval het college aan opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werden proceskostenvergoedingen toegekend aan eisers en Groen Gas Goor.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning wegens onvoldoende milieubeoordeling en onduidelijke voorschriften en draagt het college op opnieuw te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/237 en ZWO 25/352
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats]

eisers in ZWO 25/237
hierna gezamenlijk: [eisers] (in enkelvoud)
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),

Groen Gas Goor B.V., uit Goor

eiseres in ZWO 25/352
hierna: Groen Gas Goor
(gemachtigde: mr. M.W. Cobussen),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel

verweerder in beide zaken
hierna: het college
(gemachtigde: mr. R. Orie).
Als derde-partij heeft deelgenomen in ZWO 25/237:
Groen Gas Goor.
Als derde-partij heeft deelgenomen in ZWO 25/352:
[eisers].

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college aan Groen Gas Goor heeft verleend voor het doorvoeren van wijzigingen in/aan haar biomassa-installatie. Volgens het college en Groen Gas Goor gaat het hierbij om ondergeschikte wijzigingen die geen nadelige gevolgen hebben voor het milieu en/of de gezondheid van omwonenden. Groen Gas Goor heeft wel beroep ingesteld tegen de aan haar verleende vergunning, omdat daarin volgens haar enkele onjuistheden staan en omdat één van de gewijzigde voorschriften moet worden aangepast. [eisers] is het om meerdere redenen niet eens met de verlening van de vergunning aan Groen Gas Goor. Volgens [eisers] is de inrichting van Groen Gas Goor verkeerd getypeerd zodat aan het verkeerde juridische kader is getoetst. Daarnaast meent [eisers] dat een m.e.r.-beoordeling ten onrechte niet heeft plaatsgevonden omdat wel gevolgen van betekenis zijn te verwachten.
1.2
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college op juiste grondslag heeft vastgesteld dat het bevoegd is om op de aanvraag van Groen Gas Goor te beslissen en dat het de inrichting van Groen Gas Goor juist heeft getypeerd. Het college heeft echter de gevolgen van één individuele wijziging onvoldoende zorgvuldig beoordeeld en onvoldoende gemotiveerd dat die geen significante nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Daaruit volgt ook dat de conclusie van het college, dat voor de aangevraagde wijzigingen geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, niet in stand kan blijven. Verder is de rechtbank van oordeel dat meerdere van de gewijzigde voorschriften die aan de bestreden omgevingsvergunning zijn verbonden, onvoldoende duidelijk zijn. Het college moet daarom opnieuw op het bezwaar van [eisers] beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. In het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [eisers] moet het college ook het gewijzigde voorschrift 4.14 aanpassen. Groen Gas Goor voert terecht aan dat dit voorschrift, zoals het nu is geformuleerd, niet juist is. Beide beroepen zijn dus gegrond.

Procesverloop

2.1
Op 24 april 2024 heeft Groen Gas Goor een omgevingsvergunning aangevraagd voor diverse wijzigingen van haar co-vergistingsinstallatie zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid of voor het milieu.
2.2
Bij besluit van 25 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het college bepaald dat voor de aangevraagde wijzigingen geen milieueffectrapportage (MER) is vereist en de omgevingsvergunning verleend (de beslissing dat voor de wijzigingen geen MER hoeft te worden opgesteld wordt in het vervolg van deze uitspraak aangeduid als: m.e.r.-beoordelingsbesluit).
2.3
Onder meer [eisers] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 28 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het m.e.r.-beoordelingsbesluit (het primaire besluit) herroepen en een nieuw m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Het college heeft opnieuw geconcludeerd dat voor de aangevraagde wijzigingen geen MER is vereist en dat de gevraagde vergunning kan worden verleend, met aanpassing van een aantal voorschriften uit de eerder verleende vergunningen.
2.4
Tegen het bestreden besluit hebben Groen Gas Goor en [eisers] beroep ingesteld. Ook hebben zij op elkaars beroepen gereageerd.
2.5
Het college heeft een verweerschrift ingediend
.
2.6
[eisers] heeft, onder verwijzing naar het (ingetrokken) beroep met zaaknummer
ZWO 23/1964, de rechtbank gevraagd om in deze zaken de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) in te schakelen. De rechtbank heeft dit verzoek voorafgaand aan de zitting afgewezen.
2.7
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de beroepen met de zaaknummers ZWO 23/2628 en ZWO 23/2679 (betreffende handhavingsbesluiten), op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- eisers [eiser 1] en [eiser 2], bijgestaan door
mr. F.H. Damen en vergezeld van [naam 1], deskundige;
- ir. [naam 2], [naam 3] en [naam 4] namens eiseres Groen Gas Goor B.V., bijgestaan door mr. M.W. Cobussen, mr. C. Kramer, mr. A.J.M. van Sommeren en mr. E.T. de Jong en vergezeld van [naam 5], deskundige;
- mr. R. Orie, [naam 6], [naam 7], [naam 8], mr. drs. M.G.B. Kampst, [naam 9] en [naam 10] namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding: voorgeschiedenis en aanvraag Groen Gas Goor
3.1
Groen Gas Goor is gevestigd aan de Kooimaten 3 in Goor en exploiteert daar een biomassa-installatie. Hiervoor zijn verschillende vergunningen verleend.
3.2
Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: B en W) op grond van de Wet milieubeheer aan Groen Gas Goor een oprichtingsvergunning verleend voor het in werking hebben van de biomassa-installatie (hierna: de vergunning uit 2011).
3.3
Bij besluit van 5 april 2017 hebben B en W op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo; oud) aan Groen Gas Goor een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van een kantoor, een bedrijfshal en silo’s en het (milieu-neutraal) veranderen van de biomassa-installatie (hierna: de vergunning uit 2017).
3.4
Ter zitting is gebleken dat Groen Gas Goor in 2017 een nieuwe aanvraag om een vergunning voor wijziging van de biomassa-installatie bij B en W heeft ingediend. B en W hebben daar nog niet op besloten, omdat ter discussie is komen te staan wie het bevoegde gezag is om op een dergelijke vergunningaanvraag te beslissen.
3.5
Ter zitting heeft Groen Gas Goor verklaard dat de biomassa-installatie in 2017/2018 is gerealiseerd en dat die in 2018 operationeel is geworden.
3.6
Op 29 maart 2019 heeft Groen Gas Goor bij B en W een melding gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) voor het (tijdelijk) gebruik van een mestzak met een inhoud van 250 m³ (hierna: de melding uit 2019).
3.7
In juni 2023 heeft Groen Gas Goor bij het college een aanvraag ingediend voor een revisievergunning op grond van de Wabo. Ook heeft Groen Gas Goor in 2022 of 2023 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb; oud) aangevraagd. Deze aanvragen hebben betrekking op diverse wijzigingen in de bedrijfsvoering, waaronder een uitbreiding van de maximale verwerkingscapaciteit van de biomassa-installatie. In juni 2025 heeft het college ontwerpbesluiten op deze aanvragen ter inzage gelegd. Daartegen zijn meerdere (omvangrijke) zienswijzen ingediend. Het college heeft nog niet definitief op de aanvragen besloten.
3.8
Naar aanleiding van handhavingsbesluiten van het college heeft Groen Gas Goor op 24 april 2024 bij B en W een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet (Ow): een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (MBA). In de toelichting bij deze aanvraag staat dat het gaat om activiteiten die al plaatsvinden binnen de inrichting van Groen Gas Goor, maar die niet onder de vergunningen uit 2011 of 2017 of onder de melding uit 2019 vallen. Ook heeft Groen Gas Goor in de aanvraag en de toelichting daarop aangegeven dat het bij deze activiteiten gaat om wijzigingen ten opzichte van de vigerende vergunningen en meldingen zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu. Dat is de vergunningaanvraag waar het in deze zaak om gaat.
3.9
Op 28 mei 2024 hebben B en W een delegatiebesluit als bedoeld in artikel 5.16 van de Ow genomen. Op 11 juni 2024 heeft het college dat besluit geaccepteerd.
3.1
Op 11 juli 2024 heeft Groen Gas Goor ter aanvulling op haar vergunningaanvraag het document ‘Aanmeldnotitie M.E.R.-beoordeling Groen Gas Goor’, van 14 oktober 2022, ingediend (hierna: de eerste m.e.r.-beoordelingsnotitie).
3.11
Naar aanleiding van de bezwaren tegen het primaire besluit heeft Groen Gas Goor het document ‘Notitie met betrekking tot artikel 16.45 Omgevingswet (mededeling voornemen) horende bij aanvraag d.d. 24 april 2024 Groen Gas Goor’, van 24 oktober 2024, ingediend (hierna: de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie).
Activiteiten en inrichting van Groen Gas Goor
4.1
Groen Gas Goor is gevestigd op het bedrijventerrein ‘Zenkeldamshoek’ in Goor. Zij produceert door middel van het vergisten van dierlijke meststoffen en cosubstraten (ook wel co-producten genoemd) zogeheten ‘groen gas’. Bij de productie daarvan wordt biogas opgewaardeerd tot eenzelfde kwaliteit als aardgas, waardoor het direct kan worden ingevoerd in het bestaande aardgasnetwerk.
4.2
Voorafgaand aan de zitting van 2 december 2025 heeft de rechtbank Groen Gas Goor gevraagd om een situatietekening of plattegrond toe te zenden, waarop de feitelijke inrichting van het terrein staat. Naar aanleiding hiervan heeft Groen Gas Goor meerdere tekeningen en plattegronden ingediend. Aan de hand van deze stukken zijn ter zitting het bedrijfsproces en de activiteiten van Groen Gas Goor besproken. Daaruit is de rechtbank onder meer gebleken dat de biomassa-installatie van Groen Gas Goor drie hoofdvergisters, één tussenvergister en één navergister in bedrijf heeft. In de installatie worden mest en co-producten (zowel vast als vloeibaar) verwerkt. Na het vergisten wordt, in de navergister, het digestaat verder vergist en vervolgens gescheiden in dikke fractie en dunne fractie. Deze restproducten worden afgevoerd.
4.3
Voor een beter begrip van deze uitspraak staan hieronder het ‘Processchema Groen Gas Goor’ en een plattegrond met daarop (een groot deel van) de inrichting van Groen Gas Goor en de aangevraagde wijzigingen waar het in deze zaak om gaat (aangegeven met *).
De bestreden omgevingsvergunning
5.1
Hieronder geeft de rechtbank weer voor welke wijzigingen ten opzichte van de eerder vergunde situatie met de bestreden omgevingsvergunning toestemming is verleend.
Het in gebruik hebben van twee invoervoorzieningen voor vaste mest en/of cosubstraten met elk een inhoud van 40 m³ in plaats van één invoerbak met een inhoud van 80 m³. Bij de vergunningverlening in 2011 was nog onduidelijk hoeveel bakken er zouden worden geplaatst en hoe de invoer zou worden uitgevoerd. In de vergunning uit 2017 is rekening gehouden met één invoerbak met een volume van 80 m³. Bij de bouw van de installatie is er echter voor gekozen om in plaats van één grote invoerbak twee invoerbakken met een inhoud van 40 m³ te realiseren. Daarvoor is met de bestreden omgevingsvergunning nu toestemming verleend.
Een wijziging in de opslag van vaste cosubstraten. In de vergunningen uit 2011 en 2017 waren sleufsilo’s voorzien met oppervlaktes van 150 m² en 110 m², met keerwanden van 2 m hoog. De opslag in deze sleufsilo’s diende te worden afgedekt met zeil. De sleufsilo’s zijn echter anders uitgevoerd en overkapt met een overkapping van 20 meter breed en 25 meter lang. De achterzijde van de overkapping is aangesloten op de silo’s. Aan de voorzijde is de overkapping voorzien van een overheaddeur. Voor deze gewijzigde (overkapte) uitvoering van de sleufsilo’s is nu in de bestreden omgevingsvergunning toestemming verleend.
Het permanent in gebruik hebben van de mestzak met een inhoud van 250 m³. Deze mestzak wordt gebruikt voor de opslag van de dunne fractie uit het digestaat. In de vergunning uit 2011 was voor deze opslag voorzien in drie silo’s met een inhoud van 2.000 m³ per silo. In plaats van deze silo’s is de mestzak gerealiseerd, conform de melding uit 2019. De bedoeling was toen dat de mestzak een tijdelijke voorziening zou zijn. Met de bestreden omgevingsvergunning krijgt deze een permanent karakter.
Een wijziging van de opstelplaats van de ontzwavelingsinstallatie. Bij de vergunning uit 2011 was de installatie voor de ontzwaveling van het biogas naast de deur van het hoofdgebouw voorzien. In de aanvraag voor de vergunning uit 2017 was deze installatie binnen voorzien. In de situatie waarop de bestreden omgevingsvergunning ziet zijn de koolstoffilters waarmee het gas wordt ontzwaveld toch buiten geplaatst.
Een wijziging van de opstelplaats van het gasopwaardeerstation. In de vergunning uit 2011 was het gasopwaardeerstation op het buitenterrein voorzien. Voorafgaande aan de bouw van het hoofdgebouw werd duidelijk dat het wenselijk was dat deze installatie in het hoofdgebouw werd geplaatst. Die wijziging is daarom meegenomen in de aanvraag voor de vergunning uit 2017. Het gasopwaardeer-station is echter ten opzichte van de vergunning uit 2017 anders in de ruimte binnen gepositioneerd. Met de bestreden omgevingsvergunning is voor die gewijzigde positie toestemming verleend.
Een wijziging van de opstelplaats van de mestscheidingsinstallatie. Volgens de vergunning uit 2011 was de locatie van de mestscheidingsinstallatie voorzien boven de containers voor de opslag van vaste fractie. Omdat de biogasopwerkings-installatie echter in het hoofdgebouw is geplaatst en de ruimte waarin die staat ook anders is uitgevoerd dan oorspronkelijk was voorzien, is de mestscheidings-installatie op een andere locatie in het gebouw gerealiseerd. Voor deze andere locatie is met de bestreden omgevingsvergunning toestemming verleend.
Een uitbreiding van de omvang van de gasopslag boven de vergistings- en opslagsilo’s. In de vergunning uit 2011 is toestemming verleend voor drie daken met gasopslag. Bij de bouw van de installatie is echter besloten om alle silo’s van een gasdak te voorzien. Die vijf gasdaken zijn volgens Groen Gas Goor aangevraagd met de aanvraag voor de vergunning uit 2017, waarbij is aangegeven dat de totale gasopslagcapaciteit ten opzichte van de vergunning uit 2011 afneemt. Bij de vergunningverlening in 2011 en 2017 is geen rekening gehouden met de hoeveelheid (gistings)gas die verder in het systeem aanwezig is, onder de gasopslagdaken. In de bestreden omgevingsvergunning is deze hoeveelheid gas alsnog meegenomen. Daarbij is uitgegaan van een opslagmogelijkheid van 524 m³ per (na-/tussen-/hoofd)vergister.
5.2
De bestreden omgevingsvergunning is ook verleend voor een wijziging in de afvoer van afzuiglucht uit de hygiënisatieruimte. Hierover is in de toelichting op de aanvraag van 24 april 2024 aangegeven dat in de vergunning uit 2011 staat dat de lucht uit de hygiënisatieruimte moet worden afgezogen en moet worden verbrand in de warmte-kracht-koppelingsinstallatie (WKK). Bij een controle is geconstateerd dat de afgassen niet naar de inlaat van de WKK werden geleid, maar naar buiten werden geëmitteerd. In de toelichting op de aanvraag is aangegeven dat de ruimteafzuiging is aangesloten op de inlaat van de WKK en daarvoor is de bestreden omgevingsvergunning mede aangevraagd (en dus ook afgegeven). Zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat deze verandering alleen de feitelijke situatie weer in overeenstemming brengt met de eerder vergunde situatie. De bestreden omgevingsvergunning leidt voor wat betreft de afvoer van afzuiglucht uit de hygiënisatieruimte dan ook niet tot een wijziging in de eerder vergunde situatie, zodat op dat punt geen sprake is van een besluitonderdeel. In het verweerschrift heeft het college ook erkend dat het meenemen van dit onderdeel in de bestreden omgevingsvergunning een omissie is geweest. De rechtbank laat het punt van de wijziging in de afvoer van afzuiglucht uit de hygiënisatieruimte in het vervolg van deze uitspraak daarom verder buiten beschouwing.
5.3
In het bestreden besluit heeft het college allereerst geconcludeerd dat de eerste m.e.r.-beoordelingsnotitie niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet en dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit (het primaire besluit) om die reden moet worden herroepen. Op basis van de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie heeft het college vervolgens in het bestreden besluit opnieuw geconcludeerd dat voor de aangevraagde wijzigingen geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat kan worden uitgesloten dat die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Verder heeft het college in het bestreden besluit geconcludeerd dat de aangevraagde omgevingsvergunning aan Groen Gas Goor kan worden verleend, omdat, kort gezegd, geen sprake is van strijd met één van de criteria uit artikel 8.9 tot en met 8.11 en afdeling 8.5.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hieraan heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat de vergunde wijzigingen niet leiden tot een wijziging van het bedrijfsproces van Groen Gas Goor of tot een uitbreiding van de vergunde capaciteit van de inrichting. Wel heeft het college in het bestreden besluit enkele bestaande voorschriften gewijzigd. Dat betreft de voorschriften 1.1, 4.11, 4.14, 8.1, 8.6 en 10.18.
De beroepen van [eisers] en Groen Gas Goor
6.1
Groen Gas Goor heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat daarin volgens haar enkele onjuistheden staan. Daarnaast klopt volgens Groen Gas Goor de formulering van het gewijzigde voorschrift 4.14 niet.
6.2
[eisers] is van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en berust op een onjuiste motivering, onder meer omdat het college daarin onvoldoende is ingegaan op de gronden die in bezwaar zijn aangevoerd. Verder heeft [eisers] onder meer aangevoerd dat het college op basis van onjuiste redenen heeft geconcludeerd dat het bevoegd is om op de aanvraag van Groen Gas Goor te beslissen en heeft het de inrichting van Groen Gas Goor onjuist getypeerd, waardoor een onjuist toetsingskader is toegepast. Ook bestrijdt [eisers] dat door de vergunde wijzigingen het bedrijfsproces van Groen Gas Goor niet wijzigt en dat de vergunde capaciteit van de inrichting niet wordt uitgebreid. [eisers] is het niet eens met de conclusie van het college dat voor de aangevraagde activiteiten geen MER hoeft te worden opgesteld en dat die geen nadelige gevolgen voor het milieu en/of de gezondheid van omwonenden hebben.
6.3
Hierna behandelt de rechtbank eerst het beroep van [eisers] en daarna het beroep van Groen Gas Goor.

Het beroep van [eisers]

Typering van de inrichting
7.1
Niet in geschil is dat het college bevoegd is om op de aanvraag van Groen Gas Goor te beslissen. Wel betwist [eisers] de door het college gestelde grondslag voor deze bevoegdheid.
7.2
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het op basis van het delegatiebesluit van B en W bevoegd is om op de aanvraag van Groen Gas Goor te beslissen en niet op basis van de maximale (aangevraagde en vergunde) capaciteit van de inrichting of op basis van andere kenmerken van de inrichting. Het college heeft de aanvraag van Groen Gas Goor aangemerkt als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de MBA, bestaande uit ‘het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal’ (Bedrijf voor mestbehandeling), als bedoeld in artikel 3.225, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
7.3
[eisers] is van mening dat het college om meerdere redenen rechtstreeks op basis van de Ow en het Bal bevoegd gezag is en B en W het delegatiebesluit daarom onrechtmatig heeft genomen. Daarnaast heeft het college volgens [eisers] ten onrechte niet onderkend dat de aanvraag mede betrekking heeft op andere MBA-en, zodat de beoordeling van de aanvraag door het college onjuist en onvolledig is geweest. [eisers] is van mening dat bij Groen Gas Goor (ook) sprake is van MBA-en als bedoeld in de artikelen 3.50, 3.72, 3.78 en 3.90 van het Bal.
7.4
De rechtbank overweegt dat de (juiste) typering van de inrichting onder meer van belang is voor de beoordeling welk bestuursorgaan voor die inrichting bevoegd gezag is. Ook heeft de typering van de inrichting gevolgen - of kan die gevolgen hebben - voor de vraag welke algemene regels voor die inrichting gelden en welke voorschriften daarvoor in een vergunning moeten worden opgenomen, welke voorbereidingsprocedure van toepassing is bij het nemen van een besluit over vergunningverlening en voor de vraag of een MER moet worden gemaakt. Verder zal, indien (ook) sprake is van een andere MBA, dat gevolgen hebben voor de wijze van beoordeling van de aanvraag. Hoewel de bevoegdheid van het college niet in geschil is, is de vraag op grond waarvan het college bevoegd is, daarom wel relevant.
7.5
De rechtbank beoordeelt hierna of de aanvraag van Groen Gas Goor mede betrekking heeft op de overige door [eisers] genoemde MBA-en. Daarbij merkt de rechtbank allereerst op dat [eisers] zijn betoog over zowel voorschrift 4.14 van de vergunning uit 2011 als de wijziging daarvan in het bestreden besluit ter zitting heeft ingetrokken, omdat het toestaan van 1.000 m³ aan van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen onder de Ow geen relevant criterium meer is bij de vraag wie in dit geval bevoegd gezag is.
Artikel 3.72 van het Bal (Basischemie)
8.1
[eisers] heeft aangevoerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor ook betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder c, van het Bal, omdat bij Groen Gas Goor sprake is van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I bij de Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (hierna: de RIE) [1] . Volgens [eisers] is daarom voor de inrichting van Groen Gas Goor (ook) op grond van artikel 3.73, eerste lid, van het Bal een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Ow (hierna: omgevingsvergunning MBA) vereist. Verder stelt [eisers] dat het college op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Omgevingsbesluit (hierna: het Ob) bevoegd gezag is voor het verlenen van deze vergunning en dat op grond van artikel 10.24, eerste lid, onder b, van het Ob bij het nemen van een besluit daarover de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden toegepast.
8.2
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat (ook) sprake is van een MBA als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder c, van het Bal heeft [eisers] allereerst verwezen naar het STAB-rapport van 30 juni 2023, dat op verzoek van de rechtbank is uitgebracht in andere beroepsprocedures van [eisers] en Groen Gas Goor die betrekking hadden op handhavingsbesluiten van B en W. [2] In dat rapport heeft de STAB geconcludeerd dat in de inrichting van Groen Gas Goor sprake is van de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting en dat om die reden sprake was van een inrichting als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE. Daarnaast heeft [eisers] op dit punt verwezen naar een e-mail van een juridisch medewerker van de provincie Overijssel van 7 augustus 2023 en een advies van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) van 3 augustus 2023. In beide stukken wordt eveneens geconcludeerd dat bij Groen Gas Goor sprake is van een installatie als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE. Verder heeft [eisers] in dit verband gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 juli 2022 [3] , die gaat over een mestverwerkingsinstallatie in Grubbenvorst. Verder heeft [eisers] ter zitting, in reactie op wat het college en Groen Gas Goor naar voren hebben gebracht, gesteld dat de digestaat-stromen bij Groen Gas Goor worden gedroogd.
8.3
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij Groen Gas Goor als onderdeel van het vergistingsproces twee digestaat-stromen ontstaan, die allebei zijn te kwalificeren als (reststromen van) dierlijke mest (dunne fractie en dikke fractie). Daarmee is volgens het college geen sprake van een installatie die is bestemd voor de fabricage van (fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende) meststoffen. Ter onderbouwing hiervan heeft het gewezen op een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 juni 2025 [4] . Ter zitting heeft het college gesteld dat de inrichting van Groen Gas Goor niet voldoet aan de criteria uit de door [eisers] genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, omdat de mestbewerking in de situatie waarop die uitspraak ziet verder ging dan het geval is bij Groen Gas Goor. Bij Groen Gas Goor is volgens het college alleen sprake van het scheiden van de dikke en de dunne fractie. Het college en Groen Gas Goor betwisten dat het digestaat wordt gedroogd. Groen Gas Goor heeft daaraan ter zitting toegevoegd dat de dikke en de dunne fractie als reststoffen worden afgevoerd, waarvoor zij moet betalen. De reststoffen worden niet verkocht. Verder heeft het college ter zitting aangegeven dat het van de ODRN heeft begrepen dat die zijn advies van 3 augustus 2023 inmiddels heeft ingetrokken.
8.4
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de door [eisers] genoemde uitspraak van
27 juli 2022 vier cumulatieve vereisten heeft opgenomen om een installatie aan te merken als een geïntegreerde chemische installatie, bestemd voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen. [5] Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de inrichting van Groen Gas Goor niet aan alle vier de criteria, omdat geen sprake is van de fabricage van fosfaat, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen. Het doel van de installatie van Groen Gas Goor is het produceren van biogas door middel van vergisting van mest en co-producten. De aangevoerde mest gaat als afvalstof in de installatie en komt er ook weer als afvalstof uit. Na het proces van vergisten (in de hoofd, tussen- en navergisters) wordt de mest gescheiden in dikke en dunne fractie en deze wordt vervolgens afgevoerd. Er vindt geen behandeling plaats zoals het toevoegen van (mest)stoffen of persen van de dikke fractie in de vorm van mestkorrels. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van droging van de mest. Dat een droogvloer is aangebracht in de opslaglocatie van de dikke fractie en dat de ruimte van deze opslag wordt geventileerd, zoals [eisers] aanvoert, is daarvoor onvoldoende. Groen Gas Goor heeft namelijk toegelicht dat de uiteindelijke drogingsinstallatie, waarvan de droogvloer deel zou uitmaken, nooit is gerealiseerd. Anders dan de STAB heeft geconcludeerd, leidt dit er volgens de rechtbank toe dat geen sprake is van de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE. Daarbij merkt de rechtbank op dat de STAB destijds in de betreffende zaken is gevraagd om advies uit te brengen over de vraag welk bestuursorgaan in die zaken het bevoegde gezag was. In het conceptadvies van 1 juni 2023 heeft de STAB geconcludeerd dat bij Groen Gas Goor geen sprake was van fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE. In het definitieve advies van 30 juni 2023 heeft de STAB die conclusie herzien en geconcludeerd dat daarvan wel sprake is. De rechtbank heeft in de uitspraken in de betreffende zaken deze laatste conclusie van de STAB niet overgenomen, maar zich onthouden van een oordeel daarover. De rechtbank ziet nu dus ook geen reden om de conclusie van de STAB, dat sprake is van een IPPC-installatie voor het maken van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen, bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE over te nemen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor niet mede betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder c, van het Bal.
Artikel 3.78 van het Bal (Afvalbeheer IPPC-installaties)
9.1
[eisers] heeft aangevoerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, van het Bal, omdat bij Groen Gas Goor sprake is van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.3, onder b, van bijlage I bij de RIE. Volgens [eisers] is daarom voor de inrichting van Groen Gas Goor (ook) op grond van artikel 3.79, eerste lid, van het Bal een omgevingsvergunning MBA vereist. Verder stelt [eisers] dat het college op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Ob bevoegd gezag is voor het verlenen van deze vergunning en dat op grond van artikel 10.24, eerste lid, onder b, van het Ob bij het nemen van een besluit daarover de uitgebreide voorbereidings-procedure moet worden toegepast.
9.2
Aan de stelling dat Groen Gas Goor een IPPC-installatie als bedoeld in categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE exploiteert, heeft [eisers] ten grondslag gelegd dat uit meerdere stukken blijkt dat de behandeling van de afvalstoffen door anaërobe vergisting niet beperkt blijft tot maximaal 100 ton per dag. Bijvoorbeeld uit het rapport van de Omgevingsdienst Twente (ODT) van een controle die op 28 maart 2023 is verricht, blijkt dat de installatie van Groen Gas Goor minimaal 56.302 ton mest en cosubstraten per jaar verwerkt. De feitelijke capaciteit is dus meer dan 100 ton per jaar en die capaciteit is technisch niet beperkt. Ook is de maximale capaciteit volgens [eisers] juridisch niet beperkt tot maximaal 100 ton per dag, omdat de vergunning uit 2011 niet de benodigde meet- en registratievoorschriften bevat om te waarborgen dat de drempelwaarde niet wordt overschreden. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft [eisers] verder gewezen op het controlerapport van de ODT van 22 januari 2025, een uitspraak van de Afdeling van
7 november 2018 [6] en het document ‘Answers given by DG Environment on the implementation of the Industrial emissions directive – annex I’ (hierna: de Leidraad RIE).
9.3
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vergunning uit 2011 niet voorziet in een IPPC-installatie in de zin van categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE, omdat de voorschriften 2.4 tot en met 2.6 van die vergunning minder dan 100 ton per dag aan anaërobe vergisting toestaan. Die vergunning bevat dus wel juridische beperkingen voor de maximale capaciteit van de installatie en ook bevat die vergunning de daarbij behorende meet- en registratieverplichtingen, aldus het college. Dat Groen Gas Goor de maximaal toegestane verwerkingscapaciteit in de afgelopen jaren meerdere keren heeft overschreden, maakt dit volgens het college niet anders. Dat is een handhavingskwestie en het college heeft ook handhavend opgetreden tegen die overschrijdingen.
9.4
De rechtbank stelt vast dat in de voorschriften 2.4 tot en met 2.6 van de vergunning uit 2011 is vastgelegd dat de inrichting van Groen Gas Goor:
  • jaarlijks maximaal 36.000 ton biomassa mag toelaten en verwerken;
  • jaarlijks maximaal 18.000 ton verpompbare vloeibare en/of vaste uitwerpselen van dieren mag toelaten en verwerken; en
  • enkel cosubstraten van de ‘positieve lijst’ mag verwerken. Hiervan mag jaarlijks maximaal 15.000 ton een afvalproduct zijn.
De voorschriften 2.10 en verder van de vergunning uit 2011 bevatten regels voor de registratie van de aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen en cosubstraten.
9.5
Naar het oordeel van de rechtbank is de maximaal toegestane capaciteit van de inrichting in de voorschriften van de vergunning uit 2011 voldoende geborgd en beperkt. Uit die voorschriften volgt dat de maximaal toegestane capaciteit van de inrichting onder de 100 ton per dag blijft, zodat geen sprake is van een installatie als bedoeld in categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE. Wat [eisers] hierover heeft aangevoerd slaagt niet. Dat Groen Gas Goor de maximaal toegestane capaciteit meerdere keren heeft overschreden, betekent niet dat categorie 5.3, onder b, van bijlage I van de RIE van toepassing is. Het college stelt terecht dat dat een handhavingskwestie is. Die overschrijdingen wijzigen de vergunde capaciteit niet en zijn daarom niet relevant voor de kwalificatie onder de RIE. Wat [eisers] heeft aangevoerd over de Leidraad RIE, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor niet (mede) betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, van het Bal.
Artikel 3.90 van het Bal (Grootschalige mestverwerking)
10.1
[eisers] heeft aangevoerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.90, eerste lid, van het Bal, omdat bij Groen Gas Goor per jaar meer dan 25.000 m³ aan dierlijke meststoffen wordt behandeld. Volgens [eisers] is daarom voor de inrichting van Groen Gas Goor op grond van artikel 3.91, eerste lid, van het Bal een omgevingsvergunning MBA vereist en is de MBA zoals bedoeld in artikel 3.225, eerste lid, van het Bal op grond van het derde lid van dat artikel niet aan de orde. Verder is volgens [eisers] het college op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Ob bevoegd gezag voor het verlenen van de vergunning voor de MBA als bedoeld in artikel 3.90, eerste lid, van het Bal.
10.2
Ter onderbouwing van zijn stelling dat bij Groen Gas Goor per jaar meer dan 25.000 m³ aan dierlijke meststoffen wordt behandeld, heeft [eisers] met name verwezen naar de eerder (in rechtsoverweging 9.2) genoemde controlerapporten. Uit die rapporten blijkt dat Groen Gas Goor feitelijk meer dan 25.000 m³ aan dierlijke meststoffen verwerkt en volgens [eisers] mag aan die feiten niet worden voorbijgegaan. Daarnaast blijkt uit de controlerapporten dat Groen Gas Goor ook meer cosubstraten verwerkt dan volgens de vergunning is toegestaan en ook daaraan mag volgens [eisers] niet worden voorbijgegaan. Verder heeft [eisers] aangevoerd dat uit de op 8 juni 2023 ingediende aanvraag voor een revisievergunning blijkt dat Groen Gas Goor niet wil veranderen, maar de bestaande (illegale) situatie en installatie juist wil legaliseren. Ook heeft [eisers] betoogd dat de bestreden omgevingsvergunning het verwerken van de te grote hoeveelheid mest en cosubstraten ondersteunt, doordat een extra invoerbak en twee extra vergisters worden vergund/gelegaliseerd. Volgens [eisers] wijst dat erop dat Groen Gas Goor een illegale hoeveelheid mest en cosubstraten zal blijven aanvoeren. Het college heeft zich er ten onrechte niet van vergewist of de vergunningaanvraag in overeenstemming is met de feitelijke situatie en daarom is het in het bestreden besluit uitgegaan van een onjuiste MBA en een onjuist toetsingskader.
10.3
Het college heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de aanvraag van Groen Gas Goor niet voorziet in een MBA voor grootschalige mestverwerking als bedoeld in artikel 3.90 van het Bal, omdat binnen de inrichting per jaar niet meer dan 25.000 m³ dierlijke meststoffen mag worden behandeld. De vergunning uit 2011 bepaalt namelijk dat Groen Gas Goor maximaal 18.000 ton dierlijke meststoffen per jaar mag accepteren. Ervan uitgaande dat 1 ton dierlijke meststoffen een inhoud/omvang van 0,9 m³ heeft, blijft Groen Gas Goor ruim onder de grens van 25.000 m³ per jaar. Verder heeft het college erop gewezen dat met het bestreden besluit geen vergroting van de toegestane productiehoeveelheden is vergund.
10.4
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor geen betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.90, eerste lid, van het Bal. Uit de vergunning uit 2011 blijkt dat Groen Gas Goor ruim minder dan 25.000 m³ dierlijke meststoffen per jaar mag behandelen en dat de vergunde situatie daarom ruim onder de norm uit artikel 3.90, eerste lid, van het Bal blijft. Dat Groen Gas Goor die norm meerdere keren heeft overschreden leidt ook hier niet tot een ander oordeel. Dat heeft geen invloed op de omvang van de vergunde situatie. Ook hier geldt dat dat een handhavingskwestie is en het college heeft daartegen ook actie ondernomen. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor niet (mede) betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.90, eerste lid, van het Bal.
Artikel 3.50 van het Bal (Seveso-inrichting)
11.1
[eisers] heeft aangevoerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, van het Bal, omdat bij Groen Gas Goor sprake is van het exploiteren van een zogeheten Seveso-inrichting. Volgens [eisers] is daarom voor de inrichting van Groen Gas Goor (ook) op grond van artikel 3.51, eerste lid, van het Bal een omgevingsvergunning MBA vereist. Verder stelt [eisers] dat het college op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder c, van het Ob bevoegd gezag is voor het verlenen van deze vergunning en dat op grond van artikel 10.24, eerste lid, onder c, van het Ob bij het nemen van een besluit daarover de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden toegepast.
11.2
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de inrichting van Groen Gas Goor moet worden aangemerkt als een Seveso-inrichting heeft [eisers] aangevoerd dat met voorschrift 10.18 van de vergunning uit 2011 onvoldoende is gewaarborgd dat de concentratie waterstofsulfide (het H₂S-gehalte) in het biogas onder de 1 volumeprocent (hierna: 1%) blijft. Voorschrift 10.18 van die vergunning is daarvoor volgens [eisers] onvoldoende en ook bevat de vergunning geen meet- en registratievoorschriften voor het H₂S-gehalte in het biogas. Het is van belang dat het H₂S-gehalte onder die norm blijft, omdat biogas met een H₂S-gehalte vanaf 1% zeer toxisch is en in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn [7] , in combinatie met deel 1 van bijlage I van die richtlijn, is aangewezen als gevaarlijke stof. Voor biogas met een H₂S-gehalte vanaf 1% geldt een drempelwaarde van 5 ton en Groen Gas Goor heeft een biogasopslag van meer dan 5 ton, aldus [eisers]. Daarbij heeft hij ook aangevoerd dat tijdens een controle op 4 april 2022 is vastgesteld dat het H₂S-gehalte in het biogas 3% bedroeg.
11.3
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het H₂S-gehalte ver onder de 1% blijft, mede door de toevoeging van ijzerwater en biologische ontzwaveling. Om onduidelijkheid over de grens van de maximale concentratie H₂S weg te nemen, heeft het college in het bestreden besluit besloten om voorschrift 10.18 van de vergunning uit 2011 aan te passen en te wijzigen in: “Het maximale H₂S-gehalte in het biogas in de (na)vergistingstanks en overige gasopslagen moet onder de 1 volumeprocent liggen.”.
11.4
In haar reactie op het beroep van [eisers] heeft Groen Gas Goor gesteld dat het H₂S-gehalte in het biogas maximaal 0,2% is en dat dat continu wordt gemeten en waar nodig bijgestuurd. Volgens Groen Gas Goor is dat nu ook gewaarborgd, doordat dit in de aanvraag staat, die onderdeel is van de bestreden omgevingsvergunning, en door het aangepaste voorschrift 10.18 van de vergunning. Verder heeft Groen Gas Goor, ter onderbouwing van haar standpunt dat het H₂S-gehalte (ruim) onder de 1% blijft, gewezen op de rapporten die de ODT heeft opgesteld van de controles op 17 mei 2022 en 28 maart 2023 en op het STAB-rapport van 30 juni 2023. Ter zitting heeft Groen Gas Goor verklaard dat haar biomassa-installatie niet zou kunnen functioneren als het H₂S-gehalte in het biogas 3% zou zijn.
11.5
De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat een medewerker van de ODT tijdens de controle op 4 april 2022 mondeling heeft verklaard dat het maximale H₂S-gehalte in het biogas 3% bedraagt en dat nader onderzoek nodig is om het daadwerkelijke H₂S-gehalte te bepalen. Verder blijkt uit de stukken dat tijdens de latere controles op 17 mei 2022 en 28 maart 2023 is vastgesteld dat het H₂S-gehalte minder dan 1% was. In haar rapport van 30 juni 2023 heeft de STAB vastgesteld dat het H₂S-gehalte bij de biogasinstallatie continu kan worden gevolgd en dat er geen aanwijzing is dat de drempelwaarde van 1% bij Groen Gas Goor zal worden overschreden. Gelet hierop, ziet de rechtbank in wat [eisers] heeft aangevoerd en in de dossierstukken geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de inrichting van Groen Gas Goor moet worden aangemerkt als een Seveso-inrichting, omdat het H₂S-gehalte in het biogas hoger zou zijn dan 1%. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de aanvraag van Groen Gas Goor niet (mede) betrekking heeft op een MBA als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, van het Bal.
Conclusie over de typering van de inrichting
12. Wat [eisers] heeft aangevoerd tegen de typering van de inrichting van Groen Gas Goor door het college en tegen de vaststelling van de bevoegdheidsgrondslag slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het op basis van het delegatiebesluit van B en W bevoegd is om op de aanvraag van Groen Gas Goor te beslissen en dat die aanvraag alleen betrekking heeft op de MBA die is genoemd in artikel 3.225, eerste lid, van het Bal.
Het m.e.r.-beoordelingsbesluit
13.1
In het bestreden besluit heeft het college geconcludeerd dat de eerste m.e.r.-beoordelingsnotitie niet voldoet aan de eisen uit artikel 11.10 van het Ob en artikel 5 en Pro bijlage III van de MER-richtlijn. [8] De tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie voldoet volgens het college wel aan die eisen. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aangevraagde wijzigingen m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, omdat de activiteiten vallen onder categorie L2 van bijlage V van het Ob (wijziging van een omgevingsvergunning MBA voor een installatie voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen). Het college heeft geconcludeerd dat in dit geval geen MER hoeft te worden gemaakt, omdat de aangevraagde wijzigingen geen aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
13.2
[eisers] heeft tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit, zoals dat is neergelegd in het bestreden besluit (hierna kortweg: het m.e.r.-beoordelingsbesluit), procedurele en inhoudelijke gronden aangevoerd. Deze bespreekt de rechtbank hierna afzonderlijk.
Procedurele gronden
14.1
[eisers] heeft aangevoerd dat het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit ten onrechte niet heeft onderkend dat de aangevraagde activiteiten ook m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn op grond van categorie F3 van bijlage V van het Ob, omdat binnen de inrichting van Groen Gas Goor sprake is van, kort gezegd, een geïntegreerde chemische installatie voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in bijlage I van het Bal. Dat is volgens [eisers] hetzelfde als een inrichting als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE.
Daarnaast voldoet de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie volgens [eisers] niet aan de eisen uit artikel 11.10 van het Ob en bijlage III van de MER-richtlijn en is onvoldoende inzicht gegeven in het aangevraagde project en de omvang, kenmerken en milieueffecten daarvan. Mede daardoor is volgens [eisers] ook het m.e.r.-beoordelingsbesluit onvoldoende inzichtelijk, onvolledig en onjuist.
14.2
De rechtbank overweegt dat in rechtsoverweging 8.4 van deze uitspraak al is geoordeeld dat bij Groen Gas Goor geen sprake is van een IPPC-installatie voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen, als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE. Hieruit volgt dat de rechtbank tevens van oordeel is dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de aangevraagde wijzigingen niet ook m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn op grond van categorie F3 van bijlage V van het Ob. Wat [eisers] hierover heeft aangevoerd slaagt niet.
14.3
Verder zijn in de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie de criteria uit artikel 11.10 van het Ob en bijlage III van de MER-richtlijn benoemd is daarop ingegaan. De rechtbank ziet daarom geen reden om te oordelen dat de m.e.r.-beoordelingsnotitie uit het bestreden besluit niet in stand kan blijven om de reden dat de daaraan ten grondslag liggende beoordelingsnotitie niet aan de daaraan gestelde eisen zou voldoen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke gronden
15.1
Inhoudelijk heeft [eisers], kort samengevat, aangevoerd dat in het m.e.r.-beoordelingsbesluit ten onrechte is uitgegaan van een capaciteit van de installatie van 36.000 ton per jaar, gelet op de hoeveelheid dierlijke meststoffen en cosubstraten die Groen Gas Goor feitelijk jaarlijks verwerkt. Ook staat volgens [eisers] in dat besluit ten onrechte dat er geen cumulatie is met andere projecten in de omgeving en is daarin niet gemotiveerd waarom de vergunde wijzigingen geen significante akoestische gevolgen zouden hebben, niet zouden leiden tot een grotere of andere geuremissie en geen andere luchtemissies zouden veroorzaken dan al zijn toegestaan. Verder is in het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet of onvoldoende geborgd dat de concentratie H₂S in het biogas onder de 1% blijft en ook op andere punten is de beoordeling van de risico’s van zware ongevallen en/of rampen in dat besluit onvolledig, onduidelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast zijn in het m.e.r.-beoordelingsbesluit de risico’s voor de menselijke gezondheid onvoldoende beoordeeld en gemotiveerd. [eisers] voert verder aan dat het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat de activiteiten van Groen Gas Goor binnen het omgevingsplan passen. Ook heeft het college zich in dat besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vergunde wijzigingen niet leiden tot een toename van stikstofemissies die significante gevolgen kan hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Verder is onduidelijk wat het college bedoelt met de vermelding dat het maatregelen heeft betrokken bij de toetsing of voor het project een MER moet worden gemaakt. Om deze redenen is het m.e.r.-beoordelingsbesluit volgens [eisers] in strijd met de artikelen 16.43 van de Ow en 11.11 van het Ob en is niet uitgesloten dat de vergunde wijzigingen aanzienlijke milieueffecten hebben. Daarom had voor die wijzigingen een MER moeten worden opgesteld.
15.2
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij het m.e.r.-beoordelingsbesluit gaat om een vergelijking van het bedrijf zoals dat is vergund enerzijds met de aangevraagde, beoogde situatie anderzijds. Daarbij heeft het college gekeken naar de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten van het aangevraagde project. Het heeft geconcludeerd dat de aangevraagde en vergunde wijzigingen geen invloed hebben op de verwerkingscapaciteit van de installatie zoals die in 2011 is vergund en niet leiden tot significante nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu.
15.3
De rechtbank stelt voorop dat het college beoordelingsruimte heeft bij het beantwoorden van de vraag of het aangevraagde project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Dit betekent dat de rechtbank beoordeelt of het college in dit geval heeft kunnen concluderen dat dit niet zo is. Daarbij is de rechtbank allereerst van oordeel dat het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit terecht de aangevraagde situatie heeft vergeleken met, en afgezet tegen de reeds vergunde situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit dan ook terecht uitgegaan van de vergunde verwerkingscapaciteit van de inrichting van Groen Gas Goor van maximaal 36.000 ton dierlijke meststoffen en cosubstraten per jaar. Dat is gebleken dat Groen Gas Goor in meerdere jaren meer dierlijke meststoffen en cosubstraten heeft verwerkt dan is toegestaan, staat los van de m.e.r.-beoordeling. Dat is een handhavingskwestie. Verder heeft het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit per aangevraagde wijziging beoordeeld welke gevolgen die heeft en geconcludeerd dat de wijzigingen geen (significante) gevolgen hebben, gelet op wat al was vergund. De vraag of het college heeft kunnen concluderen dat het aangevraagde project geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, hangt naar het oordeel van de rechtbank in grote mate af van de vraag of het college de mogelijke gevolgen van elke wijziging juist heeft beoordeeld. Als het college terecht heeft geconcludeerd dat elke individuele wijziging niet leidt tot een uitbreiding van de capaciteit van Groen Gas Goor of tot significante nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu, dan vindt er ook geen wijziging plaats in bijvoorbeeld de cumulatie van de gevolgen van de inrichting van Groen Gas Goor met de gevolgen van andere projecten in de omgeving. Als één of meerdere van de vergunde wijzigingen wel significante milieugevolgen (kunnen) hebben die het college niet heeft onderkend, dan zal het college die opnieuw moeten beoordelen en daarbij ook de (mogelijke) cumulatie met andere projecten in de omgeving moeten betrekken. Onder het kopje ‘Beoordeling van de wijzigingen’ gaat de rechtbank vanaf rechtsoverweging 17.1 per vergunde wijziging in op de vraag of het college heeft kunnen concluderen dat die geen significante gevolgen kan hebben.
15.4
Over het beroep van [eisers] op de norm uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (oud, nu neergelegd in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Ow (het verbod om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten)) overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat de woning van [eisers] op meerdere kilometers afstand ligt van Natura 2000-gebieden. De belangen van [eisers] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving zijn onvoldoende verweven met de belangen die de Wnb beoogde te beschermen en die artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Ow nu beschermt, dat kan worden geoordeeld dat die normen mede strekken tot bescherming van de belangen van [eisers]. Verder is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb met zich brengt dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van sectorale wetgeving, zoals natuurbeschermingsnormen, omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten behoeve van het betoog dat een MER moet worden gemaakt. [9] Het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb staat dan ook in de weg aan gegrondverklaring van het beroep van [eisers] op het punt van de vraag of het college terecht heeft geconcludeerd dat de vergunde wijzigingen geen significante gevolgen kunnen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De rechtbank zal het antwoord op die vraag daarom onbesproken laten.
15.5.1
De rechtbank stelt vast dat het perceel van Groen Gas Goor volgens het bestemmingsplan Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2017 (dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente) de bestemming ‘Bedrijventerrein’ heeft, met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’. Als gevolg hiervan is op het perceel een bedrijf toegestaan uit de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van de bij de bestemmingsplanregels behorende ‘Staat van bedrijven’. Het college heeft de activiteiten van Groen Gas Goor aangemerkt als de productie van energie uit de vergisting, verbranding en/of vergassing van biomassa, inclusief bijbehorende voorzieningen. Die activiteiten vallen volgens de ‘Staat van bedrijven’ in categorie 3.2.
15.5.2
[eisers] is van mening dat de inrichting van Groen Gas Goor niet in categorie 3.2 van de ‘Staat van bedrijven’ kan worden ingedeeld, omdat:
  • bij Groen Gas Goor ook sprake is van mestverwerking en van composteren;
  • Groen Gas Goor een Seveso-inrichting exploiteert, gelet op het H₂S-gehalte in het biogas; en
  • Groen Gas Goor een IPPC-installatie exploiteert voor het maken van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE.
Voor al deze activiteiten geldt volgens [eisers] dat die in een hogere categorie dan 3.2 vallen of niet in de ‘Staat van bedrijven’ worden genoemd en daarom volgens de bestemming van het perceel niet zijn toegestaan.
15.5.3
Gelet op de activiteiten waarvoor aan Groen Gas Goor vergunning is verleend, is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de inrichting binnen de geldende bestemming past. In de vergunning uit 2011 staat dat vergunning is verleend voor: “Het in werking hebben van een biomassa-installatie. De inrichting is bestemd voor het co-vergisten van een mengsel van dierlijke meststoffen en cosubstraten. Het vrijkomende biogas wordt verbrand in een gasmotor ten behoeve van het opwekken van elektriciteit en warmte. Het biogas kan ook worden opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit (groengas).” Het college heeft deze activiteiten kunnen aanmerken als de vergisting, verbranding en/of vergassing van mest of overige biomassa, die volgens de Staat van bedrijven in categorie 3.2 vallen. Wat [eisers] hiertegen heeft aangevoerd slaagt niet. Daarbij is van belang dat de rechtbank onder het kopje ‘Typering van de inrichting’ al heeft geoordeeld dat bij Groen Gas Goor geen sprake is van een Seveso-inrichting of van een IPPC-installatie voor het maken van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen, bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE. Dat bij Groen Gas Goor sprake is van mestverwerking en/of compostering, waarvoor aan Groen Gas Goor ook vergunning is verleend en als gevolg waarvan de inrichting in een hogere categorie dan 3.2 moet worden ingedeeld, heeft [eisers] niet aannemelijk gemaakt.
Conclusie over het m.e.r.-beoordelingsbesluit
16. In wat [eisers] in zijn algemeenheid heeft aangevoerd tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat dat niet in stand kan blijven. Het college heeft in dat besluit gekeken naar alle onderdelen die worden genoemd in artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.11 van het Ob. Zoals hiervoor aangegeven, is het antwoord op de vraag of het m.e.r.-beoordelingsbesluit in stand kan blijven echter mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of het college de mogelijke gevolgen van elke individuele wijziging juist heeft beoordeeld en heeft kunnen concluderen dat geen van de wijzigingen significante gevolgen voor de gezondheid en/of het milieu heeft. Op die vraag gaat de rechtbank hieronder in.
Beoordeling van de wijzigingen
1. Twee invoerbakken van 40 m³ in plaats van één van 80 m³
17.1
[eisers] heeft, kort samengevat, hierover aangevoerd dat de twee invoerbakken waarvoor nu vergunning is verleend in verbinding staan met minimaal drie (hoofd)vergisters, terwijl in de vergunning uit 2011 toestemming is verleend voor één invoerbak die in verbinding staat met twee (hoofd)vergisters. Door meer invoerbakken te realiseren en die op meer dan twee vergisters aan te sluiten, kunnen volgens [eisers] meer vaste mest en co-producten worden ingevoerd en vergist dan is vergund, wat feitelijk ook gebeurt. Kortom, door de vergunde wijziging verandert het bedrijfsproces en neemt de verwerkingscapaciteit toe. Volgens [eisers] is daarom in de bestreden omgevingsvergunning ten onrechte niet geborgd op hoeveel vergisters de invoerbakken maximaal mogen worden aangesloten. Verder wijzigt volgens [eisers] de overslag van vaste mest en cosubstraten door het toestaan van twee invoerbakken in plaats van één. Het college heeft de nadelige gevolgen daarvan onvoldoende onderzocht voor wat betreft de aspecten geur, geluid en het wijzigen van het aantal toevoerbewegingen. Ook heeft het college ten onrechte in de bestreden omgevingsvergunning geen voorschrift opgenomen met de verplichting om een invoerbak te sluiten zodra die is gevuld, ondanks dat het college in het bestreden besluit wel heeft gesteld dat zo’n voorschrift aan de vergunning zou worden verbonden.
17.2
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de twee invoerbakken niet leiden tot een uitbreiding van de capaciteit van de installatie, omdat de totale hoeveelheid te verwerken materialen is begrensd in de vergunning uit 2011 en die maximale hoeveelheid niet verandert. Daarbij heeft het college aangegeven dat de invoerbakken alleen worden gebruikt voor vaste cosubstraten. Verder blijft ook het aantal toevoerbewegingen bij het vullen van de bakken gelijk ten opzichte van de vergunde situatie. Ook blijft het totale oppervlak van de invoerbak(ken) gelijk. Het feit dat nu tussen de twee invoerbakken
15 meter afstand zit, heeft volgens het college geen significante invloed op de geuremissie. Zodra een invoerbak gevuld is, kan die worden gesloten, wat ten opzichte van de vergunde situatie het emitterend oppervlak halveert. De invoerbakken zijn elektrisch aangedreven en het totaal aantal draaiuren blijft gelijk.
17.3
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de vergunde wijziging van de invoerbak geen significante nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu heeft. De rechtbank volgt die motivering. Ook acht de rechtbank van belang dat het college ter zitting heeft verklaard dat elke invoerbak één vergister mag voeden. Dat de tweede invoerbak op twee vergisters is aangesloten, betekent dus niet dat de aansluiting op de derde vergister mag worden gebruikt. Mede gelet hierop, is niet gebleken dat het vergunnen van twee invoerbakken in plaats van één gevolgen heeft voor de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie van Groen Gas Goor. Dat het college geen voorschrift heeft opgenomen over het sluiten van een invoerbak zodra die is gevuld, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet in stand kan blijven. Als een feeder niet wordt gevuld (bijvoorbeeld omdat die vol is), kan die worden afgedekt. Dat staat in de toelichting op de aanvraag, die onderdeel is van de bestreden omgevingsvergunning, en in het bestreden besluit. Daarmee is dit punt naar het oordeel van de rechtbank voldoende geregeld. Wat [eisers] heeft aangevoerd tegen het toestaan van twee invoerbakken in plaats van één slaagt niet.
2. Wijziging van de opslag van vaste cosubstraten
18.1
Hierover heeft [eisers], kort samengevat, aangevoerd dat onduidelijk is of de vergunning voor deze wijziging alleen betrekking heeft op de opslag van vaste cosubstraten of ook op de opslag van vaste mest. Volgens [eisers] zijn in de vergunningen uit 2011 en 2017 twee sleufsilo’s / opslagbunkers vergund met een gezamenlijke inhoud van 520 m³ dan wel 540 m³, waarvan de ene is vergund voor de opslag van vaste mest en de andere voor de opslag van vaste cosubstraten. De opslag van deze stoffen moet op grond van de vergunning uit 2011 altijd zijn afgedekt van de buitenlucht. Feitelijk is volgens [eisers] één opslagbunker gerealiseerd met een totale oppervlakte van 512,5 m², een hoogte van 7,3 m en dus een inhoud van 3.741 m³. Uit controles blijkt dat deze opslagbunker volop wordt gebruikt voor de opslag van in ieder geval vaste cosubstraten. De feitelijke situatie wijkt erg af van de in 2011 vergunde situatie en leidt tot een grotere geuremissie dan de opslag conform de vergunning uit 2011. Volgens [eisers] wordt met de bestreden omgevingsvergunning beoogd om deze andere wijze van opslag van in ieder geval vaste cosubstraten te legaliseren, maar zijn daarin de oppervlakte, omvang/inhoud en afdekking van de opslag niet geborgd. Daardoor staat in het bestreden besluit ten onrechte dat de opslagcapaciteit van cosubstraten en vaste mest niet verandert en kan niet worden gezegd dat deze vergunde wijziging geen significante nadelige gevolgen voor de gezondheid en/of het milieu heeft. Daarbij is volgens [eisers] ook van belang dat de zijkanten en de overheaddeur van de opslaghal bestaan uit een doek dat niet zorgt voor een luchtdichte afdekking van de cosubstraten. Daarnaast is de opslaghal ook op andere punten niet luchtdicht, terwijl de opslag niet luchtdicht is afgedekt, zoals in de in 2011 vergunde situatie wel het geval zou zijn. Hierdoor ontstaat meer geuremissie dan in de eerder vergunde situatie en ook kan daardoor compostering van de opgeslagen vaste cosubstraten (en vaste mest) plaatsvinden. Volgens [eisers] heeft het college de gevolgen van de wijziging in de opslag van vaste cosubstraten (en vaste mest) ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt in een geurrapport.
18.2
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de duur van de geuremissie in de gewijzigde situatie wordt beperkt ten opzichte van de eerder vergunde situatie. De overkapping is volgens het college (lucht)dicht uitgevoerd en fungeert als afdichting naar de buitenlucht. Na het verladen of uithalen van de co-producten is de hal sneller gesloten. Verder stelt het college dat de doorzet vanwege de beperkte hoeveelheid van de opslag hoog is en dat dat voorkomt dat co-producten in de hal biologisch worden afgebroken of composteren. Volgens het college wijzigt de totale hoeveelheid aanwezige co-producten als gevolg van de vergunde wijziging niet ten opzichte van de eerder vergunde situatie, omdat dat niet is toegestaan. Niet de totale oppervlakte en hoogte van de hal mogen worden benut. Als dat wel gebeurt, is dat volgens het college een handhavingskwestie. Ter zitting hebben zowel het college als Groen Gas Goor verklaard dat volgens de vergunning uit 2011 in één van de sleufsilo’s vaste mest mag worden opgeslagen, maar dat de sleufsilo’s in de praktijk alleen worden gebruikt voor de opslag van vaste cosubstraten.
18.3
De rechtbank leidt uit de stukken en wat ter zitting is besproken af, dat de opslaghal waarvoor in de bestreden omgevingsvergunning toestemming is verleend een aanzienlijk grotere opslagcapaciteit biedt voor cosubstraten (en vaste mest) dan in de vergunning uit 2011 of 2017 was toegestaan, en dat deze capaciteit in de voorliggende omgevingsvergunning niet kwantitatief is begrensd. Dat op de wanden van de hal op twee meter hoog een lijn is getekend, is daarvoor onvoldoende, al is het maar omdat het oppervlak voor de opslag niet wordt beperkt. Feitelijk kan dan ook in de opslaghal meer opslag plaatsvinden, zonder dat duidelijk is of het college daartegen kan optreden en, zo ja, hoe. Ook heeft het college geen bewijs geleverd voor zijn stelling dat het doek van de opslaghal lucht- of geurdicht is, terwijl [eisers] daar in bezwaar al vraagtekens bij heeft gezet. Verder bevat de bestreden omgevingsvergunning over deze afsluiting geen vergunningvoorschrift. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gevolgen van de wijziging van deze opslag dan ook onvoldoende zorgvuldig beoordeeld en onvoldoende gemotiveerd dat deze wijziging geen significante nadelige gevolgen voor de gezondheid en/of het milieu heeft. Het beroep is op dit punt gegrond. Op de vraag welke gevolgen hieraan worden verbonden gaat de rechtbank verderop in deze uitspraak in.
3. De opslag van de dunne fractie van het digestaat in een permanente mestzak
19.1
[eisers] heeft hierover aangevoerd dat het opslaan van de dunne fractie in een mestzak, in plaats van in na-opslagtanks, negatieve gevolgen heeft voor de emissie van geur en ammoniak, omdat de mestzak drie ontluchtingspijpen heeft, op een lagere hoogte dan de na-opslagtanks hadden. Hierdoor kan de verdringingslucht op een lagere hoogte weg dan bij de eerder vergunde na-opslagtanks het geval was en dat kan nadelige gevolgen hebben. Verder wordt volgens [eisers], door de opslag van de dunne fractie in een mestzak te vergunnen, afgeweken van het geurrapport dat is opgesteld ten behoeve van de vergunning uit 2011 en ook wordt daardoor niet voldaan aan de voorschriften 8.1, 8.2, 8.3 en 8.6 van die vergunning. Daarnaast heeft het opslaan van de dunne fractie in een mestzak gevolgen voor de akoestische situatie. Volgens [eisers] heeft het college deze aspecten ten onrechte niet of onvoldoende beoordeeld in het bestreden besluit.
19.2
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat van deze wijziging geen significante effecten voor de omgeving zijn te verwachten, omdat de omvang van de totale opslag van de dunne fractie kleiner is dan eerder was vergund en er, anders dan bij een silo, geen sprake is van verdringingslucht bij het vullen van de opslagvoorziening.
19.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het permanent toestaan van de mestzak, in plaats van de eerder vergunde mestsilo’s, niet leidt tot significante nadelige gevolgen voor de omgeving. In wat [eisers] daartegen aanvoert, ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat de motivering van het college niet kan worden gevolgd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat in de toelichting bij de aanvraag staat dat de eerder vergunde mestopslagen waren voorzien van een niet-gasdicht uitgevoerde spankap, waarbij de verdringingslucht naar buiten zou worden geëmitteerd. Ook staat in die toelichting dat, met uitzondering van de ontluchtingsopeningen voor het voorkomen van het ophopen van gas (overdrukbeveiliging), de mestzak geheel is gesloten. Voor zover [eisers] heeft betoogd dat dit onjuist is, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Wat [eisers] op dit onderdeel heeft aangevoerd slaagt niet.
4. De wijziging van de opstelplaats van de ontzwavelingsinstallatie
20.1
[eisers] heeft aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop de ontzwaveling plaatsvindt, omdat de vergunningen uit 2011 en 2017, de toelichting op de vergunningaanvraag van 24 april 2024 en het bestreden daarover allemaal iets anders zeggen. Daardoor is onduidelijk wat nu precies is aangevraagd en vergund met betrekking tot de locatie van de ontzwavelingsinstallatie en in welk opzicht daarbij wordt afgeweken van de vergunning uit 2011. Volgens [eisers] heeft het college de gevolgen van deze vergunde wijziging - voor onder andere de emissie van geur en ammoniak - ten onrechte niet onderzocht. Ook is niet inzichtelijk gemaakt en beoordeeld welke gevolgen het niet meer toepassen van biologische ontzwaveling en het toevoegen van ijzerwater in de vergisters hebben voor onder meer de emissies van geur en ammoniak.
20.2
Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat het biogas met twee actieve koolfilters nogmaals wordt ontzwaveld, voordat het naar het gasopwaardeerstation, de boiler of de WKK wordt geleid. Deze koolstoffilters staan buiten. Volgens het college betreft het een gesloten installatie zonder bewegende delen, zijn er geen directe emissies naar de lucht, komen er geen geuren vrij bij het proces en produceert de installatie geen geluid.
20.3
De rechtbank ziet geen reden om de motivering van het college niet te volgen. [eisers] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die motivering onjuist is. Gelet hierop valt niet in te zien waarom de wijziging van de opstelplaats van de ontzwavelingsinstallatie significante nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu zou hebben.
5. De wijziging van de opstelplaats van het gasopwaardeerstation
21.1
Volgens [eisers] zijn in het bestreden besluit de gevolgen van de gewijzigde locatie van het gasopwaardeerstation niet beoordeeld. Daarnaast is niet aangegeven of ook bouwkundige aanpassingen zijn gedaan aan de ruimte waarin het gasopwaardeerstation staat. Daarom kan volgens [eisers] zonder akoestisch rapport niet worden gezegd dat deze vergunde wijziging geen significante gevolgen voor het milieu heeft. Verder stelt [eisers] dat niet duidelijk is op welke wijze de emissie van de gasopwaardeerinstallatie plaatsvindt.
21.2
Volgens het college gaat het bij deze wijziging alleen om een kleine verandering van de positionering van het gasopwaardeerstation binnen de ruimte waarin die al was voorzien. Voor het overige leidt deze wijziging volgens het college niet tot veranderingen ten opzichte van de eerder vergunde situatie. De wijziging leidt daarom niet tot significante milieugevolgen.
21.3
De rechtbank ziet in wat [eisers] hiertegen heeft aangevoerd geen aanwijzingen om te oordelen dat de conclusie van het college niet kan worden gevolgd. Wat [eisers] heeft aangevoerd slaagt niet.
6. De wijziging van de opstelplaats van de mestscheidingsinstallatie
22.1
[eisers] heeft aangevoerd dat onduidelijk is waar de mestscheidingsinstallatie voorheen stond en waar die nu staat of komt te staan. Volgens het bestreden besluit zou de installatie in een afzonderlijke ruimte voor mestscheiding worden geplaatst, maar op grond van de vergunning uit 2017 moeten in die ruimte ook de containers voor de opslag van de dikke fractie staan, aldus [eisers]. Die containers staan echter niet op de plattegrond bij de aanvraag van 24 april 2024 en er kan daarom niet een hele ruimte voor de mestscheiding worden vergund. Verder zijn de gevolgen hiervan ook niet onderzocht. [eisers] wijst erop dat het college in het bestreden besluit bij de beoordeling van deze wijziging heeft aangegeven dat de lucht van de ruimte voor de opslag van de vaste fractie wordt gereinigd en dat de lucht afkomstig van de mestscheidingsinstallatie wordt gereinigd in een gaswasser. Volgens [eisers] is dit echter nergens vastgelegd en is een dergelijke gaswasser (of luchtwasser) ook nooit eerder aangevraagd, vergund of verplicht gesteld. Ook zijn er nooit voorschriften vastgesteld voor (de goede werking van) een luchtwasser. Het college had daarom voorafgaand aan het verlenen van de bestreden omgevingsvergunning of voorafgaand aan het bestreden besluit bij Groen Gas Goor stukken moeten opvragen over de luchtwasser (onder meer over welk type het is en wat de dimensionering en werking ervan is). Verder zijn er aanwijzingen dat de bestaande luchtwasser niet of niet goed werkt. Ten onrechte is hiermee in het bestreden besluit geen rekening gehouden en het college is er ten onrechte van uitgegaan dat de lucht uit de betreffende ruimte en afkomstig van de mestscheidingsinstallatie wordt gereinigd door een gas- of luchtwasser. Het college heeft dan ook de gevolgen van deze wijziging voor de geursituatie niet goed beoordeeld. Daarnaast is volgens [eisers] van belang dat Groen Gas Goor een andere mestscheidings-installatie heeft gerealiseerd dan in de vergunning uit 2011 is vergund. De bestreden omgevingsvergunning sluit daarom niet aan bij de feitelijke mestscheidingsinstallatie en de milieugevolgen daarvan zijn niet voldoende onderzocht.
22.2
Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de locatie van de mestscheidingsinstallatie alleen inpandig is gewijzigd. In de eerder vergunde situatie was deze boven de opslag van de vaste fractie voorzien en nu is deze in een aparte ruimte binnen het hoofdgebouw geplaatst. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat voorschriften over de luchtwasser worden meegenomen bij de verlening van de aangevraagde revisievergunning. Feitelijk wordt de lucht nu gereinigd in de wasser en met de bestreden omgevingsvergunning is niet beoogd om daarin wijziging aan te brengen. Verder heeft het college in het verweerschrift aangegeven dat in de bestreden omgevingsvergunning alleen een andere locatie van de mestscheidingsinstallatie is vergund en niet (ook) een andere mestscheidingsinstallatie.
22.3
De rechtbank overweegt dat de aanvraag van Groen Gas Goor van 24 april 2024 alleen betrekking heeft op de wijziging van de locatie van de mestscheidingsinstallatie en niet ook op de luchtwasser of op een andere mestscheidingsinstallatie. In de bestreden omgevingsvergunning is dan ook alleen daarvoor vergunning verleend. De vraag of voor de luchtwasser een vergunning is verleend en of de wassing deugdelijk plaatsvindt, staat daar los van en betreft een handhavingskwestie. De rechtbank ziet in wat [eisers] heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat van alleen de wijziging van de locatie van de mestscheidingsinstallatie significante milieugevolgen zijn te verwachten.
7. De uitbreiding van de omvang van de gasopslag boven de silo’s
23.1
Volgens [eisers] is in de vergunning uit 2011 toestemming verleend voor drie vergisters (2 hoofdvergisters en 1 navergister) en daarmee ook voor drie gasdaken. Nu is volgens [eisers] in de bestreden omgevingsvergunning toestemming verleend voor vijf gasdaken, terwijl er geen vijf vergisters aanwezig mogen zijn. Een gasdak kan echter niet los worden gezien van de vergisting die daaronder plaatsvindt in de betreffende silo/tank. Het lijkt er daarom op dat het college niet precies weet wat het nu vergunt. Daarbij stelt [eisers] dat Groen Gas Goor al jarenlang twee extra vergisters in werking heeft, waarvoor geen vergunning is verleend. Uit de toelichting op de aanvraag (die onderdeel is van de bestreden omgevingsvergunning) blijkt volgens [eisers] dat Groen Gas Goor die twee extra vergisters wil behouden en ook acht hij van belang dat de twee invoerbakken zijn aangesloten op drie hoofdvergisters. Daardoor is geen sprake meer van twee hoofdvergisters en één navergister, maar lijkt het erop dat alle drie de vergisters als hoofdvergister kunnen worden gebruikt. Dat is in strijd met de vergunning uit 2011. Ook hieruit volgt volgens [eisers] dat het college, door twee extra gasdaken toe te staan, feitelijk twee extra (na)vergisters toestaat. Hierdoor faciliteert het college feitelijk het verwerken van meer hoeveelheden mest en cosubstraten dan volgens de vergunning uit 2011 is toegestaan, zoals Groen Gas Goor in de afgelopen jaren vaker heeft gedaan. Daarnaast kunnen niet twee extra vergisters zijn vergund, omdat daarvoor ook andere wijzigingen in het bedrijfsproces van Groen Gas Goor nodig zouden zijn en er extra voorschriften in de vergunning zouden moeten worden opgenomen. Verder stelt [eisers] dat, als niet twee extra vergisters worden vergund, er ook geen reden is om twee extra gasdaken te vergunnen. [eisers] heeft verder betoogd dat, gelet op de hoogte en diameter van de vergisters, het college met de bestreden omgevingsvergunning feitelijk een grotere biogasopslag heeft vergund dan is aangevraagd en in het bestreden besluit is aangegeven. Door de nu vergunde wijziging wordt namelijk de in 2011 vergunde hoeveelheid van maximaal 1.253 m³ per vergister overschreden. Daarnaast worden nu dus ook nog eens twee extra gasopslagen toegestaan en ook heeft het college geen rekening gehouden met de dichtheid van het gas. Volgens [eisers] heeft het college miskend dat hierdoor de veiligheidsrisico’s toenemen. Ook had het college in het bestreden besluit beter moeten borgen dat het H₂S-gehalte in het biogas onder de 1% blijft.
23.2
Ter zitting heeft het college aangevoerd dat het aantal toegestane gasdaken in de vergunning uit 2017 is uitgebreid ten opzichte van de vergunning uit 2011 en dat met de onderhavige wijziging geen sprake is van uitbreiding van het aantal vergunde gasdaken. Verder heeft het college zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het feit dat er op een silo een gasdak is geplaatst, niet betekent dat onder dat dak ook vergisting plaatsvindt. Volgens het college voorziet de vergunde wijziging daarom niet tevens in een uitbreiding van het aantal toegestane vergisters. De bestreden omgevingsvergunning voorziet alleen in de totale opslag van de hoeveelheid biogas in de inrichting, doordat het biogas in de praktijk niet beperkt is tot de opslag in de gasdaken, maar zich ook bevindt tussen de inhoud van de vergisters en de gasdaken. De toegestane hoeveelheid biogas is daarom uitgebreid tot 6.265 m³ (5 x 1.253 m³). Daarbij is volgens het college geen sprake van een wijziging van het bedrijfsproces of de toegestane verwerkingscapaciteit. Ook heeft het college erop gewezen dat geen sprake is van een Seveso-inrichting, dat het H₂S-gehalte in het biogas in de vergunning uit 2011 is begrensd tot 1% en dat dat bij normale bedrijfsomstandigheden eerder 0,2% zal bedragen. De situatie qua externe veiligheid verandert volgens het college niet.
23.3
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt de rechtbank dat de bestreden omgevingsvergunning ziet op de hoeveelheid biogas die in het systeem aanwezig is. De omvang van de gasopslag wijzigt door de omgevingsvergunning niet. Daarin wordt alleen erkend dat in de vergisters ook biogas aanwezig is, die door de vergisting op weg is naar de daken, die in de voorheen vergunde situatie ook aanwezig waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat deze vergunde wijziging geen significante milieugevolgen heeft. Wat [eisers] daartegen heeft aangevoerd slaagt niet.
Conclusie over de beoordeling van de individuele wijzigingen
24. Uit het voorgaande volgt dat het college de gevolgen van de wijziging van de opslag van de vaste cosubstraten onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld en onvoldoende heeft gemotiveerd dat die wijziging geen significante nadelige gevolgen voor de gezondheid en/of het milieu heeft. Het beroep is op dat punt gegrond. Dit betekent dat ook het m.e.r.-beoordelingsbesluit op dit onderdeel onvoldoende is gemotiveerd en niet in stand kan blijven. Wat [eisers] heeft aangevoerd tegen de andere wijzigingen waarvoor vergunning is verleend slaagt niet.
De gewijzigde vergunningvoorschriften
25.1
[eisers] heeft aangevoerd dat de voorschriften 1.1, 8.1 en 8.6 van de bestreden omgevingsvergunning, zoals die in het bestreden besluit zijn geformuleerd, niet in stand kunnen blijven, omdat onvoldoende duidelijk is op welke stukken die precies betrekking hebben. Hierdoor is volgens [eisers] niet duidelijk wat nu precies is vergund en in welke omvang mag worden afgeweken van de geursituatie, zoals die is vastgesteld in het geurrapport dat hoort bij de vergunning uit 2011. Ook ontbreekt ten onrechte een geurrapport voor de situatie waarvoor met de bestreden omgevingsvergunning toestemming is verleend. In voorschrift 8.6 moet volgens [eisers] worden voorgeschreven dat binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de bestreden omgevingsvergunning een geurmeting op de voorgeschreven wijze moet worden uitgevoerd en dat dat rapport moet worden ingediend bij het college, niet bij B en W.
25.2
Voorschrift 1.1 luidt als volgt:
‘Het aanvraagformulier voor deze vergunning en de daarbij behorende als zodanig gewaarmerkte tekeningen en overige bijlagen maken deel uit van de vergunning. Nieuwe tekeningen, gegevens en andere bescheiden uit de op 24 april 2024 aangevraagde vergunning, die strijdigheid opleveren met de oorspronkelijke vergunning treden in plaats van (onderdelen van) de oorspronkelijke aanvraag, tekeningen en/of rapporten.’
Voorschrift 8.1 luidt als volgt:
‘De geuremissie- en -immissiesituatie moet voldoen aan de geursituatie zoals vastgesteld in het geurrapport “Geuronderzoek” (d.d. 3 maart 2011, rapportnummer DVE.Goo.10.GO 8.1a-05, van SCM Milieu BV), welke onderdeel uitmaakt van de aanvraag d.d. 3 september 2010. Nieuwe tekeningen en andere bescheiden uit de op 24 april 2024 aangevraagde vergunning, die strijdigheid opleveren met de oorspronkelijke vergunning treden in plaats van (onderdelen van) het geurrapport van de oorspronkelijke aanvraag, tekeningen en/of rapporten. De immissiesituatie mag zich niet wijzigen.’
Voorschrift 8.6 luidt als volgt:
‘Binnen zes maanden na ingebruikname van de inrichting rapporteert vergunninghouder aan het college van burgemeester en wethouders omtrent de werkelijke geuremissies. Het onderzoek moet overeenkomstig bij de aanvraag ingediende onderzoek (Geuronderzoek, SCM Milieu BV, kenmerk DVE.Goo.10.GO 8.1a-05, d.d. 3 maart 2011) worden uitgevoerd. Tekeningen en andere bescheiden uit de op 24 april 2024 aangevraagde vergunning, die strijdigheid opleveren met de oorspronkelijke vergunning treden in plaats van (onderdelen van) het geurrapport uit de oorspronkelijke aanvraag, tekeningen en/of rapporten. De metingen vinden plaats onder representatieve bedrijfscondities. Hierbij moeten de meetpunten uitgevoerd zijn overeenkomstig NEN-EN 15259. Het onderzoek moet door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden.’
25.3
De rechtbank is van oordeel dat inderdaad onduidelijk is welke documenten in de voorschriften 1.1, 8.1 en 8.6. precies worden bedoeld in de zinsnede ‘Nieuwe tekeningen en andere bescheiden uit de op 24 april 2024 aangevraagde vergunning, die strijdigheid opleveren met de oorspronkelijke vergunning (…)’. Ter zitting kon het college hierover geen duidelijkheid geven en het college heeft verklaard dat er geen lijst of overzicht is van documenten die voorgaan boven andere documenten in geval van strijdigheid. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de voorschriften 1.1, 8.1 en 8.6 in strijd zijn met de vereiste rechtszekerheid en daarom niet in stand kunnen blijven. Het beroep van [eisers] is op dit punt gegrond.
26.1
[eisers] heeft verder aangevoerd dat het gewijzigde voorschrift 10.18 niet volstaat, omdat, kort gezegd, in de bestreden omgevingsvergunning beter moet worden geborgd dat het H₂S-gehalte in het biogas onder de 1% blijft en op welke wijze dat wordt gemeten en geregistreerd. Volgens [eisers] is voorschrift 10.18 nu onvoldoende handhaafbaar.
26.2
Dit volgt de rechtbank niet. Voorschrift 10.18, zoals dat in het bestreden besluit is geformuleerd, is voldoende duidelijk en uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het H₂S-gehalte in het biogas binnen de inrichting van Groen Gas Goor continu kan worden gemeten.
Overige beroepsgronden van [eisers]
27.1
[eisers] heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit om meerdere redenen onzorgvuldig is voorbereid en genomen. Daarnaast is volgens [eisers] voor enkele van de vergunde wijzigingen ook een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en wellicht ook een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Verder stelt [eisers] dat het college in dit geval ten onrechte geen toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) heeft uitgevoerd.
27.2
Deze gronden slagen niet. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit (verder) moet worden vernietigd vanwege de enkele stelling van [eisers] dat daarin geen volledig overzicht van de geldende milieutoestemmingen staat of omdat een overweging onder het kopje ‘Procedure en participatie’ niet juist zou zijn. Ook ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat, zoals [eisers] heeft gesteld, het college de gemeente Hof van Twente op onjuiste wijze om advies zou hebben gevraagd. Dat Groen Gas Goor voor enkele van de vergunde wijzigingen eventueel ook andere omgevingsvergunningen nodig heeft, wat daar ook van zij, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college op grond van de ‘Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel houdende regels voor toepassing van de Wet Bibob’ [10] in dit geval heeft kunnen afzien van het uitvoeren van een Bibob-toets.

Het beroep van Groen Gas Goor

28.1
Groen Gas Goor heeft in beroep allereerst aangevoerd dat er enkele onjuistheden in het bestreden besluit staan. Volgens Groen Gas Goor stelt het college daarin namelijk ten onrechte dat de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie een nieuwe aanmeldnotitie voor de m.e.r.-beoordelingsplicht is. Volgens Groen Gas Goor is dat geen nieuwe aanmeldnotitie, maar een nadere aanvulling op en verduidelijking van de eerder ingediende stukken voor de m.e.r.-beoordeling. Ook stelt het college volgens Groen Gas Goor in het bestreden besluit ten onrechte dat het aantal gasdaken ten opzichte van de eerder vergunde situatie toeneemt. Verder staat in het bestreden besluit ten onrechte dat het college op 26 juli 2024 heeft besloten op de aanvraag van 24 april 2024. Dat moet 25 juli 2024 zijn. Groen Gas Goor wil dat het bestreden besluit op deze punten wordt aangepast.
28.2
Deze beroepsgronden slagen niet. Dat het college in het bestreden besluit heeft gesteld dat op 26 juli 2024 is besloten om de bestreden omgevingsvergunning te verlenen, merkt de rechtbank aan als een kennelijke verschrijving, die niet tot gegrondverklaring van het beroep leidt. Verder acht de rechtbank het niet van belang of de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie moet worden aangemerkt als een geheel nieuwe notitie of als een aanvulling op eerder ingediende stukken. Duidelijk is dat de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie is ingediend, omdat de eerste m.e.r.-beoordelingsnotitie niet voldeed en dat het college op basis van de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie in het bestreden besluit het nieuwe m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft genomen. Overigens heeft het college op pagina 6 van het bestreden besluit de tweede m.e.r.-beoordelingsnotitie wel degelijk aangeduid als een nadere motivering van de eerder ingediende stukken.
29.1
Ten slotte heeft Groen Gas Goor aangevoerd dat het gewijzigde voorschrift 4.14 van de bestreden omgevingsvergunning niet in stand kan blijven, omdat daarin ten onrechte is bepaald dat binnen de inrichting ‘niet meer dan 1.000 m³’ aan afvalstoffen van buiten de inrichting aanwezig mag zijn.
29.2
Het college heeft in verweer erkend dat het gewijzigde voorschrift 4.14 van de bestreden omgevingsvergunning onjuist is geformuleerd, omdat bedoeld is om vast te leggen dat binnen de inrichting altijd ‘minder dan 1.000 m³’ aan afvalstoffen van buiten de inrichting aanwezig mag zijn. Het college heeft de rechtbank gevraagd om op dit punt zelf in de zaak te voorzien en voorschrift 4.14 aan te passen op de door het college bedoelde wijze.
29.3
Uit de erkenning van het college dat het huidige voorschrift 4.14 onjuist is geformuleerd en moet worden aangepast, volgt dat het beroep van Groen Gas Goor op dit punt gegrond is. De rechtbank ziet echter geen reden om zelf in de zaak te voorzien, gelet op wat hierna, onder ‘Conclusie en gevolgen’ wordt overwogen.

Conclusie en gevolgen

30.1
Beide beroepen zijn gegrond.
Het beroep van [eisers] is gegrond vanwege de onjuiste of onvolledige beoordeling van de vergunde wijziging van de opslag van de vaste cosubstraten. Ook is het beroep van [eisers] gegrond, omdat de formulering van de voorschriften 1.1, 8.1 en 8.6, zoals die zijn gewijzigd in het bestreden besluit, onvoldoende duidelijk is.
Het beroep van Groen Gas Goor is gegrond vanwege de onjuiste formulering van voorschrift 4.14 in het bestreden besluit.
De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Omdat er meerdere procedures van of tussen [eisers] en Groen Gas Goor bij het college lopen, die overlap hebben met de onderhavige procedure, ziet de rechtbank geen reden om in dit geval een bestuurlijke lus toe te passen of, zoals het college heeft gevraagd over het aanpassen van voorschrift 4.14, zelf in de zaak te voorzien. Het college moet opnieuw op het bezwaar van [eisers] beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal het college ook voorschrift 4.14 moeten aanpassen op de door het college (en door Groen Gas Goor) voorgestane wijze. Ook kan het college in het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [eisers] de stand van zaken in de overige lopende procedures van/tussen Groen Gas Goor en [eisers] betrekken.
30.2
Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen [eisers] en Groen Gas Goor het door hen betaalde griffierecht terug. Het college moet dat betalen. Ook moet het college aan [eisers] en Groen Gas Goor een proceskostenvergoeding betalen. De hoogte van die vergoedingen stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast.
De proceskosten van [eisers] bestaan allereerst uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding hiervoor stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934,-; wegingsfactor 1). Voor het vaststellen van wegingsfactor 2, zoals [eisers] heeft gevraagd, ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarvoor is de zaak niet complex genoeg en ook de aard van de zaak (relatief kleine wijzigingen van een al bestaande inrichting) brengt niet mee dat die als zeer zwaar moet worden aangemerkt. De zaak is wel omvangrijk, maar dat komt mede door het grote aantal gronden dat [eisers] heeft aangevoerd. Dat vormt voor de rechtbank geen reden om in dit geval wegingsfactor 2 toe te passen.
Verder heeft [eisers] gevraagd om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van deskundige [naam 1]. De kosten daarvoor bedragen volgens de overgelegde specificatie € 3.700,42. Deze kosten komen de rechtbank redelijk voor en komen daarom ook voor vergoeding in aanmerking. Op basis hiervan stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding voor [eisers] vast op € 5.568,42.
De proceskosten van Groen Gas Goor bestaan ook uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en deskundigenkosten. De vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank voor Groen Gas Goor ook vast op € 1.868,-. De deskundigenkosten van Groen Gas Goor bedragen volgens de overgelegde specificatie € 2.220,98. Deze kosten komen de rechtbank redelijk voor en komen daarom ook voor vergoeding in aanmerking. Op basis hiervan stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding voor Groen Gas Goor vast op € 4.088,98.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen van Groen Gas Goor en [eisers] gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 28 november 2024;
  • draagt het college op om opnieuw op het bezwaar van [eisers] te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college aan [eisers] het griffierecht van € 194,- en aan Groen Gas Goor het griffierecht van € 385,- moet vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van € 5.568,42;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van Groen Gas Goor tot een bedrag van € 4.088,98.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, en mr. E.C. Rozeboom en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de voorzitter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking).
2.Zaaknummers ZWO 21/1034, ZWO 21/2165 en ZWO 22/356.
4.ECLI:NL:RBGEL:2025:4999, rechtsoverweging 44.
5.In deze uitspraak van de Afdeling ging het om een “geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen”, als bedoeld in categorie 21.6, aanhef en onder c, van de onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De rechtbank gaat ervan uit dat de in de uitspraak van 27 juli 2022 neergelegde criteria ook van toepassing zijn bij de beoordeling of sprake is van een installatie voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen als bedoeld in categorie 4.3 van bijlage I van de RIE.
7.Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad.
8.Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
9.Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, rechtsoverweging 10.87.
10.Gepubliceerd in het Provinciaal blad van 2 februari 2024, nr. 1461.