3.5.Bij brief van 15 november 2024 heeft Ieder1 de huurovereenkomst voor de woning onder verwijzing naar artikel 231, tweede lid, van het zevende boek van het Burgerlijk Wetboek buitengerechtelijk ontbonden. Naar aanleiding daarvan heeft Ieder1 een kort geding tot ontruiming aanhangig gemaakt bij de rechtbank. In een vonnis van 16 april 2025 heeft de civiele voorzieningenrechter [eiseres] veroordeeld om de woning binnen veertien dagen te ontruimen. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. In een arrest in kort geding van 5 augustus 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd voor zover het betreft de veroordeling om de woning binnen veertien dagen te ontruimen en [eiseres] veroordeeld om de woning binnen vier maanden na betekening van het arrest te ontruimen. [eiseres] heeft geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest, waardoor dit onherroepelijk is geworden. [eiseres] heeft de buitengerechtelijke ontbinding niet bestreden in een civiele bodemprocedure. Het arrest heeft ertoe geleid dat [eiseres] de woning uiterlijk op 6 januari 2026 moest ontruimen.
Heeft [eiseres] nog een procesbelang?
4. De rechtbank volgt de burgemeester niet in het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat [eiseres] geen procesbelang meer heeft. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] , ondanks het feit dat de feitelijke sluiting van de woning inmiddels is beëindigd, nog steeds belang heeft bij een uitspraak op haar beroep. Daartoe overweegt zij dat [eiseres] en haar kinderen als gevolg van de sluiting niet in de woning hebben kunnen verblijven en dat [eiseres] heeft gesteld en tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden.Daarnaast is het oordeel van de bestuursrechter in deze beroepsprocedure mogelijk van belang voor een in de toekomst te starten civiele procedure.
Is Ieder1 terecht aangemerkt als derde-partij?
5. De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat Ieder1 ten onrechte in de gelegenheid is gesteld om als derde-partij deel te nemen aan de bezwaar- en beroepsprocedure. Ieder1 is als eigenaar en verhuurder van de woning belanghebbende bij het besluit tot sluiting van deze woning. Het belang van Ieder1 is tegengesteld aan het belang van [eiseres] en dit belang is niet vervallen doordat de sluiting inmiddels is beëindigd.
Is het bestreden besluit gemotiveerd?
6. [eiseres] voert aan dat het bestreden besluit, behoudens een verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie, geen motivering of grondslag kent. Voor zover zij heeft beoogd te stellen dat het besluit reeds om die reden onvoldoende is gemotiveerd, slaagt dit betoog niet. De burgemeester heeft ter motivering van het bestreden besluit volstaan met een verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie. Dit advies is uitgebracht met het oog op het nemen van dat besluit en het bevat zelf de motivering. Ook is het advies bekend gemaakt aan de partijen. Hieruit volgt dat de burgemeester heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Was de burgermeester bevoegd om de woning te sluiten?
7. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Op grond van deze bepaling is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning een middel als bedoeld in lijst I of II, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning 500 ml GHB, 39,39 gram wiet/hasj en 4 gram 3-MMC is aangetroffen. GHB en 3-MMC zijn harddrugs die staan op lijst I van de Opiumwet en hasjiesj/hennep zijn softdrugs die staan op lijst II van de Opiumwet. Omdat er veel meer dan 0,5 gram harddrugs en 5 gram softdrugs is aangetroffen, is het aannemelijk dat deze drugs deels of geheel bestemd waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval in de zin van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, kan worden aangemerkt en dat daarom ook bij een eerste constatering hiervan aan die bepaling de bevoegdheid tot sluiting van een woning kan worden ontleend.[eiseres] heeft de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten ook niet betwist.
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
8. De rechtbank stelt vast dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met artikel 3, tweede lid, van de “Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente [gemeente] ”. Volgens deze bepaling wordt in geval dat er sprake is van handel in harddrugs of een handelshoeveelheid harddrugs in een woning, bij een eerste overtreding de woning fysiek gesloten voor minimaal drie maanden. [eiseres] heeft dit ook niet betwist.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
9. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de burgemeester geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning omdat sluiting in dit geval onevenredig is.