ECLI:NL:RBOVE:2026:150

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
11774863 \ CV EXPL 25-1140
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over nakoming van overeenkomsten inzake WBSO-subsidieaanvragen tussen Subvention B.V. en Sellabees B.V.

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Overijssel op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen Subvention B.V. en Sellabees B.V. over de nakoming van overeenkomsten met betrekking tot WBSO-subsidieaanvragen. Subvention vorderde een schadevergoeding van gedaagden, omdat zij meende dat deze tekortgeschoten waren in de nakoming van de overeenkomsten door een subsidieaanvraag voor 2025 door een derde te laten verzorgen. Gedaagden betwistten dit en stelden dat zij alleen exclusiviteit waren overeengekomen voor één specifiek project, waardoor het hen vrijstond om subsidieaanvragen voor andere projecten via derden te laten verlopen. De kantonrechter oordeelde dat Subvention onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om aan te tonen dat partijen een voortdurende exclusiviteit voor alle mogelijke subsidieaanvragen waren overeengekomen. De rechter volgde het standpunt van gedaagden en wees de vorderingen van Subvention af, met veroordeling van Subvention in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11774863 \ CV EXPL 25-1140
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
SUBVENTION B.V.,
te Zwolle,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.A. Brand,
tegen

1.SELLABEES B.V.,

te Hengelo,
2.
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. L.E.M. Zanderink.
Partijen zullen hierna Subvention, Sellabees en [gedaagde] genoemd worden. Sellabees en [gedaagde] worden samen gedaagden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10 van Subvention,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 9 van gedaagden,
- aanvullende producties 11 t/m 16 van Subvention,
- aanvullende productie 10 van gedaagden,
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen hebben met elkaar overeenkomsten gesloten op grond waarvan Subvention subsidieaanvragen verzorgde in het kader van de Wet Bevordering Speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). Gedaagden hebben een WBSO-subsidieaanvraag voor 2025 door een derde laten verzorgen. Tussen partijen is een geschil ontstaan over of gedaagden hierdoor te kort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Subvention stelt dat dit het geval is en vordert daarom van gedaagden een schadevergoeding.
2.2.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagden, had het naar oordeel van de kantonrechter op de weg van Subvention gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat partijen voortdurende exclusiviteit voor alle mogelijke subsidieaanvragen zijn overeengekomen. Dat heeft zij nagelaten. De kantonrechter volgt daarom het standpunt van gedaagden dat partijen alleen exclusiviteit zijn overeengekomen voor één specifiek project en het gedaagden vrijstond om subsidieaanvragen voor andere projecten via derden te laten verlopen. Daarnaast heeft Subvention onvoldoende onderbouwd dat de door een derde verzorgde WBSO-subsidieaanvraag van 2025 zag op het specifieke project waarvoor exclusiviteit is overeengekomen. Dit alles brengt mee dat gedaagden niet tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomsten. De vorderingen van Subvention worden daarom afgewezen, met veroordeling van Subvention in de proceskosten. De motivering van deze beslissing volgt hierna.

3.De feiten

3.1.
Sellabees houdt zich bezig met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en consultancy op het gebied van IT. [gedaagde] is één van de aandeelhouders van Sellabees.
3.2.
Subvention houdt zich bezig met het verlenen van diensten en adviezen aan ondernemers, onder andere op het gebied van subsidieregelingen en subsidieaanvragen.
3.3.
Bij Sellabees lopen verschillende innovatieve softwareprojecten. Voor deze projecten kunnen subsidies worden aangevraagd onder de WBSO-regeling. Een innovatieproject kan een paar jaar lang doorlopen en binnen een project kunnen jaarlijks subsidieaanvragen worden ingediend.
3.4.
In maart 2023 hebben Subvention en Sellabees gesproken over een samenwerking. In eerste instantie is besproken dat Sellabees een subsidieaanvraag zou indienen voor het innovatieproject POS Kassasysteem, maar dit is later veranderd naar het project Ontwikkeling techniek vergelijking PSP's (hierna: project PSP’s).
3.5.
Op 22 maart 2023 heeft Subvention aan Sellabees een overeenkomst gemaild met daarbij het bericht:

Beste , Hierbij ontvang je ons voorstel voor het verzorgen van het subsidietraject. Ga je
akkoord met het voorstel, dan ontvangen we graag een ondertekend exemplaar retour.(…)’
3.6.
De overeenkomst is op 31 maart 2023 door Sellabees ondertekend. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
‘(…)
Opdrachtomschrijving
Voor Sellabees B.V. begeleidt Subvention de subsidieaanvragen voor de voorgenomen
innovatieprojecten. Onder ‘Inhoud dienstverlening’ zijn de verantwoordelijkheden van Subvention en Sellabees B.V. nader gespecificeerd. Deze bijlage maakt onderdeel uit van deze overeenkomst.
Duur overeenkomst
De overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van één jaar, ingaande op datum van
ondertekening en wordt telkens stilzwijgend verlengd met een periode van één jaar, tenzij één van de
partijen uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de lopende periode schriftelijk laat weten geen verlenging van de overeenkomst te wensen.
WBSO
Vergoeding Subvention
Voor het voorbereiden, opstellen, indienen, begeleiden en afhandelen van WBSO-aanvragen betaalt
Sellabees B.V. een percentage van 15% over het behaalde subsidieresultaat. Onder het behaalde
subsidieresultaat wordt verstaan het subsidiebedrag genoemd in een zogenoemde positieve
beschikking. Voor iedere subsidieaanvraag geldt een minimale vergoeding van € 1.500 per
kalenderjaar. Onze vergoeding wordt in rekening gebracht als de subsidieaanvraag positief is
beschikt. Het zogenoemde no-cure-no-pay-principe.
(…)
Zolang de Overeenkomst loopt, is het niet toegestaan om andere subsidieaanvragen voor het
project in te dienen, tenzij Subvention hier van tevoren schriftelijk toestemming voor geeft.
3.7.
Vervolgens heeft Subvention voor het project PSP’s een subsidieaanvraag voor 2023 ingediend. Die aanvraag is goedgekeurd. De subsidie die is verleend had de vorm van een belastingvoordeel, in de zin dat de subsidie in mindering werd gebracht op de loonsom.
3.8.
Op 12 juli 2023 heeft de heer [naam] namens Sellabees de volgende e-mail naar Subvention gestuurd:

Graag wil ik twee zaken met je bespreken, te weten de eerste deelfactuur en de
samenwerking met Subvention. Om met dat laatste te beginnen, we zijn niet tevreden met
het verloop van de WBSO-aanvraag. Nu we de aanvraag en de goedkeuring tegen het licht
hebben gehouden, zien we dat het overgrote deel van de aanvraag door ons zelf hebben
verzorgd. De 15% vergoeding is ons inziens niet passend bij de inspanning die jullie
geleverd hebben. Voor de toekomst zullen we dan ook geen verdere diensten bij jullie
afnemen.
(…)’
3.9.
Op 2 augustus 2023 hebben partijen een bespreking met elkaar gehad. Na afloop van die bespreking heeft Subvention het volgende aan de heer [naam] gemaild:

Hartelijk dank voor ons gesprek vanmorgen. Goed dat we de punten met elkaar hebben
kunnen uitspreken. Zoals zojuist telefonisch besproken willen we jullie graag tegemoet komen
en een passend voorstel doen om de samenwerking verder vervolg te geven. Ons voorstel is als volgt:
Voor 2024 doen wij de aanvragen voor de WBSO voor Sellabees gratis! Zo kan het voordeel behorende bij de beschikking van de WBSO over 2 jaar worden toegepast en volledig benut worden de factuur blijft in staan en mag in de voorstelde termijnen door mij (de mail van 13-7-2023) voldaan worden
op deze manier hebben jullie de mogelijkheid al het voordeel van de afgegeven beschikking te benutten over 2 kalenderjaren en is de factuur voldaan en in verhouding met het te genieten fiscale
voordeel.
(…)’
3.10.
Vervolgens heeft Subvention ook een overeenkomst gesloten met [gedaagde]. De bepalingen in die overeenkomst zijn dezelfde als in de overeenkomst met Sellabees.
3.11.
In 2024 is er aan gedaagden subsidie verleend voor het project PSP’s.
3.12.
In december 2024 heeft Subvention aan gedaagden gevraagd of zij voor 2025 weer de subsidieaanvragen voor de WBSO mocht verzorgen. Op 4 december 2024 heeft de heer [naam] aan Subvention gemaild:
‘Wij gaan aankomend jaar geen nieuwe wbso aanvraag doen voor deze projecten. Graag ontvang ik de informatie die nodig is om het af te ronden.’
3.13.
Subvention heeft op 4 april 2025 een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat zij heeft gezien dat gedaagden op 15 december 2024 een subsidieaanvraag hebben ingediend voor de WBSO zonder tussenkomst van Subvention. Volgens Subvention is dit in strijd met de overeenkomsten en daarmee een toerekenbare tekortkoming. Subvention vraagt gedaagden daarom om een schadeloosstelling, waar zij in de brief een berekening voor geeft.
3.14.
Partijen hebben op 26 maart 2025 hierover een gesprek gevoerd. Na correspondentie over en weer over het ontstane geschil bleek een oplossing buiten bereik.

4.Het geschil

4.1.
Subvention vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- gedaagden veroordeelt tot betaling van € 19.756,65 (bestaande uit € 7.742,79 (incl. btw) voor Sellabees en € 10.971,68 (incl. btw) voor [gedaagde], wettelijke rente berekend t/m 17 april 2025 en buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2025;
subsidiair
- Sellabees veroordeelt tot betaling van € 7.742,79 (incl. btw) en [gedaagde] tot betaling van € 10.971,68 (incl. btw) en beiden in de wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid en de buitengerechtelijke incassokosten, waarbij geldt dat als de ene gedaagde die laatste gezamenlijke kosten betaalt de andere gedaagde is gekweten;
primair en subsidiair
- gedaagden veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en, voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten.
4.2.
Gedaagden voeren verweer.

5.De beoordeling

5.1.
Volgens Subvention hebben gedaagden op 15 december 2024 zelfstandig subsidieaanvragen voor de WBSO voor 2025 ingediend via een derde. Dat is volgens Subvention een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, omdat gedaagden hiermee Subvention de overeengekomen exclusieve rol hebben ontnomen en schade hebben veroorzaakt in de vorm van misgelopen succesfee. Gedaagden erkennen dat zij subsidieaanvragen voor 2025 door een derde hebben laten verzorgen, maar betwisten dat zij daarmee tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Volgens hen stond het hun vrij om de subsidieaanvragen voor nieuwe innovatieprojecten door een derde te laten verzorgen. Gelet hierop zal de kantonrechter eerst vaststellen wat partijen met elkaar zijn overeengekomen.
Wat zijn partijen overeengekomen?
5.2.
Subvention stelt dat partijen zijn overeengekomen dat zij alle WBSO-subsidieaanvragen voor de innovatieprojecten van gedaagden begeleidt. Dat blijkt volgens haar ook uit de overeenkomsten (zie 3.6), waarin onder andere gesproken wordt over de begeleiding van ‘voorgenomen innovatieprojecten’. Gedaagden betwisten dat partijen dat zijn overeengekomen. Volgens hen is overeengekomen dat Subvention eerst alleen de subsidieaanvragen voor het project PSP’s verzorgt. Daarna zouden partijen kijken of ze de samenwerking voortzetten, waarbij gedaagden ervan uitgingen dat voor verdere samenwerking een nieuwe overeenkomst gesloten zou worden. Dat in de overeenkomsten gesproken wordt over ‘voorgenomen innovatieprojecten’ ziet volgens gedaagden alleen op het project PSP’s. Verder wijzen gedaagden erop dat in de overeenkomsten staat dat zolang deze loopt het niet is toegestaan om andere subsidieaanvragen voor ‘het project’ in te dienen. Gedaagden hebben dit zo begrepen dat zij geen derden mochten inschakelen om subsidieaanvragen voor het project PSP’s in te dienen, maar dat voor dit project alle aanvragen via Subvention moesten verlopen. Subvention geniet voor andere innovatieprojecten geen exclusiviteit volgens gedaagden.
5.3.
Partijen verschillen dus van mening over wat zij precies zijn overeengekomen. Bij de uitleg van een overeenkomst moet niet alleen gekeken worden naar de taalkundige betekenis van de woorden daarvan, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden gelet op hun verklaringen en gedragingen over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenoemde Haviltex-criterium). Daarbij heeft de kantonrechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. [1]
5.4.
Daarnaast geldt volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv) dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een overeenkomst bij een bepaalde uitleg, de stelplicht en bewijslast ter zake van die uitleg draagt. Nu Subvention zich beroept op de door haar gestelde rechtsgevolgen van de overeenkomsten (voortdurende exclusiviteit voor alle mogelijke subsidieaanvragen), ligt het in beginsel op haar weg om daartoe voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen.
5.5.
In de overeenkomsten tussen partijen staat: ‘
Zolang de Overeenkomst loopt, is het niet toegestaan om andere subsidieaanvragen voor het project in te dienen, tenzij Subvention hier van tevoren schriftelijk toestemming voor geeft.’Hiermee zijn partijen overeengekomen dat Subvention een zekere exclusiviteit met betrekking tot subsidieaanvragen van gedaagden geniet. De overeenkomst maakt niet duidelijk of die exclusiviteit ziet op alle subsidieaanvragen voor innovatieprojecten bij gedaagden of alleen op die voor het project PSP’s. In de overeenkomsten wordt namelijk zowel gesproken over ‘het project’ als over ‘voorgenomen innovatieprojecten’.
5.6.
Door Subvention is aangevoerd dat zij de overeenkomsten heeft opgesteld en daarin standaardbepalingen staan die zij in alle overeenkomsten met haar klanten hanteert. Met de termen project, traject, subsidietraject in de overeenkomst bedoelt Subvention het geheel omvattende project/traject binnen een organisatie om alle subsidies te waarborgen. Het waarborgen van subsidiekansen, benutten en realiseren hiervan ziet Subvention per klant als een alles omvattend project. Naar oordeel van de kantonrechter maakt dat nog niet dat voortdurende exclusiviteit voor alle mogelijke subsidieaanvragen tussen deze partijen is overeengekomen. Het Haviltex-criterium brengt mee dat voor de uitleg van een overeenkomst gekeken moet worden naar alle omstandigheden van het concrete geval. Van belang voor de uitleg van de overeenkomsten is dus ook wat deze partijen bij het aangaan van de overeenkomst met elkaar hebben besproken.
5.7.
Door de heer [naam] is tijdens de mondeling behandeling verklaard dat dit de eerste keer was dat partijen zaken met elkaar deden en zij voor het sluiten van de overeenkomst met Sellabees alleen met elkaar gesproken hebben over de subsidieaanvraag voor één specifiek project (het project POS Kassasysteem) en dus niet over meerdere subsidieaanvragen voor verschillende projecten. Dat project bleek niet geschikt te zijn voor WBSO-subsidieaanvragen, waarna is afgesproken dat Subvention de subsidieaanvraag voor een ander project (het project PSP’s) zou gaan begeleiden. Daarna heeft Subvention op
22 maart 2023 de overeenkomst aan Sellabees gemaild met daarbij het bericht dat het gaat om het ‘voorstel voor het verzorgen van het subsidietraject’ (zie 3.5). In het licht van deze omstandigheden ging de heer [naam] ervan uit dat de overeenkomst alleen zag op de subsidieaanvragen voor het project PSP’s. Subvention heeft vervolgens alleen de subsidieaanvragen voor dat project begeleid. Later is er nog een overeenkomst gesloten tussen Subvention en [gedaagde]. Dat hield volgens gedaagden verband met het feit dat het project PSP’s ook gedeeltelijk via [gedaagde] verliep en zij de samenwerking met Subvention wilden afwikkelen, wat de heer [naam] met zijn e-mail van 12 juli 2023 (zie 3.8) kenbaar heeft gemaakt. Subvention heeft daarom voor [gedaagde] alleen werkzaamheden verricht voor de WBSO-subsidieaanvraag voor het project PSP’s.
5.8.
De kantonrechter acht de verklaring van de heer [naam] over wat bij het aangaan van de overeenkomst is besproken voldoende aannemelijk. Subvention heeft die verklaring ook niet weersproken. Deze omstandigheden maken de in de standaardovereenkomst mogelijk ruimer te interpreteren omschrijving van de exclusiviteit van ondergeschikte betekenis. Het had op de weg van Subvention gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat partijen wel bedoeld hebben voortdurende exclusiviteit voor alle mogelijke subsidieaanvragen overeen te komen. Dat heeft zij niet gedaan. Gesteld noch gebleken is bijvoorbeeld dat Subvention gedaagden bij het aangaan van de overeenkomsten erop gewezen heeft dat het haar bedoeling was om voortdurende exclusiviteit voor alle mogelijke subsidieaanvragen overeen te komen. Aan bewijsvoering wordt daarom niet toegekomen. Dat betekent dat Subvention niet wordt gevolgd in de door haar gestelde uitleg van de overeenkomst. De kantonrechter is daarom van oordeel dat partijen alleen exclusiviteit zijn overeengekomen voor het project PSP’s. Het stond gedaagden dus vrij om derden in te schakelen voor subsidieaanvragen voor andere projecten.
Zien de subsidieaanvragen voor 2024 en 2025 op hetzelfde project?
5.9.
Subvention stelt verder dat de subsidieaanvragen voor gedaagden uit 2024 (voor het project PSP’s), die door Subvention zijn ingediend, en voor 2025 (voor het project Multiconnector) ingediend door de derde partij, in de kern en technische ontwikkeling hetzelfde project beschrijven. Zij heeft de gebruikte bewoordingen van beide aanvragen met elkaar vergeleken en komt daarmee tot de conclusie dat het om hetzelfde project gaat, wat wordt bevestigd door in het geding gebrachte verklaringen van vijf medewerkers van Subvention. Door aanvragen voor hetzelfde project in te dienen zijn gedaagden volgens Subvention toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen.
5.10.
Het voorgaande wordt door gedaagden betwist. Zij hebben een notitie van de heer [naam] in geding gebracht waarin hij heeft uitgeschreven wat de verschillen zijn tussen het project PSP’s en het project Multiconnector. Kort samengevat ziet het project PSP’s volgens hem op het ontwikkelen van een vergelijkingsplatform voor betaalproviders. Het vergelijkingsplatform vergelijkt betaalproviders op basis van criteria zoals prijs, functies, betrouwbaarheid en veiligheid, zodat de gebruikers ervan de beste keuze kunnen maken. Het systeem voert geen transacties uit. Het vergelijkt alleen informatie met elkaar. Het project Multiconnector heeft een andere inhoud. Dit project ziet op een transactionele router die betalingen realtime doorstuurt naar een betaalprovider die de betaling moet uitvoeren en naar een andere betaalprovider wanneer er storingen optreden. De projecten hebben volgens gedaagden dus een compleet andere inhoud en het stond hun daarom vrij om de subsidieaanvraag bij een derde neer te leggen. Van een tekortkoming aan hun zijde is geen sprake, aldus gedaagden.
5.11.
Subvention heeft tegen het standpunt van gedaagden nog aangevoerd dat de gemene deler in beide projecten is dat het om data betreffende transacties gaat. Het ene project legt misschien wat meer de focus op data-analyse en de andere op betalingsvalidatie, maar voor beide processen zijn dezelfde brondata vereist. Het project heeft functioneel misschien een andere focus, maar technisch gezien gaat het om hetzelfde soort project, wat volgens Subvention voor de WBSO cruciaal is.
5.12.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagden met de toelichting van de heer [naam] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de projecten PSP’s en Multiconnector zowel inhoudelijk als technisch gezien niet hetzelfde project zijn. Dat veel dezelfde (technische) woorden in de subsidieaanvragen terugkomen, maakt nog niet dat het om hetzelfde project gaat. Subvention heeft haar stelling dat het voor de WBSO technisch gezien om hetzelfde project gaat onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de ingediende WBSO-subsidieaanvragen van 2025 en 2024 niet op dezelfde projecten zien. Dat betekent dat het gedaagden vrij stond om de WBSO-subsidieaanvraag voor het project Multiconnector door een derde te laten verzorgen.
Conclusie
5.13.
De conclusie is dan ook dat gedaagden niet te kort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De kantonrechter wijst de vorderingen van Subvention daarom af. Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, blijft buiten beschouwing.
Proceskosten
5.14.
Subvention is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
947,00
5.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van Subvention af,
6.2.
veroordeelt Subvention in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Subvention niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt Subvention tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.Onder meer HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en HR 20 februari 2014, ECLI:NL:HR:2004:AO1427.