ECLI:NL:RBOVE:2026:1155

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_1197
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken persoonlijk belang bij exploitatievergunning broodjeszaak

De burgemeester van Deventer verleende op 6 december 2024 een exploitatievergunning voor een broodjeszaak aan een adres in Deventer. Eiser stelde bezwaar tegen deze vergunning, maar de burgemeester verklaarde dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat eiser geen persoonlijk belang zou hebben. Eiser voerde aan dat hij wel belanghebbende is vanwege mogelijke geur- en geluidsoverlast, aantasting van de monumentale uitstraling en belemmering van de toegang tot het binnenterrein achter zijn pand.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen belanghebbende is omdat zijn perceel ongeveer 33 meter verwijderd is van de broodjeszaak en hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. De aanwezigheid van tussenliggende bebouwing en het feit dat het pand al een horecabestemming had, maken dat de vermeende gevolgen niet als persoonlijk belang kunnen worden aangemerkt. Ook de vrees voor aantasting van cultuurhistorische waarden en belemmering van toegang worden niet als voldoende belang gezien.

De rechtbank wijst erop dat het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar terecht was en dat de burgemeester daarom niet verplicht was eiser te horen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen gelijk en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.C. Rozeboom op 4 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen persoonlijk belang heeft.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats],

hierna in enkelvoud: [eisers],
en

de burgemeester van Deventer

hierna: de burgemeester
(gemachtigde: mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om het bezwaar van [eisers] tegen het besluit tot verlenen van een exploitatievergunning voor een openbare inrichting op het adres [adres 1] kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens de burgemeester heeft [eisers] geen objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang bij die vergunningverlening omdat zijn perceel te ver is gelegen van de broodjeszaak en [eisers] geen gevolgen van enige betekenis ondervindt door de vestiging daarvan. [eisers] is het daar niet mee eens en voert aan dat hij wel belanghebbende is bij de exploitatievergunning omdat hij geur- en geluidsoverlast vreest. Ook is [eisers] van mening dat de monumentale uitstraling van het binnenterrein achter zijn pand verandert en dat de toegang daartoe wordt belemmerd als de broodjeszaak wordt geopend en een (illegaal) terras wordt neergezet.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester [eisers] in bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende is. De percelen van [eisers] en de broodjeszaak grenzen niet aan elkaar en [eisers] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. [eisers] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 6 december 2024 heeft de burgemeester een exploitatievergunning verleend voor het realiseren van een broodjeszaak in het pand [adres 1] in Deventer. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft de burgemeester het tegen de exploitatievergunning gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
[eisers] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en zijn beroepsgronden later nader aangevuld. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep 22 januari 2026 op zitting behandeld, tezamen met het beroep van [eisers] tegen een verleende omgevingsvergunning met zaaknummer ZWO 25/1196. Aan de zitting hebben [eiser 2] en de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het besluit van de burgemeester om het bezwaar van [eisers] niet-ontvankelijk te verklaren in stand kan blijven. De rechtbank geeft in deze procedure geen inhoudelijk oordeel over de vraag of de burgemeester de exploitatievergunning heeft mogen verlenen.
4. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen een belanghebbende kan bezwaar indienen op grond van artikel 8:1 in Pro samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.
5. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de bestuursrechter naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Hij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [1]
6. [eisers] betoogt dat de burgemeester zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [eisers] is van mening dat hij door de exploitatievergunning in zijn eigendomsbelangen wordt geraakt. [eisers] is eigenaar van het pand aan de [adres 2] in Deventer. Hij vreest dat de verhuurbaarheid en de waarde van zijn pand vermindert als gevolg van de exploitatievergunning. Ook vreest [eisers] rechtstreekse gevolgen van de broodjeszaak door de toenemende passantenstroom en door geluid en geur. [eisers] stelt dat de afstand tussen de achtergevel van zijn pand en de broodjeszaak ongeveer 33 meter is. De panden worden slechts gescheiden door de Doopsgezinde Vermaning aan de [adres 3]. Vanuit zijn pand heeft [eisers] direct zicht op het hofje (binnenterrein) van de Doopsgezinde Vermaning en het dak van het pand waarin de broodjeszaak wordt gevestigd. [eisers] verwacht dat bezoekers van de broodjeszaak via de monumentale poort (Rijksmonumentnr. [nummer]) het hofje zullen betreden. Ook voert [eisers] aan dat hij eerder wel als belanghebbende is aangemerkt in een procedure aangaande een exploitatievergunning voor een horecagelegenheid aan de [adres 2] in Deventer die op een vergelijkbare afstand van zijn pand is gelegen. [2] Verder stelt [eisers] dat de cultuurhistorische waarden van de omgeving en zijn pand door de exploitatievergunning worden aangetast. Tot slot is [eisers] van mening dat hij, in strijd met artikel 7:3, onder a, van de Awb, niet is gehoord.
7. De burgemeester stelt dat [eisers] geen persoonlijk belang bij de exploitatievergunning heeft omdat hij geen feitelijke gevolgen van dit besluit ondervindt. Voor zover [eisers] wel feitelijke gevolgen ondervindt, zijn deze gevolgen niet van enige betekenis zodat een persoonlijk belang bij de exploitatievergunning ontbreekt. De burgemeester wijst erop dat [eisers] vanuit zijn pand of vanaf zijn perceel geen direct zicht heeft op de broodjeszaak op de begane grond. Vanwege de tussenliggende bebouwing is het volgens de burgemeester niet aannemelijk dat [eisers] door de broodjeszaak (milieu)gevolgen zal ondervinden van geur en geluid. De burgemeester heeft toegelicht dat het gebruik van het pand voor een openbare inrichting passend is binnen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Deventer op 20 november 2024 heeft verleend. Bovendien was in het pand reeds horeca toegestaan, zij het met een andere categorie, en was de broodjeszaak al toegestaan en gevestigd in het naastgelegen pand. Mocht er door de verhuizing van de broodjeszaak naar het naastgelegen pand al enige verandering van geur of geluid plaatsvinden, dan is zo’n eventuele verandering dusdanig gering dat dit niet als een gevolg van enige betekenis kan worden beschouwd, aldus de burgemeester. Wat betreft het niet horen van [eisers] geeft de burgemeester aan dat hij op voorhand geen enkele twijfel had over de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. Het pand van [eisers] en de broodjeszaak, of hun percelen grond, grenzen niet aan elkaar. De afstand tussen de achterzijde van het pand en het perceel van [eisers] en de beoogde broodjeszaak is ongeveer 33 meter. Ondanks dat tussen beide panden een relatief korte afstand zit, heeft [eisers] niet aannemelijk gemaakt dat deze omstandigheid meebrengt dat hij gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van de broodjeszaak. Tussen het pand van [eisers] en de broodjeszaak zit het hofje van de Doorpsgezinde Vermaning. Vaststaat dat [eisers] geen zicht heeft op de (etalages van de) broodjeszaak, alleen van het dak daarvan. Beide panden zijn gelegen in de historische binnenstad van Deventer. Vanwege de aanwezigheid van winkels en horecagelegenheden is het aannemelijk dat [eisers] in enige mate gevolgen ondervindt van passanten en geuren en geluiden uit de directe omgeving. Dat geldt evenwel voor alle bewoners en bedrijven in de directe omgeving. [eisers] onderscheidt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende van anderen. Hoewel niet uitgesloten is dat [eisers] in het geheel geen feitelijke gevolgen van de broodjeszaak zal ondervinden, heeft [eisers] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij is van belang dat het pand aan de [adres 1] al een horecabestemming categorie 3b had en dat met de verleende omgevingsvergunning een horecacategorie 3a wordt toegestaan (zie het beroep inz. ZWO 25/1196). Met de exploitatievergunning wordt enkel een openbare inrichting binnen die categorie toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende geduid wat de gevolgen hiervan voor hem zijn.
10. De rechtbank volgt [eisers] ook niet in zijn betoog dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat de exploitatievergunning de cultuurhistorische waarden van zijn pand en de omliggende panden aantast. De rechtbank overweegt dat [eisers] alleen voor zijn eigen belang en niet voor het belang van anderen – namelijk de bewoners en eigenaren van de andere monumentale panden – kan opkomen. Voor zover [eisers] betoogt dat hij belanghebbende is bij de bestreden exploitatievergunning omdat de vergunning de cultuurhistorische waarde van zijn pand aantast, slaagt dit betoog niet. De bestreden exploitatievergunning brengt immers geen wijziging mee in het uiterlijk of aanzien van het pand van [eisers], en overigens ook niet in dat van de beoogde broodjeszaak.
11. Zowel ten aanzien van de toegankelijkheid van het binnenterrein achter zijn pand als de monumentale uitstraling van zijn eigen pand heeft [eisers] op zitting toegelicht dat hij vooral vreest dat (illegale) zitjes worden geplaatst door de broodjeszaak, omdat dit op de voormalige plek van dezelfde uitbater ook gebeurde. De rechtbank stelt evenwel vast dat met de exploitatievergunning (of omgevingsvergunning) geen terras wordt toegestaan. Het mogelijk illegaal plaatsen daarvan leidt niet tot belanghebbendheid van [eisers] bij de vergunningverlening.
12. [eisers] heeft erop gewezen dat hij in een andere beroepsprocedure door de bestuursrechter van deze rechtbank wel als belanghebbende bij de exploitatie- en terrasvergunning van het pand aan de [adres 4] is aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat zich in die andere procedure een andere feitelijke en juridische situatie voordeed. In de door [eisers] benoemde procedure was een exploitatie- en een terrasvergunning verleend. In die procedure kwam de rechtbank tot het oordeel dat [eisers] wel als belanghebbende moest worden aangemerkt omdat het voorstelbaar werd geacht dat, door het terras dat de burgemeester had vergund, de looprichting in de richting van het pand van [eisers] geblokkeerd kon worden. [eisers] kon daarom als gevolg van de exploitatie- en terrasvergunning gevolgen van enige betekenis ondervinden. In deze zaak staat echter geen terrasvergunning ter discussie. Daarbij wordt in dit geval de looprichting naar het pand van [eisers] niet door de bestreden exploitatievergunning belemmerd. De vergelijking gaat kortom niet op.
13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eisers] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in deze zaak. De burgemeester heeft [eisers] dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Omdat de rechtbank van oordeel is dat hierover geen twijfel bestond, mocht de burgemeester ervan afzien om [eisers] te horen over zijn bezwaar.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eisers] geen gelijk krijgt. [eisers] krijgen daarom het griffierecht niet terug. [eisers] krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4114.
2.Rechtbank Overijssel van 29 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2615.