Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 07 april 2025;
- het exploot van de betekening van 16 april 2025, binnengekomen op 22 april 2025;
- de op 22 april 2025 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Broeksema;
- het verweerschrift met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 10 oktober 2025;
- de op 10 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Broeksema;
- de op 10 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Wolff;
- de op 13 januari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Broeksema;
- het aanvullend verweer c.q. aanvullende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, binnengekomen op 26 januari 2026.
- het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 6 januari 2026;
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 26 januari 2026.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat:
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
2.De feiten
- [de kind 1]geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ;
- [de kind 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] .
3.Het verzoek
€ 450,- dient te voldoen.
4.Het verweer en de zelfstandige verzoeken
5.De beoordeling
€ 615,- bedraagt. Voor het inkomen van de vrouw zijn zij in hun berekeningen uitgegaan van de gemiddelde winst van 2022 tot en met 2024 van de onderneming van de vrouw van
€ 23.114,- bruto per jaar. Voor het inkomen van de man zijn zij uitgegaan van € 49.212,- bruto per jaar. Het kindgebondenbudget bedroeg € 301,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen afgerond € 643,- per kind per maand en dus € 1.286,- in totaal.
6.De beslissing
- een bedrag van
- een bedrag van
8 mei 2026een
briefrapportop te sturen naar de rechtbank;
binnen twee wekente reageren op het briefrapport, de gevolgen voor de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en het verdere verloop van de procedure;