ECLI:NL:RBOVE:2025:7560
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenveroordeling bij intrekking beroep tegen besluit tot oplegging van een last onder dwangsom
In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel wordt het verzoek van verzoekster om een proceskostenveroordeling beoordeeld. Verzoekster had eerder bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen, dat op 28 augustus 2025 een last onder dwangsom oplegde. Na het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster dit verzoek ingetrokken, omdat het college had laten weten de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op te schorten totdat op het bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar het college heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Hij stelt vast dat het college met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoekster tegemoet is gekomen. Dit is een belangrijke overweging, omdat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt, reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. De voorzieningenrechter legt uit dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen.
De proceskosten worden berekend op basis van de proceshandeling die door de gemachtigde van verzoekster is verricht, namelijk het indienen van een verzoekschrift. Dit levert één punt op met een waarde van € 907,-. De voorzieningenrechter concludeert dat het college de proceskosten van € 907,- aan verzoekster moet vergoeden. Daarnaast wordt het griffierecht aan verzoekster terugbetaald, omdat het college de werking van het besluit heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist. De uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.