ECLI:NL:RBOVE:2025:7532

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
08-203489-23 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zware mishandeling met ernstige gevolgen voor slachtoffer na ontmoeting via datingapp

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 21-jarige man, die zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. De verdachte heeft op 25 juli 2023 in Wierden, na een ontmoeting via een datingapp, de benadeelde partij, hierna aangeduid als [slachtoffer], zonder enige aanleiding zwaar lichamelijk letsel toegebracht door meerdere malen op zijn gezicht te slaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, waaronder botbreuken en aangezichtsletsel, heeft veroorzaakt. Tijdens de zitting op 8 december 2025 heeft de verdachte zijn schuld bekend, en de rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte en medische rapporten, tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit besloten. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een meldplicht bij de reclassering. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de psychische problematiek van de verdachte, die in verminderde mate toerekeningsvatbaar werd geacht. De benadeelde partij heeft een schadevergoeding van in totaal € 19.368,52 gevorderd, welke door de rechtbank grotendeels is toegewezen, inclusief immateriële schade van € 13.000,00. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor een deel afgewezen, maar de verdachte is verplicht gesteld om de schadevergoeding te betalen, met de mogelijkheid van gijzeling bij niet-betaling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-203489-23 (P)
Datum vonnis: 22 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Meijer, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. L.V.S. Cassese is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (
primair), dan wel dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg (
subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 25 juli 2023 te Wierden, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere botbreuken en/of aangezichtsletsel, heeft toegebracht door meerdere malen op/tegen het gezicht te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 juli 2023 te Wierden, [slachtoffer] heeft mishandeld door
meerdere malen op/tegen het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere botbreuken en/of aangezichtsletsel ten gevolge heeft gehad.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] .
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 december 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 26 juli 2023, pagina 6-9;
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4 Sv, te weten een geneeskundige verklaring van 3 augustus 2023, pagina 10.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 juli 2023 te Wierden, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken en aangezichtsletsel, heeft toegebracht door meerdere malen op/tegen het gezicht te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: zware mishandeling.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie sluit zich aan bij de conclusie van de GZ-psycholoog in het Pro Justitia rapport van 30 november 2023 waarin wordt geadviseerd het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De officier van justitie heeft, rekening houdend met het tijdsverloop in de zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dient een meldplicht als bijzondere voorwaarde te worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf niet passend is, gelet op het tijdsverloop, de jonge leeftijd van verdachte en zijn psychische problematiek. De raadsvrouw heeft bepleit dat het passend is dat aan verdachte een taakstraf van zestig uren wordt opgelegd. Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel schiet zijn doel in dit geval voorbij, gelet op het lage recidiverisico, het tijdsverloop, de persoonlijke coaching die verdachte in een vrijwillig kader heeft gehad en het feit dat verdachte in de afgelopen periode niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
6.3.1
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer] . Verdachte en [slachtoffer] hebben contact gemaakt via een datingapp en afgesproken elkaar te ontmoeten op een carpoolplaats. Zij zijn vervolgens samen naar een rustige plek gelopen. Na een korte interactie kwamen zij beide tot de conclusie dat er geen sprake is van een wederzijdse klik en liepen zij samen weer terug naar de carpoolplaats. Verdachte heeft [slachtoffer] op dat moment zonder enige aanleiding aangevallen, door meermalen met zijn vuist op/tegen het gezicht van [slachtoffer] te slaan. Ook toen [slachtoffer] al weerloos op de grond lag, is de explosie van geweld van verdachte niet gestopt. Daarna heeft hij [slachtoffer] zwaar gewond en hulpeloos achter gelaten. Ten gevolge van de zware mishandeling heeft [slachtoffer] meerdere botbreuken in zijn gezicht en verwondingen opgelopen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig geschonden. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat [slachtoffer] nog dagelijks pijnklachten ervaart en nog iedere dag wordt geconfronteerd met de zowel fysieke als psychische gevolgen van de zware mishandeling, mede door de littekens die hij hier aan over heeft gehouden. Zijn gevoel van veiligheid is verdwenen en hij voelt zich vaak verdrietig, boos en machteloos. [slachtoffer] heeft voor zijn klachten PTSS-therapie gevolgd. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Verdachte heeft bij thuiskomst zijn ouders ingelicht over de zware mishandeling, waarna het incident is gemeld bij de politie. Verdachte heeft ten overstaan van de politieagenten het feit bekend. Ook ter terechtzitting heeft verdachte niet om de zaken heen gedraaid, en heeft hij laten zien er veel spijt van te hebben. Als verdachte (dan wel zijn ouders) zich niet had(den) gemeld bij de politie, was mogelijk nooit aan het licht gekomen wie de dader van de zware mishandeling van [slachtoffer] is geweest. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.
6.3.2
De persoon van verdachte
Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 31 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank weegt dit niet mee bij de strafoplegging.
Het Pro Justitia rapport
Het Pro Justitia rapport van 30 november 2023, opgesteld door N.A. Schoenmaker, GZ-psycholoog, bevat de volgende bevindingen en adviezen.
Toen verdachte zeventien jaar oud was kwam hij in contact met de GGZ waar via procesdiagnostiek een autismespectrumstoornis werd vastgesteld. Ook werd er een kortdurende psychotische stoornis vastgesteld die door het gebruik van een antipsychoticum verbleekte. Er is bij verdachte sprake van (milde) beperkingen in de sociale communicatie en in de sociale interactie, met name op het gebied van wederkerigheid en non-verbale communicatie. Verdachte is gehecht aan routine, houdt niet van veranderingen en kan eenmaal gemaakt plannen lastig uit zijn hoofd zetten. Hij is ook prikkelgevoelig. Hierdoor kunnen de spanningen snel hoog oplopen bij verdachte, hetgeen zich bij verdachte kan vertalen in een verhoogde draaglast en een verhoogde agitatie. Verdachte heeft weinig greep op zijn agressie- en emotieregulatie. Daarnaast is er bij verdachte sprake van psychosegevoeligheid. Hij heeft veel onrust in zijn hoofd en hoort stemmen met een negatieve inhoud. Verdachte is in sterke mate wantrouwend naar anderen. Er lijkt sprake te zijn van een paranoïde grondstemming, die eveneens past bij psychosegevoeligheid. Het is mogelijk dat in de toekomst de psychotische stoornis meer op de voorgrond komt en de autismespectrumstoornis overvleugelt. Tot slot is er nog sprake van een (matige) stoornis in het cannabisgebruik. Met name de psychotische stoornis en de psychische disfuncties hebben doorgewerkt ten tijde van het bewezenverklaarde feit, maar ook de autismespectrumstoornis heeft in enige mate doorgewerkt. Verdachte werd dusdanig is beslag genomen door zijn frustratie, zijn haat naar zichzelf, de lelijke inhoud van de stemming in zijn hoofd en zijn strijd met de duivel dat hij niet anders kon dan van zich afreageren op de aangever. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde feit in (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De kans op recidive in de vorm van agressie zoals bijvoorbeeld ten tijde van het ten laste gelegde wordt ingeschat als matig tot hoog. Door behandeling kan het risico op recidive afnemen. De psycholoog acht een ambulante behandeling geïndiceerd. Bij de behandeling dienen de psychosegevoeligheid en de problemen in de agressieregulatie op de voorgrond te staan. De psycholoog adviseert als juridisch kader een bijzondere voorwaarde, te weten een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek, bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.
De reclasseringsrapporten
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 20 december 2023 en 20 november 2025. Hierin staat onder meer het volgende.
In het rapport uit 2023 wordt aanvankelijk het recidiverisico ingeschat als gemiddeld en een ambulante behandeling binnen een strafrechtelijk kader geïndiceerd geacht. In het meest recente rapport uit 2025 heeft de reclassering dat advies niet gehandhaafd. Er zijn ten tijde van het opmaken van het meest recente advies inmiddels meer dan twee jaren verstreken en in die periode heeft verdachte gedurende tien maanden persoonlijke coaching gehad, met name gericht op de gebrekkige emotieregulatie/agressiebeheersing en tevens met aandacht voor het middelengebruik van verdachte. Uit referentenonderzoek is naar voren gekomen dat verdachte over het hele traject verbetering in de emotieregulatie heeft getoond, dat hij zijn softdrugsgebruik heeft geminderd en dat de functie van het softdrugsgebruik is veranderd. Hij heeft rust en stabiliteit gevonden in zijn sociaal maatschappelijke situatie, hij is zich beter gaan uitspreken over wat hem bezighoudt en hij heeft handvatten gekregen om ingeval van oplopende stress of spanning hiermee om te gaan. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering ziet geen meerwaarde in reclasseringsbemoeienis en adviseert tot een straf zonder bijzondere voorwaarden.
6.3.3
De overwegingen van de rechtbank
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de psycholoog over de verminderde toerekeningsvatbaarheid en neemt die over. De rechtbank zal verdachte de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate toerekenen, hetgeen een matigende invloed heeft op de hoogte van de straf.
Schending redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Verdachte is op 25 juli 2023 in verzekering gesteld. De rechtbank zal in deze zaak dat moment als beginpunt van de redelijke termijn aanmerken. De rechtbank doet op 22 december 2025 uitspraak. De redelijke termijn is met een periode van (bijna) vijf maanden overschreden. In dit geval zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een dergelijke termijnoverschrijding kunnen billijken. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding gecompenseerd dient te worden door een onvoorwaardelijke straf in een andere modaliteit op te leggen dan doorgaans voor dit soort strafbare feiten wordt opgelegd. Dat betekent dat de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf zal opleggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die gezien de heftigheid van het feit anders op zijn plaats was geweest. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Ter terechtzitting zijn is de problematiek van verdachte besproken. Hoewel verdachte met de hulp van een persoonlijke coach reeds aan de slag is gegaan met zijn problematiek, acht de rechtbank het wenselijk dat de reclassering een vinger aan de pols kan houden en dat verdachte een plek heeft om zich te melden voor het geval zijn problematiek meer op de voorgrond raakt. De rechtbank zal daarom aan de voorwaardelijke straf een meldplicht als bijzondere voorwaarde verbinden. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijke deel een kortere proeftijd verbinden dan door de officier van justitie is geëist, gelet op het tijdsverloop.
De op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een meldplicht als bijzondere voorwaarde koppelen. De proeftijd wordt gesteld op twee jaren. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een lichtere sanctie, zoals bepleit door de raadsvrouw, omdat dit geen recht doet aan de ernst van het feit en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 19.368,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- onherstelbare kleding € 149,98
- kosten reiniging stoelbekleding auto € 80,--
- kosten vloerbare voeding € 50,51
- littekencrème, oogdruppels en mondspoeling € 24,93
- pijnstillers en wondgaasjes € 28,06
- opgesoupeerd eigen risico 2024 € 860,80
- opgesoupeerd eigen risico 2023 € 786,84
- kosten inhuren extra personeel € 1.266,78
- huishoudelijke hulp door partner € 1.435,--
- mantelzorg door partner € 924,--
- reis- en parkeerkosten € 761,62
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 13.000,-- gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de schadeposten “onherstelbare kleding”, “littekencrème, oogdruppels en mondspoeling”, “pijnstillers en wondgaasjes”, “opgesoupeerd eigen risico 2024” en “opgesoupeerd eigen risico 2023”. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering van vergoeding van “kosten reiniging stoelbekleding auto” en “kosten inhuren extra personeel”, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Ook dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering van vergoeding voor “kosten vloeibare voeding”, omdat de benadeelde partij – mocht het letsel niet zijn ontstaan – ook kosten had gehad voor het kopen van voedsel. De vergoeding die wordt gevraagd voor “huishoudelijke hulp door partner” en “mantelzorg door partner” dient te worden gematigd naar een bedrag van € 500,--. De raadsvrouw heeft verzocht om het gevorderde bedrag voor “reis- en parkeerkosten” vast te stellen op een bedrag van € 50,98 bij gebrek aan onderbouwing voor toewijzing van een hoger bedrag. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het psychische letsel van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Het gevraagde bedrag ter vergoeding van de immateriële schade dient, mocht de rechtbank een bedrag toewijzen, te worden gematigd tot een bedrag dat niet hoger is dan € 3.500,--.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
-
De niet-betwiste schadeposten
De opgevoerde schadeposten “onherstelbare kleding”, “littekencrème, oogdruppels en mondspoeling”, “pijnstillers en wondgaasjes”, “opgesoupeerd eigen risico 2024” en “opgesoupeerd eigen risico 2023” zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal deze gevorderde bedragen van respectievelijk € 149,98, € 24,93, € 28,06, € 860,80 en € 786,84 toewijzen.
-
Reis- en parkeerkosten
De rechtbank acht het voldoende aannemelijk en onderbouwd dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde geweldshandelingen de door hem gestelde schade in de vorm van “reis- en parkeerkosten” heeft geleden.
De reiskosten naar het politiebureau en naar de advocaat vormen naar het oordeel van het de rechtbank en gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad echter geen rechtstreekse materiële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze kosten zijn evenmin toewijsbaar als proceskosten, omdat zij niet worden genoemd in de civiele proceskostenregeling. [2] Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat reis- en verblijfkosten op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover door de benadeelde partij zonder gemachtigde (advocaat) wordt geprocedeerd. [3] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij met een gemachtigde (advocaat) procedeert. Het wettelijk stelsel biedt in dat geval geen ruimte voor vergoeding van de hier gevorderde reiskosten. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde reiskosten naar het politiebureau en naar de advocaat afwijzen. De rechtbank zal het overig gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 754,18.
- Kosten reinigen stoelbekleding auto en kosten vloeibare voeding
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank acht het alleszins aannemelijk dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde geweldshandelingen de door hem gestelde schade in de vorm van de schadeposten “kosten reinigen stoelbekleding auto” en “kosten vloeibare voeding” heeft geleden. Er is weliswaar geen foto van de binnenkant van de auto van de benadeelde aangeleverd ter onderbouwing, maar gelet op het forse letsel dat aan de benadeelde partij is toegebracht en de foto van de buitenkant van zijn auto uit het dossier is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft moeten maken om de stoelbekleding van zijn auto te laten reinigen. De gevorderde bedragen ter vergoeding van de voornoemde schade komen de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen.
- Huishoudelijke hulp en mantelzorg
Ten aanzien van de schadeposten “huishoudelijke hulp” en “mantelzorg” overweegt de rechtbank als volgt. Deze schadeposten betreffen zogenaamde verplaatste schade zoals bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de vaststelling van deze schade mag worden geabstraheerd van het feit dat de partner van verdachte niet daadwerkelijk kosten in rekening heeft gebracht bij de benadeelde partij voor de verrichte huishoudelijke taken en de mantelzorg. Wel dient bij de begroting van deze schade als maatstaf te gelden of en in hoeverre het inschakelen van professionele hulp voor het verrichten van de huishoudelijke werkzaamheden en de verleende mantelzorg normaal en gebruikelijk is. Uit de onderbouwing van deze schadeposten blijkt dat voor de begroting van deze schadeposten de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschaderaad is gebruikt, waarbij ervan uit is gegaan dat de partner van de benadeelde partij acht weken lang extra taken in het huishouden heeft moeten doen, vier weken lang twee uur per dag mantelzorg heeft verricht, en daarna vier weken lang een uur per dag. Gelet op de aard en ernst van het letsel heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen of de mantelzorg nodig was, en acht de rechtbank het ook normaal en gebruikelijk dat hiervoor professionele hulp voor wordt ingeschakeld. Datzelfde geldt voor de huishoudelijke werkzaamheden. De rechtbank acht de gehanteerde bedragen voor de verrichtte huishoudelijke taken en de mantelzorg ook alleszins redelijk. De opgevoerde schade voor “huishoudelijke hulp” en “mantelzorg” zal de rechtbank dan ook in zijn geheel toewijzen.
-
Wettelijke rente
Voormelde toegewezen bedragen zullen worden vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
-
Kosten inhuren extra personeel
De onder de schadepost “kosten inhuren extra personeel” opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering, een bedrag van € 1.266,78, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 13.000,00, billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag derhalve volledig toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 125 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 (vijfenzeventig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardedat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
schadevergoeding (vordering [slachtoffer] )
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 7,44 (bestaande uit materiële schade);
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 18.094,30 (bestaande uit € 5.094,30 materiële schade en € 13.000,-- immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 18.094,30 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2023);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 18.094,30 (zegge: achttienduizend vierennegentig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 125 (honderdvijfentwintig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.266,78 (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. T.H. Kapinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023340499. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Hoge Raad 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:662.
3.Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414.