5.3De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zijn stiefvader, [slachtoffer] , meerdere keren met een mes in zijn lichaam gestoken. Hij heeft daarmee het leven van [slachtoffer] ernstig in gevaar gebracht, slechts door tijdig medisch ingrijpen is voorkomen dat [slachtoffer] is overleden. Door het handelen van verdachte is de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig geschonden en dit heeft angst en paniek bij hem veroorzaakt.
Uit het letselverslag blijkt dat [slachtoffer] ernstige verwondingen heeft opgelopen, waaronder een (dubbele) klaplong. Als gevolg van het toegebrachte steekletsel ondervindt [slachtoffer] blijvende lichamelijke beperkingen. Het steekincident heeft ook psychische gevolgen voor hem gehad. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte verder aan dat het steekincident in de woning van zijn moeder en stiefvader plaatsvond, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen. De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat zijn moeder hierbij aanwezig was en heeft gezien hoe haar zoon meermalen op haar echtgenoot instak.
Een feit als deze heeft bovendien tot gevolg dat de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving worden bevestigd en versterkt door de lichtzinnigheid waarmee gebruik is gemaakt van een mes als steekwapen.
De rechtbank weegt echter ook mee dat verdachte ter zitting te kennen heeft gegeven zich ervan bewust te zijn dat hij verdriet heeft toegebracht aan zijn stiefvader, moeder en overige gezinsleden. De rechtbank stelt vast dat verdachte ter zitting volledige openheid van zaken heeft gegeven, zich kwetsbaar heeft opgesteld en oprechte spijt heeft getoond. Ook heeft hij meegewerkt aan persoonlijkheidsonderzoeken.
- Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 3 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, onder meer voor mishandeling, poging tot zware mishandeling en bedreiging.
- Rapportages
De rechtbank heeft gelet op de rapportage van de psychiater en psycholoog van respectievelijk 10 oktober 2025 en 14 oktober 2025.
Zij hebben gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, gekenmerkt door een reeds langer bestaande psychotische desintegratie die past binnen dit ziektebeeld. Deze stoornis was aanwezig tijdens het plegen van het feit waardoor verdachte zijn wil verminderd kon bepalen. De deskundigen adviseren om die reden het feit in ieder geval in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De deskundigen hebben volledige ontoerekeningsvatbaarheid overwogen maar zij achten dat verdachte wel deels in staat is geweest om een keuze te maken in zijn handelen.
De rechtbank deelt de conclusie van de deskundigen over de verminderde toerekenbaarheid en neemt deze over.
Uit de rapportages volgt verder dat verdachte vanaf april 2025 antipsychotische dwangmedicatie krijgt, waarop hij goed reageert. Gelet op het chronische karakter van de schizofrenie, de daarmee samenhangende verhoogde prikkelbaarheid, het beperkte ziekte-inzicht, de zelfoverschatting en mogelijke psychotische achterdocht, wordt het aannemelijk geacht dat verdachte niet trouw zal/kan blijven aan het innemen van medicatie. Onder dergelijke omstandigheden is het te voorzien dat maatschappelijke teloorgang en overlastgevend gedrag zullen optreden, met daarbij een verhoogd gevaar voor het eigen welbevinden en de veiligheid van verdachte en/of (willekeurige) derden. Het risico op recidive indien verdachte zonder behandeling en toezicht in de samenleving terugkeert, wordt als hoog ingeschat. Langdurige begeleiding en toezicht op het medicatiegebruik is om die reden van groot belang. De deskundigen concluderen dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is. Gelet op het hoge recidiverisico op geweld, de onderliggende psychische stoornis en de noodzaak van een hoog beveiligingsniveau (minimaal niveau 3), dient deze behandeling plaats te vinden in het kader van een TBS met dwangverpleging in een daartoe geschikte instelling, zoals een FPK of een FPC.
De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op de reclasseringsrapportage van 29 oktober 2025, waaruit volgt dat de reclassering het ongepast en onmogelijk acht om voorwaarden te adviseren bij een eventueel op te leggen straf, omdat TBS met dwangverpleging wordt geadviseerd.
Op te leggen straf en/of maatregel
-
TBS met dwangverpleging
TBS met dwangverpleging kan worden opgelegd indien bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn zoals omschreven in artikel 37a, eerste lid, Sr en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Tot slot is vereist dat de rechtbank beschikt over een advies van twee gedragsdeskundigen, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
De rechtbank stelt vast dat aan deze vereisten is voldaan. Uit de bevindingen van de deskundigen volgt dat het risico op herhaling van een fors geweldsdelict als hoog wordt ingeschat. Gelet op het eerdere gedrag van verdachte zijn er aanwijzingen voor gevaar op het plegen van geweld en het uiten van geweldsdreigingen, zowel jegens familieleden als jegens willekeurige derden. Op dit moment vertoont verdachte stabiel gedrag, hetgeen het gevolg is van de antipsychotische medicatie (onder dwang). De medicatie-inname is derhalve essentieel voor het waarborgen van zijn stabiliteit, het verminderen van psychotische symptomen en desintegratie, en daarmee voor het terugdringen van het agressierisico. Verdachte is echter niet intrinsiek gemotiveerd om de medicatie zonder een dwingend kader te blijven gebruiken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, indien de keuze bij hem zou liggen, zou stoppen met het gebruik van de medicatie. Voorts blijkt uit het verleden dat hij eerder zijn medicatiegebruik heeft gestaakt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de ernst van het bewezenverklaarde, van oordeel dat er zonder adequate (medicamenteuze) behandeling een reële kans op herhaling aanwezig is, waarbij gevaar voor de veiligheid van anderen bestaat.
De rechtbank is van oordeel dat intensieve en langdurige behandeling (met medicamenteuze dwang) van verdachte geboden is. Gezien de ernst en het chronische karakter van de stoornis, het door die stoornis ingegeven gebrek aan inzicht van verdachte in zijn eigen ziektebeeld, waardoor hij de noodzaak van medicatie onvoldoende beseft, alsmede het aanzienlijke recidiverisico en het gevaar voor anderen indien verdachte onbehandeld in de maatschappij zou terugkeren, acht de rechtbank het opleggen van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk en proportioneel. Een voorwaardelijk strafdeel met klinische behandeling of een TBS met voorwaarden acht de rechtbank niet toereikend, aangezien het risico op recidive daarmee onvoldoende wordt ondervangen. De rechtbank acht de door de deskundigen voorgestelde langdurige, intensieve en forensische (klinische) behandeling in een instelling met een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.
De rechtbank overweegt dat de maatregel van TBS met dwangverpleging wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk poging tot doodslag. De totale duur van de maatregel kan daarom, op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr, een periode van vier jaar te boven gaan.
- Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de aard en ernst van het bewezenverklaarde aan verdachte ook een gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal van deze straf worden afgetrokken.