Eiseres, werkzaam als verzorgende, werd per 4 december 2023 door het UWV afgewezen voor een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank beoordeelde het beroep op 24 april 2025 en concludeerde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van eiseres adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Eiseres voerde aan dat haar klachten en beperkingen ernstiger waren dan door het UWV aangenomen, met verwijzing naar medische rapporten waaronder die van een internist en een verzekeringsarts. De rechtbank oordeelde echter dat de verzekeringsarts bevoegd was om op basis van het dossier en zonder aanvullende consultatie van de internist te oordelen en dat de medische rapporten voldoende onderbouwing boden voor de vastgestelde beperkingen.
De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiseres in staat was om bepaalde functies te vervullen ondanks haar beperkingen. De rechtbank vond het motiveringsgebrek in het oorspronkelijke besluit van het UWV niet doorslaggevend, omdat het beroep niet benadeeld werd en het besluit inhoudelijk juist was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.