Eisers hebben beroep ingesteld tegen de ambtshalve uitschrijving van eiser 1 uit de basisregistratie personen (brp) door het college van burgemeester en wethouders van Zwolle. Het primaire besluit dateert van 25 augustus 2023 en is gevolgd door een bestreden besluit van 3 januari 2024 dat het bezwaar van eisers afwijst.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld en beoordeelt of verweerder terecht tot uitschrijving is overgegaan. Eisers stelden dat het besluit niet rechtsgeldig bekend was gemaakt aan de beschermingsbewindvoerder (eiser 2) en dat er onvoldoende onderzoek was verricht naar het werkelijke woonadres van eiser 1. Verweerder voerde aan dat het besluit correct is bekendgemaakt en dat er een gedegen adresonderzoek is uitgevoerd conform de geldende circulaire.
De rechtbank oordeelt dat de bewindvoerder niet als gemachtigde van eiser 1 hoefde te worden aangemerkt omdat hij niet bekend was als gemachtigde en geen bevoegdheden heeft op grond van de Wet brp. Het adresonderzoek bestond uit schriftelijke verzoeken om opgave van het juiste adres, een huisbezoek en publicatie van het besluit in het gemeenteblad. Eisers hebben de rechtmatigheid en uitkomsten van het adresonderzoek niet betwist.
De rechtbank concludeert dat aan de voorwaarden voor ambtshalve uitschrijving is voldaan: eiser 1 was niet bereikbaar op het geregistreerde adres, er was geen aangifte van adreswijziging ontvangen en ondanks gedegen onderzoek konden geen nieuwe verblijfgegevens worden achterhaald. Het belang van eiser 1 om zijn uitkering te behouden doet hieraan niet af. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.