De veroordeelde maakte bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis, omdat twee stukken in het dossier ontbraken van een handtekening en naam van een officier van justitie. De rechtbank stelde vast dat het bezwaarschrift tijdig en ontvankelijk was.
De politierechter overwoog dat de bevoegdheid tot omzetting van taakstraf in vervangende hechtenis niet gemandateerd kan worden en vereist dat de beslissing ondertekend en gedateerd is door een bevoegde officier van justitie. Het ontbreken van deze essentiële elementen maakte de omzettingsbeslissing gebrekkig en oncontroleerbaar, waardoor de vervangende hechtenis geen rechtskracht heeft.
Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard op ambtshalve gronden en werd bepaald dat de veroordeelde alsnog de taakstraf van tien uren moet verrichten vóór 1 januari 2025. De rechtbank volgde hiermee eerdere jurisprudentie en benadrukte het belang van een ondertekende en gedateerde beslissing voor rechtszekerheid en controle.