ECLI:NL:RBOVE:2022:514
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep op bijzondere bijstand voor woninginrichting na vernieling woning en inboedel
Eiser ontving een bijstandsuitkering en werd door vernieling van zijn woning en inboedel gedwongen te verhuizen. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, welke door het college van burgemeester en wethouders van Enschede werd afgewezen op grond van artikel 14 PW Pro, omdat schadegerelateerde kosten niet tot noodzakelijke kosten van het bestaan zouden behoren.
De rechtbank oordeelt dat de kosten van woninginrichting in dit geval wel voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 35 PW Pro, omdat deze noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De verhuizing was het gevolg van vernieling door derden, waardoor eiser noodgedwongen op straat kwam te staan en niet kon terugkeren naar zijn oude woning.
Verder is vastgesteld dat eiser niet over de financiële middelen beschikte om de kosten te dragen, noch door reservering noch door gespreide betaling. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen waarbij bijzondere bijstand wordt verleend. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen bijzondere bijstand voor woninginrichting toe te kennen.