ECLI:NL:RBOVE:2021:1535
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Overijssel behandelde de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die was veroordeeld voor onder meer medeplegen van een drugsexport en feitelijk leiding geven aan gewoontewitwassen.
Het OM stelde dat de veroordeelde een bedrag van € 2.529.555,61 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten, later bijgesteld naar € 315.666,-. De rechtbank nam deze nieuwe berekening als uitgangspunt en onderzocht de afzonderlijke onderdelen.
Ten aanzien van de onderschepte export van 16,6 kilogram hennep oordeelde de rechtbank dat niet aannemelijk was dat de veroordeelde voordeel had behaald, omdat niet vaststond of vooraf was betaald en de levering was onderschept.
Met betrekking tot het gewoontewitwassen door de rechtspersoon [bedrijf], waarvan de veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder was, concludeerde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestond dat het negatieve kasverschil van € 309.192,- aan de veroordeelde persoonlijk kon worden toegerekend. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat het vermogen van een rechtspersoon niet zonder meer met dat van de bestuurder mag worden vereenzelvigd.
De rechtbank oordeelde dat het dossier geen aanwijzingen gaf voor een onbekend gebleven misdrijf waaruit de veroordeelde voordeel zou hebben genoten. Op grond hiervan wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs dat de veroordeelde voordeel heeft genoten.