Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de akte van [eiser] van 4 december 2019;
- het proces-verbaal van comparitie van 4 december 2019, met daaraan gehecht de later ingekomen schriftelijke opmerkingen van mr. B.M. Stroetinga en mr. B. van Treijen.
2.De feiten
nade instorting moet hebben plaatsgevonden.
3.De vordering
4.De onderbouwing van de vordering
Kamerstukken II1992/93, 23 095, nr. 3, p. 33).