Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[eiser] ,
[eiseres],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitaantekeningen van [gedaagde] .
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een geschil tussen broer en zus waarbij de zus conservatoir beslag heeft gelegd op het appartementsrecht van haar broer vanwege een vordering uit onrechtmatig handelen. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het beslag onrechtmatig was, maar de zus heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
De broer en diens partner vorderen in kort geding opheffing van het beslag, stellende dat het beslag hun belangen buitenproportioneel schaadt, onder meer door de wens om te verhuizen en lagere hypotheeklasten te verkrijgen. De zus handhaaft het beslag en voert aan dat er geen spoedeisend belang is en dat de vordering in hoger beroep nog beoordeeld moet worden.
De voorzieningenrechter overweegt dat het beslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro moet worden opgeheven indien summierlijk blijkt dat het ingeroepen recht ondeugdelijk is, maar dat ook een belangenafweging moet plaatsvinden. Gezien het hoger beroep en de aard van het conservatoir beslag moet het belang van de beslaglegger zwaarder wegen dan dat van de beslagene, zeker omdat de beslagene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het appartement te koop staat of spoedig zal worden verkocht.
De vorderingen worden afgewezen en de broer en partner worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en op 2 oktober 2018 uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing van het conservatoir beslag op het appartementsrecht wordt afgewezen.