Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 2] te Zwolle en
Procesverloop
Overwegingen
30 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4019), 13 januari 2016 (ERCLI:NL:RVS:2016:72) en 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2879) op het standpunt gesteld dat er weliswaar sprake is van een overlap tussen de verordening en de daarbij behorende voorschriften met de Wabo, de Woningwet en de Wro, maar dat dit niet per definitie leidt tot strijd tussen de verordening en deze wettelijke regelingen. Slechts voor zover de lagere regelgeving de hogere doorkruist is dit anders. In het onderhavige geval acht verweerder artikel 4, derde lid, sub d van de Ligplaatsverordening en artikel 6, eerste lid en artikel 7, zesde lid van de daarbij behorende voorschriften niet in strijd met de Wabo.
3 juni 2015 heeft geoordeeld dat een woonboot (in de meeste gevallen) als een bouwwerk in de zin van de Wabo moet worden aangemerkt en dat de in die uitspraken aan de orde zijnde bepalingen van de desbetreffende verordeningen niet van toepassing waren op woonboten, omdat in de definitiebepaling van woonboot in die verordeningen expliciet was opgenomen dat daaronder niet objecten in de zin van de Woningwet vielen.
op verzoek van de welstandscommissievanwege de verhoudingen, breder zou zijn gemaakt. De rechtbank wijst er op dat eisers stellen dat gelet op de maatvoering zoals aangegeven op de tekening de stuurhut vooralsnog niet aan artikel 7, vijfde lid, lijkt te voldoen.