Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2013:4259

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 december 2013
Publicatiedatum
17 februari 2014
Zaaknummer
Awb 13/392 en 13/923
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbWet werk en bijstandStaatsblad 2012, 666Staatsblad 2012, 313
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij bijstandsuitkering

Eiseres had beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Kampen betreffende de intrekking en toekenning van een bijstandsuitkering. De rechtbank stelde vast dat het eerdere beroep van eiseres tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2009 tot 30 september 2011 ongegrond was verklaard, maar dat het recht op bijstand vanaf 1 oktober 2011 nog bestond.

Eiseres had vervolgens aanvragen ingediend om met ingang van 1 oktober 2011 opnieuw een bijstandsuitkering toe te kennen, terwijl dit recht volgens de rechtbank al bestond. De rechtbank oordeelde dat eiseres daardoor geen procesbelang had bij de ingediende beroepen, omdat het resultaat dat zij nastreefde, namelijk het verkrijgen van bijstand vanaf die datum, feitelijk al was bereikt.

De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarin is bepaald dat procesbelang vereist is voor ontvankelijkheid van een beroep. Gezien het ontbreken van procesbelang verklaarde de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.

Uitkomst: De beroepen van eiseres zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: Awb 13/392 en Awb 13/923

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

wonende te Kampen, eiseres,
gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij,
en
het college van burgemeester en wethouders van Kampen,
gevestigd te Kampen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van 28 december 2011 op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 maart 2013 niet-ontvankelijk verklaard (bestreden besluit I). Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nummer Awb 13/923.
Bij besluit van 21 juni 2012 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 6 maart 2012 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande op grond van de WWB.
Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 januari 2013 ongegrond verklaard (bestreden besluit II). Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nummer Awb 13/392.
De beroepen zijn ter zitting van 9 september 2013 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.J. van Galen.

Overwegingen

1.
De beroepen zijn ingediend bij de rechtbank Oost-Nederland. Met ingang van 1 april 2013 is de zogeheten Splitswet (Staatsblad 2012, 666) in werking getreden.
Hierdoor is het per 1 januari 2013 ingevolge de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) gevormde arrondissement Oost-Nederland gesplitst in de arrondissementen Gelderland en Overijssel. Als gevolg hiervan wordt deze uitspraak gedaan door de rechtbank Overijssel.
2.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1.
Bij besluit van 6 december 2011 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingetrokken over de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 (lees: 30) september 2011. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 mei 2012 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2013, procedurenummer Awb 12/1337, ongegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep ingesteld, dat thans aanhangig is.
2.2.
Met ingang van 1 oktober 2011 heeft verweerder aan eiseres geen betalingen in het kader van de WWB meer gedaan.
2.3.
Op 28 december 2011 heeft eiseres zich bij verweerder gemeld om per 1 oktober 2011 een nieuwe uitkering aan te vragen, welke aanvraag eiseres op 9 januari 2012 heeft ingediend. Bij brief van 19 januari 2012 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om voor 30 januari 2012 ontbrekende gegevens en/of bewijsstukken over te leggen. Eiseres heeft niet gereageerd op deze brief, waarna verweerder bij besluit van 2 februari 2012 eiseres heeft meegedeeld dat haar aanvraag op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb vanwege het ontbreken van voldoende gegevens niet in behandeling wordt genomen.
2.4.
Op 13 november 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 februari 2012. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
Op 16 februari 2012 heeft eiseres zich opnieuw gemeld voor een bijstandsuitkering, welke aanvraag eiseres op 27 februari 2012 heeft ingediend.
2.6.
Bij besluit van 21 juni 2012 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 6 maart 2012 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het verzoek om bijstand over de periode van 16 februari 2012 tot 6 maart 2012 is hierbij afgewezen, omdat eiseres volgens verweerder in die periode werkzaamheden verrichtte en over voldoende inkomsten uit arbeid beschikte. Bij het bestreden besluit II is dit besluit gehandhaafd.
Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals beschreven onder de rubriek Procesverloop.
2.7.
Bij besluit van 13 april 2013, verzonden op 17 april 2013, heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken over de periode van 1 oktober 2011 tot 6 maart 2012, omdat ten gevolge van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op uitkering niet vastgesteld kan worden.
3.
Eiseres heeft aangevoerd dat er doorlopend recht op uitkering bestaat vanaf 1 oktober 2011, waarvoor zij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
21 maart 2013.
4.
De rechtbank overweegt als volgt.
De door eiseres ingenomen stelling dat uit de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2013 voortvloeit dat zij per 1 oktober 2011 recht had op een bijstandsuitkering, roept de eerst ambtshalve door de rechtbank te beoordelen vraag op of eiseres in de onderhavige procedures procesbelang heeft.
De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2013 het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar recht op een bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 (lees: 30) september 2011 ongegrond is verklaard en is vastgesteld dat het recht op een bijstandsuitkering vanaf de periode na intrekking, namelijk vanaf 1 oktober 2011, nog bestond.
De in geding zijnde aanvragen van eiseres, die het gevolg zijn van het rechtens onjuist gebleken standpunt van verweerder dat per 1 oktober 2011 geen recht op een bijstandsuitkering bestond, strekken er echter toe haar met ingang van
1 oktober 2011 een bijstandsuitkering toe te kennen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 oktober 2009 (ECLI:NL:CRVB:BK0379). Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit, dat eiseres de aanvragen zoals deze thans in geding zijn heeft ingediend terwijl zij per 1 oktober 2011 al recht op een bijstandsuitkering had.
In vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:CA0944) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
De rechtbank is van oordeel dat, nu de aanvragen van eiseres ertoe strekken haar met ingang van 1 oktober 2011 recht op bijstand toe te kennen maar dit recht reeds bestond, eiseres geen procesbelang in de hiervoor omschreven zin heeft. Dit betekent dat de beroepen vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
5.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen Awb 13/392 en Awb 13/923 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Loenen, rechter, en door deze en mr. D.H. Harbers als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.