3.7.Een arts van het UWV heeft de werknemer op 30 oktober 2024 op spreekuur gezien. Deze arts heeft de werknemer op die datum ongeschikt geacht voor haar arbeid als gevolg van ziekte of gebrek.
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de werknemer per 16 juli 2024 arbeidsongeschikt was voor haar werk als verkoopmedewerker voor 28 uur per week. Om die reden heeft de werknemer, rekening houdend met twee wachtdagen, per 18 juli 2024 recht op een ZW-uitkering. Het UWV baseert dit standpunt op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 18 maart 2025 en 11 december 2025. De verzekeringsarts B&B heeft nadere informatie bij de behandelende sector opgevraagd. Aan de hand van deze informatie heeft de verzekeringsarts B&B onderbouwd waarom hij vindt dat 16 juli 2024 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag plausibel is te noemen.
5. Eiseres is het niet met het UWV eens. Kort samengevat voert zij daartoe het volgende aan. De werknemer heeft zich tijdens het dienstverband niet ziekgemeld en ook waren er geen signalen van arbeidsongeschiktheid. Ook op het moment van uitdiensttreding was er geen sprake van ziekte of beperkingen en volgde de ziekmelding pas later met terugwerkende kracht, terwijl een ziekmelding onverwijld moet plaatsvinden. Het UWV neemt ten onrechte aan dat de werknemer al op 16 juli 2024 arbeidsongeschikt voor haar werk was. Een objectieve medische onderbouwing voor die aanname ontbreekt. Eiseres ziet juist contra-indicaties voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid per 16 juli 2024. Zo heeft de werknemer op 5 mei 2024 aan eiseres laten weten dat zij vanaf 16 juli 2024 de volledige zorg voor haar moeder op zich zou nemen. Eiseres concludeert daarom dat de ZW-uitkering pas op een latere datum moet ingaan, op zijn vroegst per 30 oktober 2024.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
6. In dit geding moet worden beoordeeld of de werknemer op 16 juli 2024 arbeidsongeschikt was voor de maatgevende arbeid. De maatgevende arbeid is niet, zoals het UWV veronderstelt, de arbeid die de werknemer voor eiseres heeft verricht, maar de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor die arbeid zijn. Op 16 juli 2024 was de werknemer namelijk niet meer in dienst bij eiseres. Dit volgt uit artikel 19, vijfde lid, van de ZW (zie de bijlage). Tot een andere beoordeling leidt dit in dit geval niet, zodat de rechtbank hieraan geen gevolgen zal verbinden.
7. Uitgangspunt is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat in het geval een belanghebbende werkgever in geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert.Daarbij is het mogelijk dat een werknemer zich met terugwerkende kracht ongeschikt meldt.
8. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 18 maart 2025 het volgende overwogen. Bij werknemer waren er na behandeling in 2022 voor een medische aandoening geen restbeperkingen. De huisarts heeft op basis van eigen onderzoek echter een toename van klachten waargenomen en doorverwijzing noodzakelijk geacht. In augustus 2024 werd het de specialist duidelijk dat de werknemer in de laatste vier of vijf maanden een terugval heeft doorgemaakt. Dit heeft zich volgens de verzekeringsarts B&B ook geuit in het opnemen van onbetaald verlof in de laatste maand voor het einde van het dienstverband. De specialist heeft op zijn beurt noodzaak gezien om de werknemer door te verwijzen voor verdere behandeling in de vorm van revalidatie. De verslechtering in de medische situatie is dus medio 2024 ontstaan, dus ruim voor het spreekuur van 30 oktober 2024 van de primaire arts bij het UWV. De verzekeringsarts B&B acht de werknemer vooralsnog ongeschikt voor haar eigen arbeid wegens de werkdruk (veel wisselende taken, prikkels). Dit als gevolg van de aandoening èn als gevolg van toegenomen stress vanuit de omgeving/privésituatie zijn er beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De conclusie is dat de werknemer per 16 juli 2024 arbeidsongeschikt is voor de laatst verrichte arbeid. In het rapport van 11 december 2025 is de verzekeringsarts B&B bij dit standpunt gebleven.
9. De rechtbank ziet in de medische informatie in het dossier onvoldoende steun voor dit standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.