ECLI:NL:RBOBR:2026:840

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
25/2014
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 19 ZWArt. 46 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep werkgever tegen ingangsdatum Ziektewetuitkering werknemer

De zaak betreft het beroep van een werkgever tegen de ingangsdatum van de Ziektewetuitkering die het UWV aan een ex-werknemer heeft toegekend. De werkgever betwist dat de werknemer per 16 juli 2024 arbeidsongeschikt was en voert aan dat de ziekmelding met terugwerkende kracht is gedaan zonder objectieve medische onderbouwing.

De rechtbank beoordeelt de medische informatie en constateert dat deze vrijwel geheel gebaseerd is op de verklaringen van de werknemer zelf, zonder voldoende objectief medisch bewijs dat de werknemer op 16 juli 2024 ongeschikt was voor de maatgevende arbeid. De rechtbank stelt vast dat de ingangsdatum van de ZW-uitkering onvoldoende is gemotiveerd en vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt dat de ZW-uitkering ingaat op 30 oktober 2024, aansluitend bij het medisch onderzoek van de verzekeringsarts op die datum. Tevens veroordeelt de rechtbank het UWV in de proceskosten van de werkgever en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De ingangsdatum van de Ziektewetuitkering wordt vastgesteld op 30 oktober 2024 en het beroep van de werkgever wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2014

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] ., uit [Plaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de ingangsdatum van een ZW [1] -uitkering die het UWV aan een ex-werknemer van eiseres heeft toegekend. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van de ZW-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ingangsdatum van de ZW-uitkering niet in stand kan blijven en op een latere datum moet liggen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen staan onder 4 en 5. De redenen voor de beslissing van de rechtbank volgen vanaf 6. Aan het eind staan de conclusie en de gevolgen daarvan en de beslissing van de rechtbank.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 september 2024 heeft het UWV met ingang van 18 juli 2024 een ZW-uitkering toegekend aan [naam] (hierna: de werknemer). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam] , bestuurder van eiseres. Het UWV heeft zich met berichtgeving niet laten vertegenwoordigen.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten en omstandigheden
3. Eiseres is eigenrisicodrager voor de ZW.
3.1.
De werknemer was vanaf 16 juli 2023 in dienst bij eiseres in de functie van verkoopmedewerker voor 28 uur per week. Het betrof een dienstverband voor de duur van één jaar.
3.2.
Bij brief van 16 mei 2024 heeft eiseres aan de werknemer meegedeeld dat het dienstverband niet wordt verlengd. Volgens de brief hebben eiseres en de werknemer afgesproken dat de werknemer vanaf 16 mei 2024 haar nog niet opgemaakte verlof opneemt en dat zij daarna onbetaald verlof opneemt tot het einde van haar dienstverband op 15 juli 2024. Aan het einde van de brief wenst eiseres de werknemer veel sterkte met de mantelzorg voor haar naasten.
3.3.
Op 10 juli 2024 heeft de werknemer bij het UWV een aanvraag voor een uitkering op grond van de WW [2] ingediend. Het UWV heeft bij besluit van 11 juli 2024 deze uitkering met ingang van 17 juli 2024 aan de werknemer toegekend.
3.4.
De werknemer heeft zich op 15 augustus 2024 bij het UWV ziekgemeld per 3 februari 2022.
3.5.
Bij besluit van 16 augustus 2024 heeft het UWV aan de werknemer meegedeeld dat zij vanaf 17 juli 2024 (toch) geen WW-uitkering krijgt. Zij heeft namelijk laten weten dat zij niet beschikbaar voor werk is, omdat zij ziek is.
3.6.
Op 29 augustus 2024 heeft de werknemer telefonisch bij het UWV aangegeven dat zij had bedoeld zich per 16 juli 2024 ziek te melden. Zij heeft daarbij meegedeeld dat zij op die dag een terugval heeft gehad.
3.7.
Een arts van het UWV heeft de werknemer op 30 oktober 2024 op spreekuur gezien. Deze arts heeft de werknemer op die datum ongeschikt geacht voor haar arbeid als gevolg van ziekte of gebrek.
Standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de werknemer per 16 juli 2024 arbeidsongeschikt was voor haar werk als verkoopmedewerker voor 28 uur per week. Om die reden heeft de werknemer, rekening houdend met twee wachtdagen, per 18 juli 2024 recht op een ZW-uitkering. Het UWV baseert dit standpunt op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 18 maart 2025 en 11 december 2025. De verzekeringsarts B&B heeft nadere informatie bij de behandelende sector opgevraagd. Aan de hand van deze informatie heeft de verzekeringsarts B&B onderbouwd waarom hij vindt dat 16 juli 2024 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag plausibel is te noemen.
5. Eiseres is het niet met het UWV eens. Kort samengevat voert zij daartoe het volgende aan. De werknemer heeft zich tijdens het dienstverband niet ziekgemeld en ook waren er geen signalen van arbeidsongeschiktheid. Ook op het moment van uitdiensttreding was er geen sprake van ziekte of beperkingen en volgde de ziekmelding pas later met terugwerkende kracht, terwijl een ziekmelding onverwijld moet plaatsvinden. Het UWV neemt ten onrechte aan dat de werknemer al op 16 juli 2024 arbeidsongeschikt voor haar werk was. Een objectieve medische onderbouwing voor die aanname ontbreekt. Eiseres ziet juist contra-indicaties voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid per 16 juli 2024. Zo heeft de werknemer op 5 mei 2024 aan eiseres laten weten dat zij vanaf 16 juli 2024 de volledige zorg voor haar moeder op zich zou nemen. Eiseres concludeert daarom dat de ZW-uitkering pas op een latere datum moet ingaan, op zijn vroegst per 30 oktober 2024.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
6. In dit geding moet worden beoordeeld of de werknemer op 16 juli 2024 arbeidsongeschikt was voor de maatgevende arbeid. De maatgevende arbeid is niet, zoals het UWV veronderstelt, de arbeid die de werknemer voor eiseres heeft verricht, maar de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor die arbeid zijn. Op 16 juli 2024 was de werknemer namelijk niet meer in dienst bij eiseres. Dit volgt uit artikel 19, vijfde lid, van de ZW (zie de bijlage). Tot een andere beoordeling leidt dit in dit geval niet, zodat de rechtbank hieraan geen gevolgen zal verbinden.
7. Uitgangspunt is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat in het geval een belanghebbende werkgever in geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert. [3] Daarbij is het mogelijk dat een werknemer zich met terugwerkende kracht ongeschikt meldt. [4]
8. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 18 maart 2025 het volgende overwogen. Bij werknemer waren er na behandeling in 2022 voor een medische aandoening geen restbeperkingen. De huisarts heeft op basis van eigen onderzoek echter een toename van klachten waargenomen en doorverwijzing noodzakelijk geacht. In augustus 2024 werd het de specialist duidelijk dat de werknemer in de laatste vier of vijf maanden een terugval heeft doorgemaakt. Dit heeft zich volgens de verzekeringsarts B&B ook geuit in het opnemen van onbetaald verlof in de laatste maand voor het einde van het dienstverband. De specialist heeft op zijn beurt noodzaak gezien om de werknemer door te verwijzen voor verdere behandeling in de vorm van revalidatie. De verslechtering in de medische situatie is dus medio 2024 ontstaan, dus ruim voor het spreekuur van 30 oktober 2024 van de primaire arts bij het UWV. De verzekeringsarts B&B acht de werknemer vooralsnog ongeschikt voor haar eigen arbeid wegens de werkdruk (veel wisselende taken, prikkels). Dit als gevolg van de aandoening èn als gevolg van toegenomen stress vanuit de omgeving/privésituatie zijn er beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De conclusie is dat de werknemer per 16 juli 2024 arbeidsongeschikt is voor de laatst verrichte arbeid. In het rapport van 11 december 2025 is de verzekeringsarts B&B bij dit standpunt gebleven.
9. De rechtbank ziet in de medische informatie in het dossier onvoldoende steun voor dit standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
9.1.
Volgens het huisartsenjournaal is de werknemer op 11 juni 2024 en 21 juni 2024 komen bijpraten bij de huisarts. Zij heeft toen gemeld dat het behalve met haar moeder ook met haarzelf niet goed gaat: zij staat al moe op uit bed, kan prikkels niet verdragen en is snel emotioneel. Zij heeft ontslag bij eiseres genomen om haar moeder thuis te halen, maar ook omdat het werk eigenlijk te veel van haar vroeg. Zij heeft niet meer het energieniveau van vroeger en zou graag nog eens naar een specialist willen en horen wat haar letsel nu is. De huisarts heeft de werknemer verwezen naar een specialist. Deze specialist heeft de werknemer op 13 augustus 2024 gezien. Volgens zijn brief van 20 augustus 2024 heeft de werknemer toen onder andere verklaard er helemaal doorheen te zitten en niet meer te kunnen. De specialist heeft zijn vermoedens uitgesproken over de aard van het letsel en werknemer voor de klachten doorverwezen naar de hoofdbehandelaar. Volgens een brief van de hoofdbehandelaar van 21 augustus 2024 is uit een MR-scan een stabiel beeld van de aandoening gebleken. Volgens dezelfde brief is uit telefonisch contact met de werknemer gebleken dat zij sinds vier of vijf maanden een terugval heeft ervaren en veel moe is. Zij heeft lang doorgewerkt, maar heeft niet naar haar lichaam geluisterd. In een brief van 3 februari 2025 heeft de huisarts van de werknemer aan het UWV onder andere bericht: ‘Zet zich hard in (…) om toch te laten zien dat ze het werk wel aankan. Uiteindelijk lijkt ze denk ik hierin teveel van zichzelf gevraagd te hebben, waarbij mogelijk ook de zorgen om haar ouders op dat moment echt teveel voor haar waren.’ Tenslotte blijkt uit een brief van een behandelaar van 4 februari 2025 dat het revalidatietraject is gestart op 28 augustus 2024.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat deze informatie vrijwel geheel berust op wat de werknemer zelf heeft verklaard. Bij de informatie in het huisartsenjournaal staat een ‘S’ vermeld (subjectief). Van een eigen onderzoek en daaruit gerapporteerde bevindingen door de huisarts blijkt niet uit het journaal. Hetzelfde geldt voor de informatie van de specialisten: afgezien van een MR-scan hebben zij geen nader onderzoek verricht. Uit deze informatie blijkt weliswaar consequent dat de werknemer een terugval heeft ervaren; objectieve medische informatie waaruit kan blijken dat de werknemer op 16 juli 2024 niet meer geschikt was voor de maatgevende arbeid, bevat deze informatie echter niet. Ook uit het feit dat de werknemer is doorverwezen en dat zij per 28 augustus 2024 werd behandeld blijkt dat niet, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat de doorverwijzing van de huisarts naar de specialist niet heeft plaatsgevonden vanwege de klachten, maar wegens vragen over het letsel. Tenslotte blijkt dat ook niet uit het feit dat de werknemer onbetaald verlof heeft opgenomen, omdat uit het dossier voldoende blijkt dat dit was vanwege het voornemen van de werknemer om mantelzorg aan haar moeder te verlenen. Dit blijkt namelijk uit het bericht van 5 mei 2024 van de werknemer aan eiseres (zie onder 5) en de brief van 16 mei 2024 van eiseres aan de werknemer (zie onder 3.2).
9.3.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb onvoldoende is gemotiveerd. Gelet op het tijdsverloop sinds 16 juli 2024 is het naar het oordeel van de rechtbank niet waarschijnlijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ZW-uitkering ingaat op 30 oktober 2024. Dit sluit aan op de bevindingen van het door het UWV verrichte medisch onderzoek op 30 oktober 2024.
10. Gelet op deze uitkomst bestaat er geen aanleiding voor een bespreking van de andere beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de toekenning van de ZW-uitkering met ingang van 18 juli 2024 niet in stand blijft. De rechtbank bepaalt dat de ZW-uitkering van werknemer ingaat op 30 oktober 2024. Eiseres krijgt haar griffierecht terug en ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- aan verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-bepaalt dat de ZW-uitkering ingaat op 30 oktober 2024;
-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
-veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
-draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid.
Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.
Op grond van artikel 46, eerste lid, van de ZW heeft degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven.

Voetnoten

1.Ziektewet.
2.Werkloosheidswet.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1415.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2855 en 15 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:344.