ECLI:NL:RBOBR:2026:4165

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C-01-416165 - HA ZA 25-367
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:92 BWArt. 6:102 BWArt. 6:119 BWArt. 3:296 BW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruimingsvordering strook gemeentegrond en afwijzing beroep op verjaring en dwaling

De gemeente vordert ontruiming van een strook grond die door de gedaagde in gebruik is, omdat deze nodig is voor de aanleg van een voetpad. De gedaagde betwist dit en beroept zich op verkrijgende en bevrijdende verjaring en wederzijdse dwaling, stellende dat hij eigenaar is van de grond en dat de koopovereenkomst gedeeltelijk vernietigd moet worden.

De rechtbank oordeelt dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarin is geregeld dat de strook voortuin eigendom van de gemeente wordt na levering door de provincie, en dat de gedaagde de grond moet ontruimen. Het beroep op verjaring en dwaling faalt omdat de gedaagde bewust de overeenkomst is aangegaan ondanks zijn kennis van mogelijke eigendomsrechten.

De uitleg van de overeenkomst volgt het Haviltex-criterium, waarbij de rechtbank concludeert dat de gedaagde de gehele strook moet ontruimen, inclusief de betwiste zone. De gedaagde heeft slechts gedeeltelijk aan zijn verplichting voldaan door tegels te verwijderen, maar niet de heg. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een gematigde dwangsom.

Daarnaast wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens extra kosten door vertraagde ontruiming. De gevorderde contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten, die hoofdelijk worden uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot ontruiming van de strook gemeentegrond, betaling van schadevergoeding en proceskosten, en wijst het beroep op verjaring en dwaling af.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/416165 / HA ZA 25-367
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE BOEKEL,
te Boekel,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. D.R. Trip,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. K.M.J. Wartena.

1.De procedure

1.1.
Op 23 juli 2025 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen. Daarin staan de processtukken opgesomd die tot dat moment tussen partijen gewisseld zijn.
1.2.
Bij brief van 6 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen laten weten dat in deze zaak een mondelinge behandeling (zitting) zal worden gehouden. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemeente door middel van een conclusie van antwoord in reconventie (met twee producties) schriftelijk gereageerd op de tegenvorderingen van [gedaagden] .
1.3.
De zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Hiervan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. De stellingen van partijen zijn tijdens de zitting nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.
1.4.
Ten slotte heeft de rechtbank beslist dat vandaag vonnis zal worden gewezen in deze zaak.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] is sinds 2005 eigenaar van het perceel met woning, gelegen aan
de [adres] in [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 1] .
2.2.
Partijen zijn in 2020 met elkaar in overleg geraakt, omdat [gedaagden] provinciale grond en gemeentegrond in gebruik had. Naast twee stroken gemeentegrond die gelegen zijn aan de (noordelijke) zijkant van de achtertuin van [gedaagden] ging het om het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 2] , dat door [gedaagden] gedeeltelijk in gebruik is als voortuin en oprit (hierna: de strook voortuin). De strook voortuin behoorde op dat moment nog in eigendom toe aan de Provincie Noord-Brabant (hierna: de provincie).
2.3.
Van een overleg tussen de gemeente en [gedaagden] van 13 oktober 2020 is een gespreksverslag gemaakt, die door de adviseur van [gedaagden] aan de gemeente is gestuurd bij e-mail van 20 oktober 2020. Hierin staat onder meer:
‘‘(…)
3. [gedaagden] ontruimt het deel van de voortuin dat ligt in het gemeentelijk eigendom en nodig is voor de aanleg van een openbaar trottoir langs de [adres] . De gemeente zal inmeten welke breedte daadwerkelijk nodig is voor de aanleg van het trottoir. Mocht het zo zijn dat een deel van het gemeentelijk eigendom niet benodigd is voor het trottoir dan wordt dat deel voor een symbolisch bedrag van € 1,- overgedragen aan [gedaagden] . In onderling overleg bepalen de gemeente en [gedaagden] het moment waarop het betreffende deel van de voortuin ontruimd dient te zijn.
(…)
Graag verneem ik of de bovenstaande opsomming correct is. Als dit het geval is, is mijn verzoek om één en ander bestuurlijk te laten goedkeuren. Vervolgens kan één en ander in overeenkomst worden verwerkt.’’
2.4.
De gemeente heeft bij e-mail van 21 oktober 2020 gereageerd. Daaruit volgt dat zij instemt met de onder 2.3 aangehaalde inhoud van het gespreksverslag.
2.5.
Op 19 april 2021 hebben partijen een koopovereenkomst met elkaar gesloten voor de twee stroken gemeentegrond. Daarnaast hebben zij afspraken gemaakt over de strook voortuin. In de koopovereenkomst staat onder andere het volgende:
‘‘
In aanmerking nemende dat:
a. Partijen in overleg zijn getreden over drie stroken grond, gelegen aan en nabij de [adres] , namelijk een strook voortuin, strook met een erfdienstbaarheid en een strook grond aan de zijkant van de woning welke in gebruik is bij Koper.
b. Partijen hebben afgesproken dat de onder a genoemde strook met erfdienstbaarheid, kadastraal bekend gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 3] door de Gemeente in geheel wordt verkocht aan de Koper en de strook in gebruik genomen grond, kadastraal bekend gemeente [plaats] [kadastrale aanduiding 4] gedeeltelijk wordt verkocht aan Koper;
c. Partijen hebben daarnaast afgesproken dat Koper haar voortuin gedeeltelijk ontruimt, welke gedeeltelijk is gesitueerd op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 2] welke in eigendom is van de Provincie Noord-Brabant. Deze ontruiming is benodigd in verband met de aanleg van een voetpad door de Gemeente.
d. Partijen de afspraken voor de (ver)koop van de onder b en c genoemde percelen wensen vast te leggen in onderhavige koopovereenkomst.
Artikel 2. Koopsom en belastingen
1. De onroerende zaak, kadastraal [plaats] [kadastrale aanduiding 3] wordt (ver)kocht tegen een koopsom van € 1,00 (zegge: één euro), en de onroerende zaak kadastraal [plaats] [kadastrale aanduiding 4] wordt (ver)kocht tegen een koopsom van € 8.800,00 (zegge: achtentachtighonderd euro).
(…)
Artikel 7. Strook voortuin
1. Het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , [kadastrale aanduiding 2] is in eigendom van de Provincie Noord-Brabant en is in gebruik bij de Koper als voortuin. De strook is op de tekening is in de bijlage weergegeven.
2. Partijen zijn overeengekomen dat de in lid 1 genoemde strook grond door Koper wordt ontruimd, zodat de gemeente de strook kan gebruiken voor de realisatie van een voetpad. De Gemeente draagt zorg voor de inmeting van het voetpad voor haar rekening. De Gemeente stelt de Koper in kennis uiterlijk twee maanden voorafgaand aan de werkzaamheden.
3. Koper ontruimt het in dit artikel genoemde perceel voor eigen rekening en risico.
4. Indien blijkt dat de Gemeente een gedeelte van de strook voortuin niet nodig heeft voor de aanleg van het voetpad, wordt het overige gedeelte van de voortuin, welke in eigendom is van de Provincie Noord-Brabant, aan Koper overgedragen voor een symbolisch bedrag van € 1,00. Dit bedraagt een maximale oppervlakte van 10 m2. Koper is bekend dat de grond ten
tijde van de ondertekening in eigendom is van de provincie Noord-Brabant en de Gemeente daarom nog niet vrij is om te beschikken over het eigendom van de grond.
(…)
Artikel 11. Verzuim / ingebrekestelling
1. Een partij is in verzuim jegens een andere partij als zij, na ingebreke te zijn gesteld nalatig is of blijft aan de uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.
2. Indien één van de Partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige partij een direct opeisbare boete ter grootte van tien procent van de totale koopsom eisen.
Artikel 14. Overige bepalingen
(…)
5. De bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van de overeenkomst.’’
2.6.
De strook voortuin is met een oranje kader weergegeven op een foto die als bijlage 2 aan de koopovereenkomst is gehecht.
2.7.
De gemeente heeft bij notariële akte van levering van 29 augustus 2022 de percelen [kadastrale aanduiding 3] en [kadastrale aanduiding 5] (zijnde een deel van [kadastrale aanduiding 4] ) geleverd aan [gedaagden] . In deze akte van levering is in artikel 4 ten Pro aanzien van de stook voortuin dezelfde tekst opgenomen als opgenomen in artikel 7 van Pro de koopovereenkomst (zoals hiervoor opgenomen onder 2.5.).
2.8.
Op 14 maart 2023 heeft de provincie de eigendom van de strook voortuin overgedragen aan de gemeente.
2.9.
De gemeente heeft besloten om het voetpad op de strook voortuin te realiseren, waarbij het voetpad direct tegen de kadastrale erfgrens van het perceel van [gedaagden] gelegen zal zijn. Hierdoor zal zich een groenstrook bevinden tussen het te realiseren voetpad en de aanwezige rijbaan, een en ander zoals weergegeven in onderstaande situatietekening:
2.10.
De gemeente heeft bij brief van 12 september 2024 onder meer het volgende aan [gedaagden] geschreven:
‘‘Conform de met u gesloten overeenkomst wil ik u via deze brief op de hoogte brengen dat we einde van dit jaar zullen starten met de aanleg van het voetpad. Hiermee voldoen we aan de verplichting zoals omschreven in de akte van levering artikel 4.
Wij vragen u om te voldoen aan het gestelde in artikel 4 van Pro de akte van levering.
Waaronder de gronden binnen 2 maanden maar vóór 14 november te ontruimen
Daarbij zal er op 7 oktober in de ochtend een inmeting plaats zal vinden. U hoeft hier niet bij aanwezig te zijn, dit mag uiteraard wel.
(…)’’
2.11.
Op 7 oktober 2024 heeft de aangekondigde inmeting plaatsgevonden, waarbij de kadastrale erfgrens zichtbaar is gemaakt.
2.12.
Vervolgens is tussen partijen een discussie ontstaan over de vraag of [gedaagden] het deel van de strook voortuin moet ontruimen dat is gelegen tussen de zwarte lijn (de kadastrale erfgrens van het perceel van [gedaagden] ) en de rode lijn (de grens tot waar [gedaagden] de strook voortuin in gebruik heeft), een en ander zoals weergegeven op onderstaande foto:
Dit gedeelte van de strook voortuin wordt hierna aangeduid als ‘‘de zone’’. [gedaagden] heeft de naastgelegen strook gras nooit in gebruik gehad.
2.13.
De gemeente heeft [gedaagden] bij e-mail van 23 januari 2025 onder meer het volgende geschreven:
‘‘(…)
Enkele jaren geleden is met u een overeenkomst gesloten over teruggave van in gebruik genomen grond.
Op basis van die overeenkomst hebben wij een ontwerp laten maken voor een nieuwe inrichting van de berm [adres] .
Bij die inrichting gaan wij uit van een voetpad tegen de erfgrens. Onderstaand een afbeelding van het laatste ontwerp.
Afgelopen herfst heb ik met u in het veld gesproken over deze plannen. Ik heb daarbij toegezegd dat wij, indien u dat wenst, uw haag uit kunnen nemen voor zover die op onze grond staat. De uitkomende planten zullen wij in uw voortuin in depot zetten.
Die toezegging staat.
(…)’’
2.14.
[gedaagden] heeft alleen de stenen verwijderd die zich bevonden binnen de zone. De heg heeft hij laten staan.
2.15.
[gedaagden] heeft bij e-mail van 6 februari 2025 onder andere het volgende aan de gemeente geschreven:
‘‘(…)
Op 14 oktober jl. heeft de betrokken ambtenaar ( [A] ) mij op de hoogte gesteld van het voornemen om het genoemde voetpad aan te leggen. Afgelopen week heeft hij mij verder geïnformeerd over de invulling van zijn plan. Aangezien ervoor de aanleg van het voetpad van de beschikbare 4 meter slechts 2 meter noodzakelijk is, ga ik uit van een overdracht van de in Artikel 4 genoemde Pro grond. Echter ziet de heer [A] ook na enkele gesprekken geen reden om Artikel 4 in Pro overweging te nemen (zie bijlage 2), en geeft aan te beginnen met de aanleg van het voetpad op de huidige erfgrens.
Graag zou ik op korte termijn uw bevestiging ontvangen dat de overeenkomst die ik met de gemeente Boekel heb getroffen met uw medeweten en goedkeuring eenzijdig niet nagekomen wordt. Als dit niet het geval is, zou ik graag komende week een afspraak inplannen om dit geschil minnelijk op te lossen.’’
2.16.
Bij e-mail van 17 februari 2025 heeft de gemeente hierop gereageerd. In deze e-mail staat, voor zover van belang:
‘‘(…)
Bij het sluiten van de overeenkomst was nog niet duidelijk hoe het voetpad zou worden gesitueerd, welke breedte deze zou worden en waar het voetpad exact zou komen te liggen. Inmiddels is er duidelijkheid over de inrichting van het voetpad. Het voetpad komt te liggen direct aan uw eigendom (voortuin) en niet aan de wegzijde. Daardoor blijft er geen grond meer over die u kunt overnemen van de gemeente. In de overeenkomst is opgenomen dat er een voetpad wordt aangelegd. Dat is hetgeen waarover [A] u heeft geïnformeerd. Daarmee handelt de gemeente conform de bepalingen die zijn opgenomen in de overeenkomst.
(…)’’
2.17.
[gedaagden] heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld die de gemeente bij e-mail van 5 maart 2025 onder meer het volgende geschreven heeft:
‘‘(…)
De strook gras is breder dan twee meter. Niets belet de gemeente dan ook om het voetpad op de strook gras aan te leggen. De gemeente kan het voetpad in ieder geval niet aanleggen op het gedeelte dat omringd is met een heg en cliënten hebben recht op de aankoop van dit gedeelte van het perceel voor € 1,-.
Conclusie
Namens cliënten verzoek, en waar nodig sommeer, ik uw gemeente om
binnen 14 dagen na hedente bevestigen dat het voetpad over de strook gras zal worden aangelegd en dat cliënten het stuk grond kunnen aankopen voor € 1,-.
(…)’’
2.18.
Ook de gemeente heeft een advocaat in de arm genomen. Hij heeft [gedaagden] bij aangetekende brief en per e-mail van 17 maart 2025 gesommeerd om binnen acht dagen
na dagtekening van de brief te bevestigen dat de zone binnen drie weken na dagtekening van de brief volledig zal worden ontruimd.
2.19.
De advocaat van [gedaagden] heeft bij e-mail van 28 maart 2025 laten weten dat [gedaagden] niet zal voldoen aan die sommatie.
2.20.
Partijen hebben hun geschil niet in onderling overleg opgelost, waarna de gemeente deze procedure is gestart.

3.De vorderingen van de gemeente en de tegenvorderingen van [gedaagden]

3.1.
De gemeente vordert in deze procedure om [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk te veroordelen om op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen veertien dagen na dit vonnis de zone te ontruimen en ontruimd te houden. Verder vordert de gemeente om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 3.654,20 en een boete van € 880,10, vermeerderd met de wettelijke rente. De gemeente vordert ten slotte een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.836,02 en om [gedaagden] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
In reconventie vordert [gedaagden] een verklaring voor recht dat de rechtsvordering tot revindicatie van de strook grond is verjaard en dat [gedaagden] de strook grond door verjaring heeft verkregen. [gedaagden] vordert verder om artikel 7 van Pro de tussen partijen gesloten overeenkomst bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te vernietigen. Subsidiair vordert [gedaagden] om de gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om binnen veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis het in de conclusie van antwoord in reconventie aangeduide gedeelte van de strook grond aan hem te leveren en om de gemeente te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 925,00 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagden] vordert ten slotte – zowel primair als subsidiair – om de gemeente te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.De beoordeling

De vordering tot ontruiming
4.1.
Aan de vordering tot ontruiming legt de gemeente ten grondslag dat [gedaagden] op grond van artikel 7 van Pro de koopovereenkomst verplicht is de strook voortuin, waaronder de zone, te ontruimen op het moment dat de gemeente kenbaar maakt dat zij de strook voortuin nodig heeft voor de aanleg van een voetpad. Volgens de gemeente kan dit alleen anders zijn als zij voor de aanleg van het voetpad slechts een deel van de strook voortuin nodig zou hebben. De gemeente stelt dat die situatie zich hier niet voordoet, omdat zij het voetpad direct tegen de kadastrale erfgrens van het perceel van [gedaagden] wil aanleggen in verband met een gewenste groenstrook tegen de rijbaan. Volgens de gemeente heeft zij het verzoek tot ontruiming uitgebracht binnen de termijn als bedoeld in artikel 7 lid 2 van Pro de koopovereenkomst, zodat [gedaagden] verplicht is de zone volledig te ontruimen. De gemeente stelt dat [gedaagden] dit niet heeft gedaan en vordert nakoming van de koopovereenkomst op dit punt. Volgens de gemeente is [gedaagden] ook los van de koopovereenkomst gehouden tot ontruiming, en wel op grond van artikel 6:162 BW Pro. De gemeente stelt in dit verband dat [gedaagden] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gemeente door zonder recht of titel gebruik te maken van de zone. Ten slotte stelt de gemeente dat zij ook op grond van artikel 5:2 BW Pro bevoegd is om haar eigendom op te eisen.
Verkrijgende of bevrijdende verjaring/wederzijdse dwaling?
4.2.
[gedaagden] brengt hier in de eerste plaats tegen in dat de heg die de grens van de zone markeert al sinds 1960 op de huidige plek staat en dat zowel [gedaagden] als zijn rechtsvoorgangers steeds te goeder trouw zijn geweest. Volgens [gedaagden] is het betrekken van een strook grond bij een tuin bovendien aan te merken als een bezitsdaad. [gedaagden] stelt dat hij gedurende een onafgebroken periode van ten minste tien respectievelijk twintig jaar de zone in bezit heeft gehad, zodat hij door verkrijgende of bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de zone.
4.3.
Volgens [gedaagden] zijn beide partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst echter uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de zone hem niet door verkrijgende of bevrijdende verjaring in eigendom toebehoorde. [gedaagden] stelt dat sprake is van wederzijdse dwaling en hij beroept zich op de gedeeltelijke vernietigbaarheid van de koopovereenkomst, in die zin dat de werking aan artikel 7 van Pro de koopovereenkomst wordt ontnomen. In reconventie vordert [gedaagden] daarom primair om de koopovereenkomst gedeeltelijk te vernietigen en een verklaring voor recht, inhoudende dat de zone door verkrijgende of bevrijdende verjaring zijn eigendom is. [gedaagden] meent dat de gemeente gelet hierop geen ontruiming van de zone kan vorderen.
4.4.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van [gedaagden] tijdens de zitting, die door de gemeente niet zijn weersproken, blijkt dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst tot stand is gekomen tegen de achtergrond van een bestaande discussie over de eigendom van onder meer de zone. [gedaagden] heeft in dit verband verklaard dat partijen voor het sluiten van de koopovereenkomst van mening verschilden over het antwoord op de vraag wie eigenaar is van de zone. Verder heeft [gedaagden] verklaard dat de zone volgens het Kadaster eigendom was van de gemeente (na levering door de provincie) en dat hierover gesproken is met de gemeente, waarbij ook de woorden verkrijgende en bevrijdende verjaring zijn gevallen. Ten slotte heeft [gedaagden] verklaard dat de koopovereenkomst is gesloten om duidelijkheid te verkrijgen over de eigendomsverhoudingen, gelet op de daarover tussen partijen bestaande discussie.
4.5.
Gelet op de hiervoor genoemde achtergrond tegen welke de koopovereenkomst tot stand is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente er redelijkerwijze op heeft mogen vertrouwen dat [gedaagden] zich door het ondertekenen van de koopovereenkomst verbond aan een uitkomst, waarbij de strook voortuin na levering door de provincie geheel eigendom werd van de gemeente en dat [gedaagden] de zone moest ontruimen om de aanleg van een voetpad door de gemeente mogelijk te maken. Hierbij acht de rechtbank met name van belang de omstandigheid dat de tussen partijen bestaande onzekerheid in hun rechtsverhouding haar oorsprong vond in een (destijds) door [gedaagden] gepretendeerd eigendomsrecht van de grond.
4.6.
Uit de koopovereenkomst komt verder naar voren dat partijen in het kader van de rechtsverhouding hebben gesproken over en dat zij hebben vastgelegd hoe de eigendomsverhouding geregeld zou zijn. Zowel de gemeente als [gedaagden] had hier belang bij. [gedaagden] is in staat gesteld om de eigendom te verkrijgen van de percelen [kadastrale aanduiding 3] (geheel) en [kadastrale aanduiding 4] (gedeeltelijk, te weten deel [kadastrale aanduiding 5] ). De gemeente heeft op haar beurt van [gedaagden] de toezegging gekregen dat hij de zone zou ontruimen in verband met de aanleg van een voetpad door de gemeente, na levering van onder meer de zone door de provincie aan de gemeente. Deze wederzijdse verplichtingen houden ontegenzeggelijk verband met elkaar.
4.7.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de koopovereenkomst ten aanzien van de eigendom van de strook voortuin een zogenoemde vaststellingsovereenkomst betreft in de zin van artikel 7:900 BW Pro. Partijen hebben in deze overeenkomst – gelet op een tussen hen bestaande onzekerheid – afgesproken aan wie de eigendom van de strook voortuin toekomt. Dezelfde tekst is opgenomen in de notariële akte van levering. [gedaagden] kan zich gelet hierop niet beroepen op de verkrijgende of bevrijdende verjaring van de zone, die onderdeel uitmaakt van de strook voortuin. De door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen.
4.8.
Het beroep op wederzijdse dwaling slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op wederzijdse dwaling is onder meer vereist dat beide partijen bij het aangaan van de overeenkomst zijn uitgegaan van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken en dat de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten als partijen wél van de juiste feiten of omstandigheden op de hoogte waren geweest. Uit de verklaringen van [gedaagden] tijdens de zitting volgt dat hij zich voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst bewust was van het feit dat hij (mogelijk) door bevrijdende of verkrijgende verjaring eigenaar was geworden van de zone. Desondanks heeft hij de vaststellingsovereenkomst met de gemeente gesloten. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op wederzijdse dwaling is dus niet voldaan, zodat de vordering tot gedeeltelijke vernietiging alleen al om deze reden wordt afgewezen.
Uitleg van de overeenkomst
4.9.
De vervolgvraag is welke betekenis aan artikel 7 uit Pro de overeenkomst moet worden toegekend. Hierover verschillen partijen van mening. De gemeente stelt dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagden] het gedeelte van de strook voortuin moet ontruimen dat zij nodig heeft voor de aanleg van het voetpad, waarbij geen beperkingen zijn overeengekomen als het gaat om welk gedeelte van de strook voortuin de gemeente daarvoor gebruikt. Volgens [gedaagden] is echter afgesproken dat hij de zone alleen hoeft te ontruimen als het voetpad niet op een ander gedeelte van de strook voortuin kan worden aangelegd, wat volgens hem niet het geval is.
4.10.
Voor de onderbouwing van de door hem verdedigde uitleg wijst [gedaagden] in de eerste plaats op de tekst van artikel 7 uit Pro de koopovereenkomst, in het bijzonder de leden 2 en 4 van dat artikel. [gedaagden] stelt dat daarin vermeld staat dat de gemeente de strook voortuin kan gebruiken om een voetpad te realiseren (lid 2) en dat wanneer blijkt dat de gemeente de strook voortuin niet nodig heeft voor het realiseren van een voetpad, zij de resterende grond voor een symbolisch bedrag aan hem zal overdragen (lid 4). Volgens [gedaagden] is dit ook zo verwoord in het gespreksverslag van 20 oktober 2020. [gedaagden] stelt de in de koopovereenkomst en in het gespreksverslag gebruikte woorden ‘‘nodig’’ en ‘‘benodigd’’ zo moeten worden uitgelegd, dat slechts tot ontruiming van het gedeelte van de strook voortuin moet worden overgegaan dat noodzakelijk is voor de aanleg van een voetpad, dus als het trottoir niet op een andere wijze gerealiseerd kan worden dan met het gebruik van de zone waarop de heg staat. Meer specifiek stelt [gedaagden] dat het de bedoeling van partijen was dat het voetpad alleen zou worden aangelegd op het gedeelte van de zone waarop de heg staat wanneer het voetpad niet kon worden aangelegd op de strook gras die voor de heg ligt. [gedaagden] stelt dat de zone niet nodig is voor de aanleg van het voetpad, omdat de strook gras breder is dan twee meter en het voetpad dat de gemeente gaat aanleggen smaller is dan dat. Gelet hierop vordert [gedaagden] in reconventie om de gemeente te veroordelen om de zone op grond van artikel 7 lid 2 en Pro 4 van de koopovereenkomst aan hem in eigendom te leveren voor een symbolisch bedrag van € 1,00. [gedaagden] stelt dat er bij toewijzing van deze vordering geen reden meer is om de vordering tot ontruiming van de gemeente toe te wijzen.
4.11.
De gemeente brengt hiertegen in dat in de tekst van de koopovereenkomst geen onderscheid is gemaakt tussen de strook voortuin en de zone, die daarvan onderdeel uitmaakt, en dat hetzelfde geldt voor de aanduiding die is opgenomen in bijlage 2 van de koopovereenkomst en het gespreksverslag. Verder betwist de gemeente dat de woorden ‘‘nodig’’ en ‘‘benodigd’’ moeten worden uitgelegd in de door [gedaagden] voorgestane zin. De gemeente stelt dat een dergelijke uitleg uit niets volgt. Volgens de gemeente valt de door [gedaagden] verdedigde uitleg en – in het verlengde daarvan – de betwisting van zijn ontruimingsverplichting ook niet te rijmen met het feit dat [gedaagden] gedeeltelijk uitvoering heeft gegeven aan zijn verplichting door de tegels uit de zone te verwijderen. De gemeente komt tot de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden] alle grond zou ontruimen die de gemeente nodig zou hebben voor de realisatie van het voetpad, en dat daarbij geen onderscheid is gemaakt tussen gedeelten van de strook voortuin.
4.12.
Gelet op het feit dat de gemeente op grond van artikel 3:296 BW Pro een vordering tot nakoming instelt, rusten op haar de stelplicht en de bewijslast van de inhoud van de verbintenis van [gedaagden] , omdat [gedaagden] de stellingen van de gemeente gemotiveerd betwist.
4.13.
Om vast te stellen wat de inhoud van de overeenkomst is, moeten de afspraken worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Dit betekent dat vastgesteld moet worden wat partijen bedoeld hebben te regelen. Die vraag kan niet worden beantwoord op grond van alleen een taalkundige uitleg van de bepalingen. Het gaat erom wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan en wat ze in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Alle omstandigheden van het geval zijn daarbij van belang. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen voor de uitleg van de afspraken van belang zijn.
4.14.
De rechtbank constateert dat de letterlijke tekst van artikel 7 lid 2 van Pro de koopovereenkomst spreekt over de ontruiming van de in lid 1 genoemde strook grond door [gedaagden] , zodat de gemeente de strook grond kan gebruiken voor de aanleg van een voetpad. De in lid 1 van artikel 7 bedoelde Pro strook grond is weergegeven op de foto die als bijlage 2 aan de koopovereenkomst is gehecht (zie punt 2.6 van dit vonnis). Een beperking van de ontruimingsverplichting tot een gedeelte van de strook voortuin, zoals [gedaagden] stelt, valt niet af te leiden uit de tekst van de overeenkomst en de foto (bijlage 2) waarnaar verwezen wordt. Zo is op de foto de gehele strook voortuin omkaderd. Een beperking in de hiervoor bedoelde zin volgt evenmin uit lid 4 van artikel 7. Daarin staat alleen dat wanneer blijkt dat de gemeente een gedeelte van de strook voortuin niet nodig heeft voor de aanleg van het voetpad, dit gedeelte van de strook voortuin voor € 1,00 wordt overgedragen aan [gedaagden] , en dat de gemeente zorgdraagt voor het inmeten van het voetpad. Dat de gemeente voor de aanleg van het voetpad eerst en vooral het gedeelte van de strook voortuin moet gebruiken dat buiten de zone ligt, valt hierin niet te lezen. Ook punt c uit de considerans van de overeenkomst neemt tot uitgangspunt dat [gedaagden] de gehele strook voortuin, waaronder de zone, moet ontruimen.
4.15.
Dat de gemeente voor de aanleg van het voetpad eerst en vooral de grasstrook zou moeten gebruiken die zich buiten de zone bevindt, zoals [gedaagden] stelt, ligt ook niet voor de hand. Als dat het geval zou zijn geweest, dan hadden partijen in artikel 7 geen Pro afspraken hoeven te maken over de ontruiming van het resterende gedeelte van de strook voortuin, omdat tussen partijen nooit ter discussie heeft gestaan dat de grasstrook in eigendom toebehoort aan de gemeente. [gedaagden] heeft in dit verband tijdens de zitting verklaard dat de betreffende strook grond van de gemeente is en was en dat niemand daar ooit aanspraak op heeft gemaakt.
4.16.
De door [gedaagden] voorgestane uitleg strookt ook niet met het feit dat hij in oktober 2024 is overgegaan tot gedeeltelijke ontruiming van de zone door de tegels te verwijderen. [gedaagden] heeft weliswaar aangevoerd dat hij dit gedaan heeft om een dwangsom van de gemeente te voorkomen, maar hiermee miskent hij dat op dat moment nog geen procedure aanhangig was tussen partijen en dus ook nog geen sprake was van een dreigende dwangsom. Daarna heeft [gedaagden] zijn verklaring bijgesteld en heeft hij verklaard dat hij de tegels verwijderd heeft naar aanleiding van de brief van de gemeente van 12 september 2024. Bij deze brief heeft de gemeente [gedaagden] slechts op de hoogte gebracht van het feit dat zij aan het einde van het jaar zou starten met de aanleg van het voetpad en heeft zij [gedaagden] gevraagd om twee maanden voor 14 november de zone te ontruimen. Het feit dat [gedaagden] hieraan gehoor heeft gegeven, zonder dat sprake was van een dreigende dwangsom en zonder dat [gedaagden] direct geprotesteerd heeft naar aanleiding van de brief van de gemeente, biedt naar het oordeel van de rechtbank ook steun aan de uitleg van de koopovereenkomst die de gemeente voorstaat.
4.17.
[gedaagden] heeft voor het overige geen verklaringen of gedragingen van de gemeente gesteld die kunnen leidende tot de conclusie dat [gedaagden] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gemeente (een gedeelte van) de zone zou overlaten na het realiseren van een voetpad.
4.18.
De conclusie is dat de gemeente in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht verwachten, zoals [gedaagden] moest begrijpen, dat [gedaagden] op grond van artikel 7 van Pro de koopovereenkomst de gehele strook voortuin moest ontruimen, inclusief de zone, en dat het de gemeente vrijstond om te bepalen op welk gedeelte van de strook voortuin zij het voetpad zou laten aanleggen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de gemeente te veroordelen om de zone op grond van artikel 7 lid 2 en Pro 4 van de koopovereenkomst aan [gedaagden] in eigendom te leveren voor een symbolisch bedrag van € 1,00. De daartoe strekkende vordering van [gedaagden] wordt dan ook afgewezen.
Heeft [gedaagden] aan zijn ontruimingsverplichting voldaan?
4.19.
Voor het geval de rechtbank een ontruimingsverplichting van de zone aanneemt, heeft [gedaagden] aangevoerd dat hij al aan die verplichting voldaan heeft door de tegels te verwijderen. [gedaagden] wijst voor de onderbouwing van zijn stelling op de e-mail van de gemeente aan [gedaagden] van 23 januari 2025, waarin de gemeente schrijft dat zij, indien gewenst, de heg uit kan nemen voor zover die op grond van de gemeente staat en de uitkomende planten in depot kan zetten. Van dit aanbod heeft [gedaagden] echter geen gebruikgemaakt, zodat hij de heg zelf uit had moeten nemen om aan zijn ontruimingsverplichting te voldoen. Nu hij dat niet heeft gedaan, staat vast dat [gedaagden] niet aan zijn verplichting tot ontruiming voldaan heeft.
4.20.
Nu geen van de door [gedaagden] aangevoerde verweren slagen, wordt de vordering tot ontruiming van de gemeente toegewezen.
4.21.
De gemeente wil dat de veroordeling tot ontruiming versterkt wordt met een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een
maximum van 100.000,00, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] in verzuim is met zijn ontruimingsverplichting. [gedaagden] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. De rechtbank wijst de gevorderde dwangsom dan ook toe, zij het dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.
Moet [gedaagden] een schadevergoeding aan de gemeente betalen?
4.22.
De gemeente stelt dat [gedaagden] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn ontruimingsverplichting en dat [gedaagden] gehouden is om de schade te vergoeden die zij als gevolg daarvan geleden heeft. Volgens de gemeente bestaat de schade uit de extra kosten die de gemeente moet maken doordat de aannemer de werkzaamheden op de zone niet heeft kunnen verrichten tijdens de reguliere werkzaamheden voor de aanleg van het voetpad in de straat en daar op een later moment voor moet terugkeren. Daarnaast moest er een afzetting worden geplaatst en zijn er tijdelijk kunststof rijplaten neergelegd. De gemeente begroot haar schade op een bedrag van € 3.654,20 inclusief btw. Zij verwijst hiervoor naar een gespecificeerde kostenbegroting van de aannemer.
4.23.
[gedaagden] voert tegen de verschuldigdheid van de gevorderde schadevergoeding aan dat de gemeente al op 15 januari 2025 bekend was met zijn standpunt en dat de gemeente desondanks de aannemer opdracht heeft gegeven om een aanvang te nemen met de werkzaamheden. Volgens [gedaagden] is dit een vorm van eigenrichting en dient hij daarvan niet de dupe te zijn. [gedaagden] stelt dat de gemeente in plaats daarvan een kort geding procedure had moeten starten. Gelet hierop meent [gedaagden] dat de gemeente haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden en dat de schade door eigen schuld van de gemeente voor haar rekening dient te blijven.
4.24.
De rechtbank volgt [gedaagden] hierin niet. [gedaagden] was er ruim van tevoren mee bekend dat de gemeente een aannemer had ingeschakeld om het voetpad aan te leggen. Partijen hebben mede met het oog daarop de koopovereenkomst gesloten en de gemeente heeft [gedaagden] ruim van tevoren gevraagd om tot ontruiming over te gaan in verband met de werkzaamheden die de aannemer zou gaan uitvoeren. Ook heeft de gemeente voldoende inspanningen verricht om [gedaagden] ertoe te bewegen vrijwillig tot ontruiming over te gaan. Tegen deze achtergrond leidt het enkele feit dat de gemeente voor inschakeling van de aannemer geen gerechtelijke procedure heeft opgestart niet tot de conclusie dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de gemeente als benadeelde kan worden toegerekend. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het [gedaagden] is geweest die door zijn tekortschieten de gemeente in de huidige positie heeft gebracht. Dit rechtvaardigt dat terughoudendheid moet worden betracht bij beantwoording van de vraag wat vervolgens van de gemeente kan worden verlangd.
4.25.
De conclusie is dat de gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:102 BW Pro wordt de veroordeling hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.26.
De gemeente vordert de wettelijke rente over de schadevergoeding, primair met ingang van 5 maart 2025 en subsidiair met ingang van 26 maart 2025. De rechtbank overweegt dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt als een verbintenis tot betaling van schadevergoeding niet terstond wordt nagekomen (artikel 6:83 sub b BW Pro). De term ‘terstond’ houdt in dat het verzuim intreedt zodra de verbintenis opeisbaar wordt. Als de schade bestaat uit bepaalde concreet gemaakte kosten, zoals hier het geval is, dan ontstaat opeisbaarheid pas doordat de benadeelde (in dit geval de gemeente) die kosten opeisbaar verschuldigd wordt. Vast staat dat de werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd door de aannemer en dat de aannemer (dus) ook nog geen factuur aan de gemeente heeft toegestuurd. De wettelijke rente over deze schadepost wordt daarom toegewezen vanaf de dag van dit vonnis en niet, zoals is gevorderd, vanaf 5 respectievelijk 26 maart 2025.
Contractuele boete
4.27.
De gemeente maakt op grond van artikel 11 lid 2 van Pro de koopovereenkomst aanspraak op een contractuele boete van € 880,10, Aan deze vordering legt de gemeente ten grondslag dat zij [gedaagden] bij brief van 17 maart 2025 in gebreke heeft gesteld met inachtneming van een termijn van acht dagen en dat [gedaagden] niet binnen die termijn tot ontruiming is overgegaan.
4.28.
De rechtbank wijst deze vordering af. Op grond van artikel 6:92 lid 1 BW Pro kan een schuldeiser, in dit geval de gemeente, niet zowel nakoming van het boetebeding vorderen als nakoming van de verbintenis waaraan het boetebeding is gekoppeld, in dit geval de verbintenis tot ontruiming. Partijen kunnen anders zijn overeengekomen, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.29.
Ten slotte vordert de gemeente een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.826,02 inclusief btw. Deze vordering wordt - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - afgewezen. De gemeente heeft namelijk niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de gemeente vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
De proceskosten
in conventie:
4.30.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.595,43
in reconventie:
4.31.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
801,00
4.32.
Het salaris advocaat is gehalveerd, omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit, althans nauw samenhangt met, het verweer in conventie.
in conventie en in reconventie:
4.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.34.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1942).

5.De beslissing

De rechtbank,
in conventie:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om de grond (aangeduid op bijlage 2 bij de koopovereenkomst), te weten het gedeelte van het perceel (kadastraal bekend gemeente
[plaats] , [kadastrale aanduiding 2] ) dat door [gedaagden] in gebruik is, in dit vonnis aangeduid als de zone, binnen veertien dagen na dit vonnis, te ontruimen en ontruimd te houden;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan de gemeente een bedrag van € 3.654,20 inclusief btw aan schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 10 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.595,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie:
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af;
5.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en in reconventie:
5.8.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.9.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.10.
verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Xanthopoulos en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.