Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4037

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
25/3128 en 26/777
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.5 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5:32b AwbArt. 1.6 OmgevingswetArt. 1.7 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom en invorderingsbeschikking geluidsoverlast verhuurbedrijf

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 10 juni 2026 de beroepen van omwonenden en een verhuuronderneming tegen een last onder dwangsom en een invorderingsbeschikking opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss. De last onder dwangsom was opgelegd vanwege overtreding van geluidsnormen door het verhuurbedrijf, dat hekwerken en meubilair verhuurt voor evenementen. De omwonenden wilden een strengere formulering van de last, terwijl de verhuuronderneming de invordering van de dwangsommen betwistte.

De rechtbank oordeelde dat de Omgevingswet van toepassing is en dat het college terecht heeft gekozen voor handhaving op de geluidsnormen zelf, niet op gedragingen. De omwonenden konden niet aantonen dat het college onjuist had gehandeld bij het meten van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of dat het college de geluidshinder van vrachtverkeer ten onrechte buiten beschouwing had gelaten. Ook de hoogte van de dwangsom werd als passend beoordeeld.

Ten aanzien van de invorderingsbeschikking stelde de verhuuronderneming dat de gemeten geluiden niet van haar afkomstig waren en dat de meetapparatuur mogelijk was verplaatst. De rechtbank vond dat de verhuuronderneming onvoldoende bewijs had geleverd voor deze stellingen en dat het college voldoende had onderbouwd dat de geluiden van het bedrijf afkomstig waren. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en invorderingsbeschikking blijven in stand.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de last onder dwangsom en invorderingsbeschikking wegens geluidsoverlast en verklaart de beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/3128 en 26/777 OWHAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaken tussen

[eisers]

[eisers]

[eisers]

[eisers]

[eisers]

allen uit [woonplaats] , eisers in de zaak SHE 25/3128, derde partij in de zaak SHE 26/777, hierna: de omwonenden,
en
[naam]uit [woonplaats] , derde partij in de zaak SHE 25/3128, eiser in de zaak
SHE 26/777, hierna: de verhuuronderneming,
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss

(gemachtigden: mr. M. de Laat en A. van den Meerendonk).

Samenvatting

1. Het college heeft aan de verhuuronderneming een last onder dwangsom opgelegd omdat de verhuuronderneming de geldende geluidsnormen overtrad. Vervolgens heeft het college dwangsommen ingevorderd omdat de verhuuronderneming de geluidsnormen opnieuw heeft overtreden. De omwonenden zijn het niet met de last onder dwangsom eens. Zij willen dat deze strenger wordt geformuleerd. De verhuuronderneming is het niet eens met de invordering van de dwangsommen. Volgens de verhuuronderneming staat niet vast dat zij de overtredingen heeft begaan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zowel de last onder dwangsom als de invorderingsbeschikking in stand blijven. De omwonenden en de verhuuronderneming krijgen dus allebei geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond.

Waar gaan deze zaken over?

2. De verhuuronderneming houdt zich bezig met het verhuren van hekwerken, meubilair en andere zaken voor onder meer festivals en evenementen. De omwonenden ervaren geluidsoverlast van de verhuuronderneming. De aanleiding voor deze zaak is een handhavingsverzoek van de omwonenden van november 2023 richting het college ten aanzien van verschillende overtredingen door het verhuurbedrijf.
2.1.
Het college heeft naar aanleiding van de klacht onderzoek gedaan. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het college op 11 maart 2025 aan de verhuuronderneming een last onder dwangsom opgelegd. De omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen deze last onder dwangsom. Op 3 oktober 2025 heeft het college het bezwaar van de omwonenden ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd. De omwonenden hebben tegen dit besluit (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Dat beroep heeft het zaaknummer SHE 25/3128 gekregen.
2.2.
Het college meent dat de verhuuronderneming de last onder dwangsom twee keer heeft overtreden. Daarom heeft het college op 3 maart 2026 een invorderingsbeschikking genomen. Hierin vordert het college van de verhuuronderneming een dwangsom van in totaal € 4.000,-. Omdat de verhuuronderneming heeft gezegd dat zij het niet eens is met deze invordering, beoordeelt de rechtbank ook deze invorderingsbeschikking. Deze zaak heeft het zaaknummer SHE 26/777.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, [naam] namens de verhuuronderneming, de gemachtigde van de verhuuronderneming, [naam] , [naam] en [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
Inhoud last onder dwangsom
3. De last onder dwangsom van het college houdt in dat als de verhuuronderneming zich niet houdt aan de maximale (piek)geluidsniveaus van 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de avond-nachtperiode, zij een dwangsom verbeurt van € 2.000,- per week waarin een overtreding is geconstateerd, met een maximum van € 12.000,-.
Omgevingswet van toepassing
3.1.
In deze zaak is de Omgevingswet van toepassing. Het college heeft namelijk op 23 september 2024 aan het verhuurbedrijf een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd. Deze datum is in dit geval op grond van artikel 4.5 van de Invoeringswet Omgevingswet leidend bij de vraag welk recht van toepassing is.
3.2.
De rechtbank merkt op dat de datum van het oorspronkelijke handhavingsverzoek van de omwonenden in dit geval niet leidend is. Het handhavingsbesluit moet namelijk niet worden beschouwd als een besluit op aanvraag, maar als een ambtshalve genomen besluit. Dat komt omdat het college op 30 januari 2024 al heeft beslist op het handhavingsverzoek. Toen heeft het college namelijk geweigerd om te handhaven vanwege een gestelde overtreding van het bestemmingsplan. In dit verband maakt het niet uit dat het college met het besluit van 30 januari 2024 geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de overige overtredingen waarvoor om handhaving was verzocht. In dit geval geldt namelijk dat alle onderdelen van het verzoek zien op gestelde overtredingen van omgevingsrechtelijke aard op één perceel, dat eigendom is van één persoon. Onder die omstandigheden geldt dat een beslissing op één onderdeel van het verzoek geldt als een (onvolledig) besluit op het hele verzoek. Dat is staande jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1] Aangezien de last onder dwangsom dus geen besluit op aanvraag is maar een ambtshalve besluit, is artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet niet van toepassing.
SHE 25/3128 (beroep van de omwonenden)
Inleiding
4. De omwonenden zijn het niet eens met de inhoud van de last onder dwangsom. Zij voeren daartoe verschillende gronden aan. Die worden hierna besproken.
Handhaafbaarheid last
5. Volgens de omwonenden is de last onder dwangsom niet goed handhaafbaar. Voor het constateren van een overtreding is namelijk een geluidsmeting vereist. Voor langduriger geluidsoverlast is dat wellicht mogelijk, maar niet voor het meten van de piekwaarden door laad- en losactiviteiten en vrachtwagenbewegingen. Volgens de omwonenden zou het beter zijn om maatwerkvoorschriften te stellen.
5.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat handhaving op de geluidsnormen als zodanig heeft meest effectief is. Het zijn concrete, objectief vast te stellen normen waarop relatief eenvoudig met onbemande geluidsmetingen kan worden gehandhaafd. Handhaving op gedragingen, zoals het dichtslaan van deuren en vrachtwagenbewegingen, vergt de aanwezigheid van toezichthouders in een mate waarin het college met zijn handhavingscapaciteit niet kan voorzien. Bovendien kan zo’n afbakening van de last niet leiden tot voorschriften die strenger zijn dan de geluidsnormen waarop het college met de last handhaaft.
5.2.
Deze beroepsgrond leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het college heeft het verzoek van de omwonenden mede opgevat als een handhavingsverzoek en naar aanleiding daarvan is het college overgegaan tot handhaving van de geluidsnormen. Het college kan in het kader van handhaving geen maatwerkvoorschriften opleggen aan de verhuuronderneming. Dat is namelijk een andere bevoegdheid. Het college is niet bevoegd om een last zo te formuleren, dat de te handhaven geluidsnorm wordt omgekat naar gedragingen waarvan het niet vaststaat, maar (slechts) aannemelijk is dat deze leiden tot een overschrijding van de geluidsnorm. Het college zou dan namelijk in feite via een omweg maatwerkvoorschriften opleggen aan de verhuuronderneming. Van de gedragingen waarvan de omwonenden stellen dat de last er betrekking op had moeten hebben, geldt dat deze niet per definitie leiden tot overschrijdingen van de geluidsnormen. Daarom kon de last hier geen betrekking op hebben.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college voldoende heeft toegelicht waarom het heeft gekozen voor een rechtstreekse handhaving van de geluidsnormen en niet voor handhaving op nader te omschrijven gedragingen. Gegeven de beleids- en beoordelingsruimte die het college toekomt bij het nemen van een handhavingsbeslissing, kon het college in redelijkheid tot de gekozen formulering van de last komen.
5.4.
Overigens heeft de rechtbank vernomen dat het college intussen ook is overgegaan tot het opleggen van maatwerkvoorschriften. Als de omwonenden het niet eens zijn met de inhoud van het maatwerkvoorschriftenbesluit, dan kunnen zij daar apart tegen procederen.
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
6. De omwonenden voeren aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten om de last onder dwangsom ook op te leggen voor het overschrijden van de norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Volgens de omwonenden is het op basis van het door de verhuuronderneming opgestelde akoestisch rapport duidelijk dat ook de norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt overschreden. Dat ligt volgens de omwonenden ook in de rede, aangezien de verhuuronderneming op een kortere afstand is gelegen dan de 50 meter die wordt geadviseerd in de VNG handreiking activiteiten en milieuzonering. Het college heeft hier ten onrechte geen onderzoek naar gedaan.
6.1.
Het college heeft uiteengezet dat het bij de geluidsmetingen ook heeft getoetst aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Daarbij is geconstateerd dat daarvoor geldende geluidsnormen niet worden overschreden. Volgens het college zijn de metingen verricht volgens de methode II.1 ‘Immissiemetingen’ van de meet- en rekenmethode geluid industrie zoals opgenomen in bijlage IVh van de Omgevingsregeling.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
6.3.
Het college heeft bij de meting gebruik gemaakt van de meetmethodiek die is voorgeschreven op grond van artikel 22.74 van het omgevingsplan. Deze bepaling uit het omgevingsplan verwijst voor het meten van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau naar artikel 6.6 van de Omgevingsregeling. Dit artikel verwijst naar bijlage IVh van diezelfde regeling.
6.4.
Methode II.1, waarvan het college zich heeft bediend, voorziet in een directe meting van het geluid in de buitenlucht. Verder vermeldt de Omgevingsregeling dat deze methode geen algemene beperkingen kent in het toepassingsgebied. Het college kon deze methode dus hanteren. Eisers hebben niet onderbouwd waarom het college een andere methode had moeten kiezen.
6.5.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de meting niet goed is uitgevoerd. Daarover hebben de omwonenden namelijk niets aangevoerd. Aangezien het college aan de hand van de voorgeschreven meetmethodiek geen overschrijdingen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft geconstateerd, kon het college op dit punt geen overtreding constateren. Die constatering kon ook niet, zoals de omwonenden hebben bepleit, worden gebaseerd op het akoestisch onderzoek van de verhuuronderneming zelf. Dat onderzoek bevat namelijk een modelmatige berekening van de geluidsemissies van de verhuuronderneming, op basis van een andere bedrijfssituatie die niet meer overeenstemt met de huidige bedrijfsvoering. Dit rapport bevat geen geluidsmetingen op basis waarvan het college een overtreding kon constateren. Ook in het gegeven dat de verhuuronderneming in weerwil van het advies van de VNG Handreiking milieuzonering dichter dan 50 meter op de woningen van de omwonenden zit, betekent op zichzelf niet dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt overschreden. Het college heeft dus terecht geen aanleiding te zien om te handhaven op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.
Indirecte geluidhinder door aan- en afrijdende vrachtwagens
7. De omwonenden missen een beoordeling door het college van de geluidshinder die afkomstig is van aankomende en vertrekkende vrachtwagens. Zij doen een beroep op de algemene zorgplicht uit de Wet milieubeheer en (naar de rechtbank begrijpt) het huidige artikel 1.7 van de geldende Omgevingswet.
7.1.
Volgens het college moet de geluidhinder van het af- en aanrijdende vrachtverkeer geacht worden te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Bovendien zijn maatregelen ten aanzien van vervoersbewegingen die buiten de invloedssfeer van het bedrijf plaatsvinden moeilijk afdwingbaar.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden de gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar een bedrijf niet aan dit bedrijf toegerekend als dit verkeer geacht moet worden te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval indien dit verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. [2]
7.3.
De verhuuronderneming is gevestigd op een bedrijventerrein. Op dit terrein zijn meerdere bedrijven gevestigd waar vrachtverkeer op af- en aanrijdt. Dat betekent dat het vrachtverkeer op de openbare weg opgaat in het heersende verkeersbeeld. Het college heeft dit geluid daarom terecht buiten beschouwing gelaten.
7.4.
Het beroep van de omwonenden op de algemene zorgplicht slaagt ook niet. Op grond van artikel 1.6 van de Omgevingswet draagt een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 van de Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht voor iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Deze artikelen hebben een vangnetfunctie en zijn deze met name van belang bij activiteiten die niet specifiek zijn gereguleerd. Voor verkeersgeluid geldt weliswaar dat dit niet is gereguleerd, maar de reden daarvoor is dat een bedrijf niet individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor een breder heersend verkeersbeeld. De algemene zorgplicht strekt niet zo ver, dat deze regel uit de rechtspraak over verkeersgeluid niet (langer) geldt. De specifieke omstandigheden van deze zaak onderscheiden zich ook niet van de omstandigheden die gebruikelijkerwijs aan de orde zijn bij geluidsoverlastzaken waarin verkeersgeluid een rol speelt. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om van deze jurisprudentie af te wijken.
Hoogte dwangsom
8. Volgens de omwonenden heeft het college de te verbeuren dwangsom te laag vastgesteld. Deze is niet effectief. Dat blijkt volgens de omwonenden ook uit het feit dat de last inmiddels is overtreden en uit het feit dat de problemen zich nu al jarenlang voordoen. De omwonenden zouden zich met de last kunnen verenigen als er daadwerkelijk continu geluidsmetingen plaats zouden vinden, maar dat is nu niet het geval. De omwonenden zien een dwingendere en effectievere werking uitgaan van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding met een maximum van € 200.000,-. De omwonenden kunnen zich er ook niet in vinden dat de dwangsom maximaal één keer per volle week kan verbeuren.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de opgelegde dwangsom een voldoende prikkel tot naleving vormt. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom heeft het college rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verhuuronderneming en het feit dat de onderneming zich meewerkend opstelt om tot een oplossing van de geluidsproblematiek te komen. Dat het handhavingstraject al lange tijd loopt, heeft er volgens het college mee te maken dat de overlast slechts gedurende een deel van het jaar wordt ervaren en daardoor ook maar gedurende een deel van het jaar representatieve metingen kunnen worden uitgevoerd. De handhavingsstrategie van het college beoogt ook een zekere escalatie: als de last niet wordt nageleefd, dan kan een opvolgende last strenger worden geformuleerd. Dat de dwangsom slechts per volle week kan verbeuren, hangt samen met het streven van het college om de verhuuronderneming te wijzen op het feit dat het haar niet lukt om de geluidsnormen na te leven. Daarop kan de verhuuronderneming haar bedrijfsvoering aanpassen. Die gelegenheid kan de verhuuronderneming niet worden geboden als de dwangsom gedurende een meetperiode volledig volloopt.
8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 5:32b van de Awb moet het college bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom rekening houden met de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Die moeten in een redelijke verhouding staan tot elkaar. Het bestuursorgaan heeft hier beoordelingsruimte in. Dat betekent dat de rechtbank de hoogte van de dwangsom terughoudend toetst. Het college kon met de gegeven motivering de hoogte van de dwangsom vaststellen zoals hij dat heeft gedaan. Dat er inmiddels door het college overtredingen zijn geconstateerd, betekent op zichzelf niet dat van de dwangsom onvoldoende prikkel uitgaat om de geluidsnormen na te leven. Het college mocht met het oog op het aantal geconstateerde overtredingen en de meewerkende opstelling van het bedrijf ervoor kiezen om de opgelegde dwangsom in bezwaar te handhaven.
Conclusie
9. De conclusie is dat het beroep van de omwonenden tegen de beslissing op hun bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond is.
SHE 26/777 (beroep van het verhuurbedrijf)
Inleiding
10. Het college heeft van 11 juli tot en met 27 juli 2025 geluidsmetingen uitgevoerd. Hiervan heeft het college een verslag gemaakt. Volgens het college is uit de metingen gebleken dat de verhuuronderneming de last onder dwangsom vier keer heeft overtreden. Het gaat om de volgende overtredingen:
  • Op 14 juli 2025: starten en wegrijden heftruck (om 6.17 uur) en vallend materiaal (om 6.30 uur);
  • Op 16 juli 2025: hameren (om 19.09 uur en 19.23 uur), vallend materiaal (om 22.52 uur)
  • Op 19 juli 2025: dichtslaan klep/portier vrachtwagen (om 20.49 uur)
  • Op 21 juli 2025: rem ontluchten vrachtwagen (om 5.19 uur)
10.1.
Volgens het college heeft de verhuuronderneming dus in twee volle weken tijd overtredingen begaan, waardoor er twee keer een dwangsom van € 2.000,- is verbeurd. Het totaal van € 4.000,- is door het college ingevorderd.
10.2.
De situatie zag er als volgt uit. De gele rondjes markeren de woningen van de omwonenden. Het roze rondje markeert de locatie van de meetapparatuur. Het terrein van de verhuuronderneming is het direct tegenover de gemarkeerde woningen gelegen terrein.
Onduidelijk waar de geluidsmeter heeft gehangen
11. De verhuuronderneming heeft aangegeven dat de meetapparatuur van 11 tot en met 13 juli 2025 op de aangewezen plek heeft gehangen, maar daarna is verwijderd. Het meetverslag is op dit punt onjuist, aangezien daarin staat dat de meter steeds op dezelfde plek heeft gehangen.
11.1.
Volgens het college kan de meetapparatuur niet zijn verplaatst. De akoestisch deskundige heeft de meetapparatuur opgehaald op dezelfde plek als waar hij deze had bevestigd. Een tussentijdse verplaatsing zou zeer duidelijk hoorbaar moeten zijn geweest op de meetopnamen.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verhuuronderneming onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de meetapparatuur niet gedurende de gehele meetperiode op de door het college aangegeven locatie heeft gehangen. De verhuuronderneming heeft haar vermoeden van een verplaatsing niet nader onderbouwd of gestaafd met bewijs. Dat had, gelet op de gemotiveerde weerspreking van het college, wel op haar weg gelegen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Geluidsbronnen
12. Volgens de verhuuronderneming blijkt uit het meetverslag niet dat de gemeten geluiden afkomstig zijn van de verhuuronderneming. Geluiden zoals het dichtslaan van een portier of laadklep, het starten van een heftruck en het ontluchten van een remsysteem zijn generieke geluiden die aan elk bedrijf op het bedrijventerrein kunnen worden toegeschreven. Bovendien kunnen de geluiden van vrachtwagens waarvan het remsysteem wordt ontlucht, ook afkomstig zijn van de openbare weg. Het kan in ieder geval niet kloppen dat er een heftruck hoorbaar is geweest, want de verhuuronderneming maakt uitsluitend gebruik van elektrische heftrucks. Ook voor de waargenomen hamergeluiden geldt dat deze niet door de verhuuronderneming kunnen zijn veroorzaakt, aangezien haar bedrijfsvoering geen werkzaamheden omvat die deze geluiden kunnen veroorzaken. Volgens de verhuuronderneming moet onomstotelijk vaststaan dat zij verantwoordelijk is voor de waargenomen geluiden.
12.1.
Volgens het college was de geluidmeter gericht op de locatie van de verhuuronderneming en stond de geluidmeter met 20-45 meter afstand tot de verschillende mogelijke geluidsbronnen een stuk dichter bij de verhuuronderneming dan bij de andere door de verhuuronderneming genoemde bedrijven (60+ meter tot de perceelgrenzen). Bovendien geldt voor de naastgelegen bedrijven dat ofwel de perceelgrens niet de logische locatie is van piekgeluidbronnen en dat de wel relevante piekgeluidsbronlocaties aanzienlijk verder weg is gelegen van de geluidsmeter, ofwel dat het bedrijf is afgeschermd door tussenliggende gebouwen. Verder was de geluidsmeter specifiek gericht op het perceel van de verhuuronderneming. Deze oriëntatie van de meter en het verschil in afstand maken samen dat in de geluidsmetingen duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen geluiden die van de verhuuronderneming afkomstig zijn en geluiden die van andere bedrijven afkomstig zijn. Bovendien geldt dat de andere bedrijven alleen overdag actief zijn en dat het ook daarom onaannemelijk is dat de avond- en nachtgeluiden van de andere bedrijven afkomstig zijn.
12.1.1.
Volgens het college is van de geluidsmetingen ook goed af te leiden of geluiden afkomstig zijn van de openbare weg of van de verhuuronderneming, aangezien de openbare weg nog weer dichter bij de geluidsmeter ligt dan het perceel van de verhuuronderneming. Hierin kan de ter zake deskundige opsteller van het meetverslag dus voldoende onderscheid maken.
12.1.2.
Ten aanzien van de heftrucks heeft het college toegelicht dat het geluid is omschreven als afkomstig van een heftruck omdat het geluid daarmee de meeste overeenkomsten vertoont. Ook als geen sprake is van een heftruck, dan is het nog duidelijk dat het geluid van de verhuuronderneming afkomstig is.
12.2.
De omwonenden hebben aangegeven dat het voor hen duidelijk is dat de geluiden van het perceel van de verhuuronderneming afkomstig zijn. Zij zitten er immers bovenop. Van de andere bedrijven ondervinden de omwonenden geen overlast.
12.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
12.4.
Bij een invorderingsbeschikking moet het handhavende bestuursorgaan zorg dragen voor een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden. Dat is vaste jurisprudentie van de Afdeling. [3]
12.5.
Uit het meetverslag blijkt dat de geluidsmetingen zijn verricht door een medewerker van de Omgevingsdienst die deskundig is in en opgeleid is voor het uitvoeren van geluidsmetingen. Het college mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als de verhuuronderneming concrete aanknopingspunten voor twijfel op deze punten naar voren heeft gebracht, moet het college op die punten goed kunnen reageren. [4]
12.6.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd waar het op baseert dat de geconstateerde geluiden afkomstig zijn van de verhuuronderneming. Ook heeft het college de aanmerkingen van de verhuuronderneming op het rapport voldoende weersproken. Daarbij is het van belang dat de verhuuronderneming weliswaar in algemene termen heeft aangevoerd dat de geluiden ook van andere bedrijven afkomstig kunnen zijn, maar dat zij deze stelling niet nader heeft onderbouwd. De verhuuronderneming heeft de weersprekingen van het college op haar beurt ook niet weersproken, bijvoorbeeld door te weerspreken dat (op de relevante tijdstippen) relevante werkzaamheden worden uitgevoerd. Specifiek ten aanzien van de heftruckgeluiden heeft de verhuuronderneming onderkend dat haar bedrijfsvoering ook het gebruik van meeneemheftrucks/kooiapen omvat en dat dit de heftruckgeluiden kan verklaren.
Conclusie
13. De conclusie is dat het beroep van de verhuuronderneming tegen de invorderingsbeschikking ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn allebei ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking in stand blijven. De omwonenden krijgen hun griffierecht niet terug. De verhuuronderneming krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie in het bijzonder de uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:984, bevestigd in de uitspraak van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2284.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4397, overweging 9.1.
3.De standaarduitspraak voor deze toetsingsmaatstaf is die van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179.
4.Zie voor een toepassing van dit toetsingskader in een andere zaak over geluidsoverlast de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182, overweging 3.1.