De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 10 juni 2026 de beroepen van omwonenden en een verhuuronderneming tegen een last onder dwangsom en een invorderingsbeschikking opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss. De last onder dwangsom was opgelegd vanwege overtreding van geluidsnormen door het verhuurbedrijf, dat hekwerken en meubilair verhuurt voor evenementen. De omwonenden wilden een strengere formulering van de last, terwijl de verhuuronderneming de invordering van de dwangsommen betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de Omgevingswet van toepassing is en dat het college terecht heeft gekozen voor handhaving op de geluidsnormen zelf, niet op gedragingen. De omwonenden konden niet aantonen dat het college onjuist had gehandeld bij het meten van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of dat het college de geluidshinder van vrachtverkeer ten onrechte buiten beschouwing had gelaten. Ook de hoogte van de dwangsom werd als passend beoordeeld.
Ten aanzien van de invorderingsbeschikking stelde de verhuuronderneming dat de gemeten geluiden niet van haar afkomstig waren en dat de meetapparatuur mogelijk was verplaatst. De rechtbank vond dat de verhuuronderneming onvoldoende bewijs had geleverd voor deze stellingen en dat het college voldoende had onderbouwd dat de geluiden van het bedrijf afkomstig waren. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en invorderingsbeschikking blijven in stand.