Eisers hebben het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verzocht handhavend op te treden tegen [naam] vanwege vermeende overschrijding van emissiegrenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Het college wees dit verzoek af, waarna eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden tegen het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelt dat sinds 1 januari 2024 de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing zijn, waarbij de systematiek van emissiegrenswaarden per puntbron is gewijzigd ten opzichte van het oude Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). De overgangsregeling houdt in dat de oude regels tot 1 januari 2026 nog van toepassing waren, maar daarna niet meer.
De kern van het geschil is of eisers nog procesbelang hebben bij hun beroep. De rechtbank stelt dat de systematiek van het nieuwe recht ingrijpend is gewijzigd, waardoor een overtreding onder het oude recht niet gelijkstaat aan een overtreding onder het nieuwe recht. Hierdoor kan het beroep niet meer leiden tot het beoogde handhavend optreden. Eisers hebben geen ander doel gesteld dan handhaving en hebben inmiddels een nieuw handhavingsverzoek ingediend dat onder het nieuwe recht zal worden beoordeeld.
De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en zal het beroep niet inhoudelijk behandelen. Eisers hebben geen recht op proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 8 juni 2026.