Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3873

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
SHE 25/2162
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 7 Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging dienstverband tijdens ziekte

Eiseres, werkzaam als administratief medewerker sinds 2002, stemde in met beëindiging van haar dienstverband tijdens ziekte, waarna het UWV haar aanvraag voor een Ziektewet-uitkering afwees wegens benadelingshandeling.

De rechtbank oordeelt dat het instemmen met ontslag tijdens ziekte in beginsel een benadelingshandeling is, tenzij de belanghebbende aannemelijk maakt dat het ontslag het gevolg is van bedrijfseconomische omstandigheden die het vervallen van de functie noodzakelijk maken. Eiseres slaagt hier niet in omdat zij onvoldoende bewijs levert dat haar functie daadwerkelijk verviel door de reorganisatie.

Hoewel de werkgever de vestiging wilde sluiten, bood deze een mogelijkheid tot voortzetting van werkzaamheden op een andere locatie. Eiseres heeft niet overtuigend onderbouwd dat deze functie niet passend was, ondanks haar argumenten over reistijd en voorkeuren.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht de Ziektewet-uitkering heeft geweigerd en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2162

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. Brouns),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: K.R. Groenewoud).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Eiseres is het daar niet mee eens en vindt dat zij recht heeft op een ZW-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht en op goede gronden heeft afgewezen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Onder 5 staan de conclusie en de gevolgen van die beoordeling. Op de laatste bladzijde staat de beslissing van de rechtbank.

Procesverloop

2. In deze zaak is tot en met de zitting bij de rechtbank op hoofdlijnen het volgende gebeurd.
2.1.
Met het besluit van 18 april 2025 heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een ZW-uitkering afgewezen. Eiseres heeft ingestemd met een beëindiging van haar arbeidsovereenkomst terwijl zij ziek was. Dit is een benadelingshandeling en daarom wordt de aangevraagde ZW-uitkering blijvend geheel geweigerd.
2.2.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Feiten en omstandigheden

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Eiseres is op 2 december 2002 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [naam] . (hierna: de werkgever). Eiseres verrichtte haar laatste functie als administratief medewerker in [woonplaats] voor gemiddeld 30 uur per week.
3.2.
Op 6 november 2024 heeft de werkgever aan eiseres mondeling en per e-mail laten weten de locatie in [woonplaats] te willen sluiten. In de e-mail staat dat er voor eiseres een mogelijkheid is om haar werkzaamheden voort te zetten op het kantoor van de werkgever in [woonplaats] . Als eiseres daarvan geen gebruikmaakt, dan stelt de werkgever voor om een vaststellingsovereenkomst te sluiten om zo het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen.
3.3.
Op 20 november 2024 hebben eiseres en de werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan hun dienstverband op 31 maart 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd.
3.4.
Op 31 maart 2025 heeft eiseres bij het UWV een aanvraag voor een ZW-uitkering ingediend waarin zij als eerste ziektedag heeft opgegeven 11 november 2024. Hierop is de procedure gevolgd zoals weergegeven onder 2.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank oordeelt dat het UWV de door eiseres aangevraagde ZW-uitkering terecht en op goede gronden blijvend geheel heeft geweigerd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.1.
Eiseres heeft met de werkgever afgesproken hun dienstverband te beëindigen terwijl zij al arbeidsongeschikt was vanwege ziekte. Dit is volgens vaste rechtspraak [1] een benadelingshandeling, [2] namelijk het zonder deugdelijke grond instemmen met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode waarin eiseres recht had op loondoorbetaling vanwege ziekte. [3] In beginsel past daarbij een blijvende gehele weigering van de uitkering, [4] tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. [5]
4.2.
Eiseres vindt dat het instemmen met het ontslag in haar specifieke geval geen benadelingshandeling oplevert. Zij onderbouwt dit standpunt door te wijzen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. [6] Daarin staat volgens eiseres dat instemmen met een ontslag geen benadelingshandeling oplevert als:
  • er sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden bij de werkgever, die het vervallen van de functie noodzakelijk maakt,
  • er correct afgespiegeld is,
  • de wettelijke opzegtermijn in acht is genomen en
  • de juiste ontslagvergoeding is betaald.
Eiseres zegt dat zij met haar situatie aan al deze voorwaarden voldoet. Wat betreft de eerste voorwaarde merkt zij op dat het aannemelijk is dat het UWV een door de werkgever aangevraagde ontslagvergunning had verleend, omdat de vestiging in [woonplaats] werd gesloten. Het mag zo zijn dat eiseres haar werkzaamheden had kunnen voortzetten op het kantoor in [woonplaats] , zodat er een herplaatsingsmogelijkheid was. Maar dat betekent niet dat er geen opzegvergunning zou zijn verleend. Bovendien is het niet voldoen aan de herplaatsingsplicht niet een van de hiervoor genoemde voorwaarden.
4.3.
De rechtbank overweegt dat eiseres zich beroept op een uitzondering op de hoofdregel dat het instemmen met een ontslag tijdens ziekte een benadelingshandeling is. Eiseres moet daarom aannemelijk maken dat deze uitzondering zich voordoet.
4.4.
De rechtbank vindt dat eiseres niet in haar bewijslast is geslaagd. Zij heeft namelijk niet onderbouwd dat er bij de werkgever sprake was van een noodzaak tot het laten vervallen van haar arbeidsplaats. Uit het dossier blijkt weliswaar dat de werkgever de vestiging in [woonplaats] (waar eiseres werkzaam was) wilde sluiten, maar ook heeft er met eiseres overleg plaatsgevonden om haar werkzaamheden op een andere locatie uit te voeren. Toen eiseres de vaststellingsovereenkomst met de werkgever tekende was er voor haar dus een mogelijkheid om haar dienstverband bij de werkgever voort te zetten. Daarmee voldoet eiseres met haar situatie niet aan de (in overweging 4.2. genoemde eerste) voorwaarde dat er sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden bij de werkgever, die het vervallen van de functie noodzakelijk maakt. [7]
4.5.
Dit oordeel wordt niet anders doordat eiseres op de zitting nog heeft gezegd dat de functie in [woonplaats] niet passend voor haar was. Eiseres zegt allereerst dat ze voor deze functie ver moest reizen en dat zij daartoe niet in staat was. Maar eiseres heeft dit standpunt niet (met stukken) onderbouwd. De rechtbank vindt het overigens wel invoelbaar dat het best een omschakeling is als je lange tijd in je woonplaats hebt kunnen werken om dan drie kwartier (enkele reis) voor je werk te moeten gaan reizen. Daar staat tegenover dat in de rechtspraak in het arbeidsrecht is aanvaard dat bij een herplaatsing vanwege reorganisatie een functie passend is als de reisafstand maximaal anderhalf uur (enkele reis) bedraagt. De rechtbank ziet in het geval van eiseres geen redenen om van een andere benadering uit te gaan. Ook heeft eiseres gezegd dat zij vanuit haar woonplaats naar [woonplaats] over de snelweg moet rijden en dat zij dat liever niet wil. De rechtbank snapt goed dat ook dit voor eiseres een omschakeling zou zijn geweest, omdat zij naar de locatie in [woonplaats] niet over de snelweg hoefde te reizen. Maar dat betekent nog niet dat daardoor de functie in [woonplaats] niet passend was. Zoals eiseres zelf al zegt reist zij ‘liever niet’ over de snelweg en stelt zij (dus) niet dat dit voor haar onmogelijk zou zijn.
4.6.
Eiseres heeft verder niet gesteld dat het plegen van deze benadelingshandeling haar niet of niet in overwegende mate kan worden verweten.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, voorzitter, en mr. G. de Jong en
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep 14 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:436, overwegingen 4.1. tot en met 4.3.
2.Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.
3.Artikel 45, zevende lid, van de ZW.
4.Volgens artikel 7, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit).
5.In dat geval wordt de hoogte en duur van de maatregel vastgesteld op 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden; dit volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit.
6.Centrale Raad van Beroep 4 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1977, overweging 4.3.2.
7.Centrale Raad van Beroep 29 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4117, overweging 4.3.