Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3090

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/3256
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 74 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling tegen niet tijdig besluit UWV

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat voordat beroep kan worden ingesteld tegen een niet tijdig genomen besluit, eerst een ingebrekestelling moet worden gestuurd waarin het bestuursorgaan wordt verzocht binnen twee weken alsnog te beslissen.

In deze zaak heeft eiseres het UWV op 2 november 2025 in gebreke gesteld, terwijl de beslistermijn pas op 13 februari 2026 zou eindigen. Hierdoor is de ingebrekestelling te vroeg verstuurd en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak van 2 oktober 2025 het besluit van 23 mei 2025 vernietigd en het UWV opgedragen opnieuw te beslissen, zonder een termijn te stellen.

Het UWV heeft op 29 januari 2026 een nieuwe beslissing genomen, waartegen eiseres ook beroep heeft ingesteld onder een ander zaaknummer. Dit beroep wordt in deze uitspraak niet behandeld. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter G. de Jong op 11 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2025. [1] In die uitspraak staat dat het UWV opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat het UWV dat volgens haar (nog) niet heeft gedaan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). [2] Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.
2.1.
Als na vernietiging door de rechter geen termijn voor het nemen van een nieuw besluit is gesteld, moet het bestuursorgaan na verzending van de uitspraak in beginsel opnieuw beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het vernietigde besluit. [3] Daarbij geldt dat de schorsende werking van het hoger beroep zich ook uitstrekt tot de termijn waarbinnen een nieuw besluit moet worden genomen. [4]
2.2.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 oktober 2025 de beslissing op bezwaar van 23 mei 2025 vernietigd en geoordeeld dat het UWV opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiseres. De rechtbank heeft daarbij geen termijn genoemd.
2.3.
Op grond van artikel 74 van Pro de Ziektewet geldt een beslistermijn van dertien weken. Voor de nieuwe beslissing op bezwaar geldt ook een termijn van dertien weken en deze termijn wordt voor de duur van zes weken (de hogerberoepstermijn) opgeschort. Dat het UWV op 22 oktober 2025 aan eiseres het griffierecht en de proceskosten heeft vergoed, maakt dat niet anders. Uit die betaling kan namelijk niet worden afgeleid dat het UWV toen al berustte in de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak van de rechtbank is op 3 oktober 2025 naar partijen verzonden. Dit betekent dat het UWV uiterlijk op 13 februari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar moest nemen.
2.4.
In dit geval eindigt de beslistermijn op 13 februari 2026. Eiseres heeft het UWV op 2 november 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Eiseres heeft het UWV dus te vroeg in gebreke gesteld en het beroep - voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit - is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep van rechtswege tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 29 januari 2026
3. Het UWV heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank op 29 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiseres tegen de beslissing van 10 juli 2023 ongegrond verklaard.
3.1.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb dient het op 17 november 2025 ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen van rechtswege ook te worden aangemerkt als beroep tegen het besluit van 29 januari 2026. Eiseres heeft haar gronden van beroep ook aangevuld op 9 februari 2026.
3.2.
De rechtbank stelt echter vast dat eiseres daarnaast opnieuw beroep (zaaknummer SHE 26/587) heeft ingesteld tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 29 januari 2026. Daarin heeft eiseres laten weten het niet eens te zijn met deze beslissing. Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken dat het beroep met zaaknummer SHE 26/587 vandaag niet aan de orde zal komen, maar op een nader te bepalen inhoudelijke zitting zal worden behandeld. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak alleen een oordeel zal geven over het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep - voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit - is
niet-ontvankelijk.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat het UWV het griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb (Algemene wet bestuursrecht).
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1746, 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3442, en 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3596.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3015.