Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 16 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De zaak in het kort
2. De voormalige cliënt is een consument en had als zodanig beter voorgelicht moeten worden over de kosten;
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
“om een lager griffierecht te betalen voor onvermogenden”.
Voor wat betreft het honorarium van [H] gaat het in die e-mailberichten over de afgesproken vaste kosten voor een appeldagvaarding (€ 250), een voorschotfactuur die [gedaagde] uit eigen middelen c.q. via zijn netwerk zal bekostigen en een eerste kosteninschatting van [H] .
De kantonrechter overweegt op dit punt dat de hoogte van de gemaakte proceskosten, die in déze procedure niet zijn gesteld noch onderbouwd, vooralsnog geen reden vormen om te veronderstellen dat de Afdeling in een eventueel door [gedaagde] ’ ingesteld hoger beroep zou afwijken van de hiervoor aangehaalde vaste lijn van uitspraken.
Het enkele feit dat een partij zich om principiële redenen niet wil neerleggen bij tal van onwelgevallige gerechtelijke uitspraken en daardoor veelvuldig procedeert en buitensporig hoge kosten maakt, betekent niet dat dergelijke hoge kosten via een toevoeging op de samenleving kunnen worden afgewenteld.
Dit zou leiden tot de ongewenste en ongerijmde situatie dat voor geringe of overzienbare kosten aan een ondernemer géén toevoeging wordt verstrekt maar voor buitensporig hoge kosten wel.
HvJEU 19 november 2015, ECLI:EU:C:2015:772 (Tarcau), r.o. 27: "In dat verband zij eraan herinnerd dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een objectief begrip is (zie arrest Costea , C 110/14, EU:C:2015:538, punt 21).”
HvJEU 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea), r.o. 23: "Daartoe moet de nationale rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen."
Deze memorie van grieven vormt het definitieve sluitstuk van een juridisch geschil, dat voor [gedaagde] begon met de dagvaarding van [C] B.V. op 24 oktober 1997. [C] is in 2002 in hoger beroep veroordeeld om "...alle schade te vergoeden...als gevolg van de aan [C] toerekenbare dwaling...". De door [gedaagde] geleden schade is door [J] op basis van de juridische bijdrage van [E] op in totaal € 4.085.000,00 berekend,”
Bij het vaststellen van zijn declaratie behoort de advocaat een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening te brengen. (…)
De advocaat richt zijn declaratie aldus in, dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen hoeveel wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting en in hoeverre voorschotten worden verrekend. De advocaat declareert zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag.
“te moeilijk”vond en zelfs zonder het vonnis nader te bespreken verdere bijstand weigerde. [12] De kantonrechter verwijst ook naar het in r.o. 3.9.5 geciteerde e-mailbericht van [H] van 14 maart 2022, waarin hij uitdrukkelijk schrift:
Dat betoog baat hem niet. Het gaat er immers aan voorbij dat de eigen inzet van [gedaagde] in de schadestaatprocedure tegen [E] circa € 4,5 miljoen bedroeg en dat hij zelf de samenwerking met [H] heeft beëindigd, waardoor deze de door hem opgestelde memorie van grieven niet heeft ingediend. Volgens [H] was dit een aangepast concept, dat gereed was om ingediend te worden. Dit is niet gemotiveerd weersproken door [gedaagde] .
Tijdens de mondelinge behandeling door kantonrechter bevraagd (i) wat er had moeten gebeuren indien het voorschot op was en (ii) wat [H] dan had moeten doen, heeft [gedaagde] geantwoord:
“Dat laat ik aan hem. Maar dan had ik hemel en aarde bewogen om middelen, toegang, te krijgen tot het hof.”Dat bevestigt dat [gedaagde] ’ situatie niet anders zijn geworden indien [H] hem op enig moment wèl had bericht dat het voorschot op was: dan had [gedaagde] extra middelen georganiseerd.