Art. 7:401 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 12 lid 2 sub e WrbArt. 2 onder b Richtlijn 93/13
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Betalingsverplichting voormalige cliënt aan advocatenkantoor bevestigd ondanks verweer over toevoeging en fixed fee
Deze civiele procedure betreft een geschil tussen een advocatenkantoor en een voormalige cliënt over onbetaalde facturen. Het advocatenkantoor vordert betaling van openstaande facturen, terwijl de cliënt in reconventie terugbetaling eist van reeds betaalde facturen. De cliënt voert verweer dat hij niet adequaat is geïnformeerd over de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand (toevoeging), dat hij als consument beter had moeten worden voorgelicht over de kosten, dat de facturen niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, en dat er een fixed fee afspraak zou zijn gemaakt.
De kantonrechter oordeelt dat het advocatenkantoor niet op toevoegingsbasis werkt en dat er goede gronden waren om aan te nemen dat de cliënt niet in aanmerking kwam voor toevoeging, mede omdat zijn onderneming in 2012 was beëindigd. De cliënt wordt niet als consument aangemerkt, gezien het zakelijke karakter van de oorspronkelijke vorderingen en de omvang van de schadeclaim. De facturen zijn voldoende gespecificeerd en redelijk gelet op de complexiteit van de zaak. Er is geen sprake van een overeengekomen fixed fee, en het ontbreken van een waarschuwing dat het voorschot was opgebruikt leidt niet tot verval van de betalingsverplichting.
De vorderingen van het advocatenkantoor worden toegewezen, inclusief buitengerechtelijke incassokosten en rente, terwijl de reconventionele vordering van de cliënt wordt afgewezen. De cliënt wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter M. van den Berg en op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De voormalige cliënt wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen en buitengerechtelijke kosten aan het advocatenkantoor, en de reconventionele vordering wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11474283 \ CV EXPL 25-28
Vonnis van 16 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. D.D. Dielissen-Breukers,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.M. de Jong.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie; - de mondelinge behandeling van 16 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De zaak in het kort
Deze zaak draait om de financiële verplichtingen van een voormalige cliënt jegens een door hem ingeschakeld advocatenkantoor, dat in conventie betaling vordert van een aantal onbetaalde facturen. De voormalige cliënt vordert in reconventie terugbetaling van facturen die hij al betaald heeft. Zijn verweer, tevens de onderbouwing van zijn vordering in reconventie, luidt, samengevat, als volgt:
1. Ten onrechte is niet gewezen op de mogelijkheden om een toevoeging te verkrijgen; 2. De voormalige cliënt is een consument en had als zodanig beter voorgelicht moeten worden over de kosten;
3. De verzonden facturen voldoen niet aan de dubbele redelijkheidstoets en met het al betaalde bedrag is voldoende betaald voor de dienstverlening; en
4. Er zou een fixed fee prijsafspraak worden gemaakt.
Op grond hiervan zou de grond aan de betalingsverplichting zijn ontvallen.
De kantonrechter verwerpt dit verweer. De voormalige cliënt wordt veroordeeld om de openstaande facturen en buitengerechtelijke kosten te betalen en de reconventionele vordering wordt afgewezen.
3.De feiten
De voorgeschiedenis
3.1.
[gedaagde] heeft tot 2012 te [plaats] en [plaats] (als mede-eigenaar) onder de naam [A] een onderneming gedreven. Ter zake van die onderneming is rond 1997 tussen [gedaagde] ’ vader (“ [B] ”) en [gedaagde] enerzijds en [C] anderzijds een geschil ontstaan over de aanschaf in 1994 van 3 ontwikkel- en afdrukmachines. Dat geschil heeft geleid tot een gerechtelijke procedure tegen [C] die op naam van [B] is gevoerd. [B] werd in die procedure bijgestaan door de advocaat mr. [D] (“ [D] ”). Deze procedure heeft in hoger beroep geleid tot een voor [B] positief arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 november 2002, waarin de aansprakelijkheid van [C] voor mogelijke schade van [B] werd vastgesteld.
3.2.
Daarna is er een schadestaatprocedure gevolgd, die namens [B] feitelijk werd gevoerd door en voor rekening van zijn zoon: [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarvoor in december 2003 [E] N.V. (“ [E] ”) ingeschakeld, welk kantoor de zaak van [D] heeft overgenomen. Deze schadestaatprocedure is in hoger beroep geëindigd met een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 februari 2015, waarin (formeel) aan [B] een hoofdsom aan schadevergoeding is toegekend van ongeveer € 900.000. Dat was een lager bedrag dan het bedrag waarvan [B] en [gedaagde] waren uitgegaan. Volgens [gedaagde] is dit te wijten aan een beroepsfout van [D] , die de eerste aansprakelijkheidsprocedure had gevoerd op naam van [B] , hoewel [B] slechts ten dele gerechtigd was tot het vorderingsrecht jegens [C] , en niet mede op naam van [gedaagde] en zijn mede-eigenaren, die voor het andere deel gerechtigd waren tot het vorderingsrecht jegens [C] .
3.3.
Onder andere [gedaagde] heeft [E] vervolgens bij brief van 19 mei 2016 aansprakelijk gesteld voor een aantal beroepsfouten in/rond de schadestaatprocedure van [B] en voor het niet onderkennen van de eerdere beroepsfout van [D] in de oorspronkelijke procedure van [B] Onder andere [gedaagde] is daarover vervolgens bij de rechtbank Oost-Brabant een bodemprocedure gestart tegen [E] . Deze procedure heeft geleid tot een eindvonnis van 27 september 2017, waarin in conventie alle vorderingen van [gedaagde] en zijn mede-eisers zijn afgewezen en in reconventie de vordering van [E] (in verband met een bedrag van € 143.288,36 aan openstaande facturen) is toegewezen.
3.4.
Van de oorspronkelijke eisers is alleen [gedaagde] in hoger beroep gegaan. Dat hoger beroep is geëindigd met een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2019. In dat arrest heeft het hof slechts één van de verwijten van [gedaagde] aan het adres van [E] gegrond geacht. Kort gezegd, heeft [E] volgens het hof [gedaagde] onjuist geadviseerd door namens [gedaagde] op 2 maart 2007 en 1 maart 2012 stuitingsbrieven te verzenden aan [C] , hoewel [gedaagde] ’ eigen (deel van het) vorderingsrecht jegens [C] toen al was verjaard. Deze brieven waren dus zinloos geweest en de daarmee gemoeide kosten waren nodeloos gemaakt, aldus het hof.
3.5.
In vervolg op dit arrest is [gedaagde] bij de rechtbank Oost-Brabant een schadestaatprocedure tegen [E] gestart. In die procedure vorderde [gedaagde] , samengevat, voor een bedrag van € 4.319.209,26 schadevergoeding. De rechtbank heeft bij vonnis van 15 december 2021 gerefereerd aan de door het hof vastgestelde beroepsfout van [E] , die enkel bestond uit het meermalen en gedurende langere tijd foutief adviseren van [gedaagde] over een mogelijk separaat vorderingsrecht op [C] , terwijl dat vorderingsrecht ten tijde van die advisering al was verjaard. De daarmee gepaard gaande en nodeloos gemaakte advocaatkosten heeft de rechtbank begroot op € 2.000,-. Aangezien [E] deze schuld echter had verrekend met haar eigen vordering op [gedaagde] ter zake van openstaande facturen van € 143.188,36, had [gedaagde] volgens de rechtbank niets van [E] te vorderen en heeft de rechtbank de vordering van [gedaagde] jegens [E] afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.6.
[gedaagde] werd in deze schadestaatprocedure tegen [E] laatstelijk bijgestaan door mr. [F] (“ [F] ”) van [G] (“ [G] ”). [gedaagde] was het met het vonnis van 15 december 2021 niet eens en wilde daarvan hoger beroep instellen. [G] c.q. [F] was echter niet bereid om [gedaagde] verdere rechtsbijstand te verlenen. [gedaagde] heeft zich daarom op of omstreeks 22 december 2021 telefonisch gewend tot mr. [H] (“ [H] ”), die toen werkzaam was bij [eiseres] . Een belangrijke reden voor [gedaagde] om juist [H] te benaderen was dat [H] bekend was met de achtergrond van de zaak, aangezien hij tot circa 2017 zelf werkzaam was geweest bij [G] en [gedaagde] toen ook had bijgestaan in een of meerdere van de bovengenoemde procedures. [gedaagde] heeft tijdens het telefoongesprek met [H] aangegeven beperkte middelen te hebben en de voorkeur te geven aan een fixed fee prijsafspraak.
3.7.
Op 4 januari 2022 heeft [H] aan [gedaagde] een bericht gestuurd en meegedeeld dat de intake door [eiseres] in rekening gebracht zou worden. Daarmee was [gedaagde] akkoord. Tevens schrijft [H] :
"Wellicht kunnen we vervolgens andere (prijs)afspraken maken over het verdere vervolg. Daarover komen we, na bestudering van de zaak, nog wel te spreken".
3.8.
[eiseres] heeft [gedaagde] een opdrachtbevestiging toegezonden, die [gedaagde] op 25 januari 2022 heeft gedateerd en ondertekend. Een voor de beoordeling van de zaak relevante bepaling uit de opdrachtbevestiging is:
“2. [eiseres] brengt aan de opdrachtgever in rekening een honorarium van € 270,00 exclusief BTW per uur te vermeerderen met de gedane uitgaven (‘verschotten’) en de kantoorkosten van 5% van het honorarium.”
3.9.
Vervolgens hebben de contacten tussen [H] en [gedaagde] enkele weken op een laag pitje gestaan, maar vanaf maart 2022 is er weer enige vaart in de zaak gekomen.
Hieronder volgt een voor de beoordeling van de zaak relevante selectie uit de e-mailberichten die [H] en [gedaagde] tussen 3 maart 2022 en 25 juli 2022 hebben uitgewisseld. Onderwerpen die aan de orde komen, zijn onder andere de door [H] geschatte kosten, een voorschotfactuur, de omvang en complexiteit van de zaak en na enige tijd blijkt ook van meningsverschillen over de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep van de schadestaatprocedure. Markeringen met dubbele streep in de citaten zijn aangebracht door de kantonrechter.
3.9.1. 3
maart 2022, [gedaagde] aan [H] en 2 adviseurs van [gedaagde] :
“Heren,
In de bijlage zit mijn concept memorie van grieven, welke, na juridische en procedurele toetsing door [H] , wat mij betreft zo ingeleverd kan worden. (…)
Nu ik de griffierechten niet kan betalen, begrijp ik dat er een voorziening is waarbij ik deze kosten niet hoef te betalen, maar daar moeten we nader over spreken.
Het vonnis dateert van 15 december 2021 , dus we hebben nog minder dan twee weken.”
Met dit e-mailbericht zendt [gedaagde] een door hem zelf opgestelde conceptmemorie van grieven van 43 pagina’s toe.
3.9.2. 7
maart 2022, [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Dank voor je bericht. Ik moet de memorie van grieven nog bestuderen. (…)
Als ik het goed inschat, is het voor jou sowieso geen optie om je bij het vonnis neer te leggen.Uiteindelijk gaat het er voor nu om dat we tijdig een dagvaarding uitbrengen. De memorie van grieven volgt later.
Het griffierecht bedraagt EUR 1.780,-.Je spreekt over een “voorziening” voor deze griffierechten, maar daar ben ik niet mee bekend. Voor zover je doelt op een toevoeging, geldt dat ik niet op toevoegingsbasis procedeer. Het griffierecht dient dus op voorhand door jou (of een derde) betaald te worden.
Daarnaast zal ik een voorschot van EUR 5.000 — in rekening brengen voor de door mij te verrichten werkzaamheden (waarbij ik je tijdig zal informeren als het einde van dit voorschot in beeld komt). Ook dit voorschot dient betaald te zijn voordat ik ga dagvaarden.
3.9.3. 10
maart 2022, [H] aan [gedaagde]
Beste [gedaagde] ,
Met verwijzing naar het gesprek van zojuist, het navolgende.
We spraken af dat ik zo spoedig mogelijk hoger beroep zal instellen tegen bijgevoegd vonnis om zodoende de beroepstermijn veilig te stellen. Daarvoor zal ik je een nota toesturen van EUR 250,- excl. BTW. We spraken af dat ik een dagvaardingstermijn van drie maanden zal hanteren.
Ik heb aangegeven dat je naar mijn idee geen sterke zaak hebt en dat ik mijn twijfels heb of we de zaak, gezien de inhoud van het eerdere arrest van 5 februari 2019, in hoger beroep vlot kunnen trekken. Desalniettemin ben ik bereid om het hoger beroep ter hand te nemen waarbij ik de door jou opgestelde (concept) memorie van grieven als naslagwerk zal gebruiken.
Zoals ik heb aangegeven, dien ik er wel zeker van te zijn dat mijn honorarium betaald wordt. Gezien de achtergrond en complexiteit van de zaak, stuur ik daarom je een voorschotnota van EUR 5.000,- excl. BTW in verband met door mij te verrichten werkzaamheden.Deze nota dient uiterlijk 15 april 2022 betaald te zijn.Jij gaf aan dat jij dit voorschot niet zelf kunt betalen, maar dat je in je netwerk op zoek gaat naar mogelijkheden om het hoger beroep te financieren.
Ik wacht de ontwikkelingen op dat vlak even af en zal voorlopig geen verdere werkzaamheden verrichten.
Let wel, voornoemd voorschot dekt naar mijn voorlopige inschatting zeker niet de totale kosten die de behandeling van dit hoger beroep met zich meebrengt. Het laat zich moeilijk voorspellen hoeveel tijd er gemoeid zal zijn met het opstellen van een memorie van grieven.Het feit dat er al een door jou opgesteld concept gereed ligt, zal mijn werk mogelijk bespoedigen, maar zoals ik je heb aangegeven zal de redactie van een door mij op te stellen memorie wel echt uit mijn eigen koker komen.
Ik vertrouw erop dat ik hiermee de gemaakte afspraken correct bevestigd heb. Mochten er zaken niet kloppen, dan hoor ik het graag.
3.9.4. 11
maart 2022, [gedaagde] aan [H]
Beste [H] ,
Ik heb in mijn netwerk inmiddels € 6.000,00 geregeld, want de € 5.000,00 die je noemde was excl. b.t.w. Ik begrijp alles wat je in jouw e-mail van gisteren hebt geschreven,maar ik hoop wel dat met dit bedrag de memorie van grieven naar het gerechtshof kan worden gestuurd op de meest korte termijn zodat we verder kunnen.Zoals gezegd kan ik mij om financiële en gezondheidsredenen en principes geen uitstel meer veroorloven. (…)
Ook begrijp ik alles watje zei over jouw trots als advocaat, en dat je niet bij het kruisje wilt tekenen en het concept zo opstuurt. (…) gebleken is dat ik ondanks alle adviezen van al mijn advocaten tot nu toe, ik onder de streep zelf verantwoordelijk was voor de inhoud van de procedure.Ik weet beter dan wie ook waarom ik op welk moment welke beslissing heb genomen, en het arrest van 2019 wat jij voor mij hebt binnengehaald maakt dat niet anders.(…)
Met andere woorden, ik hoop dat je mijn concept als leidend wilt gebruiken, net zoals eerder bij de aansprakelijkstelling van [E] in hoger beroep. Hiermee bespaar je heel veel tijd en kosten, want ik verwacht niet van je dat jij alle gebeurtenissen van afgelopen 25 jaar je eigen maakt.
Omdat dit mijn allerlaatste kans is om mijn werkelijke schade vergoed te krijgen, en ik de gebeurtenissen vanuit verschillende invalshoeken belicht, is het inderdaad een uitgebreid stuk geworden. Dat moet dan maar.
3.9.5. 14
maart 2022, [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Bijgevoegd tref je een opzet van de dagvaarding aan (*). Kan deze wat jou betreft uitgebracht worden? Controleer even of alle gegevens kloppen.
In reactie op het onderstaande [1] , het navolgende. (…)
Met betrekking tot de kosten, het navolgende. Zoals aangegeven is het een ingewikkelde en vooral uitbreide kwestie.
Daar gaat gewoon veel tijd in zetten. Ik heb je aangegeven dat het genoemde bedrag slechts een voorschot is, en dat je er rekening mee moet houden dat de kosten veel hoger uitpakken. Hoe hoog precies, dat laat zich moeilijk voorspellen. Dat hangt ook af van de inhoud van de stukken die in eerste aanleg zijn ingediend. Die stukken heb ik niet in mijn bezit.Ik zal jouw stuk als leidraad nemen, maar zoals ik al aangaf: ik zal het stuk zelfstandig moeten redigeren.Ook al zou ik de door jouw voorgespiegdelde handelwijze hanteren, dan nog gaat er veel tijd in zitten. Het is nou eenmaal een ingewikkelde kwestie met een lange voorgeschiedenis. Dit blijkt alleen al uit de omvang van het arrest van 5 februari 2019 (29 pagina’s). Ik denk dat je er rekening mee moet houden dat de kosten minimaal EUR 10.000,- zullen bedragen. Als dit een probleem wordt, dan moet ik je adviseren de kwestie bij een andere advocaat neer te leggen. Uiteraard zal ik ernaar streven om de kosten tot een minimum te beperken, maar ik kan op dit punt geen garanties bieden, laat staan een concrete inschatting maken. Hoe spijtig ik dat ook vind.
Ik hoor graag van je of het voorgaande werkbaar is.
3.9.6. 20
april 2022 (14.06), [gedaagde] aan [H] :
Dag [H] ,
Voor wat betreft de griffiekosten heb ik een verzoek ingediend bij de raad van de rechtsbijstand om een lager griffierecht te betalen voor onvermogenden. Hiervoor heb ik bij de rvr al een inkomensverklaring ingediend,zodat de aanvraag in behandeling is. Ik begrijp dat de aanvraag ook al een opschortende werking heeft voor de betaling van de griffierechten.
De reden dat ik vertraging heb opgelopen is dat de gemeente [plaats] nog steeds niet mijn recht op een Pw (bijstand) uitkering heeft erkend, en maar op zoek lijkt te zijn naar redenen om mij die uitkering niet toe te kennen.Ook willen ze geen voorschot geven, zodat ik mijn budget voor het hoger beroep moest aanspreken. Inmiddels heb ik delen van mijn verzameling verkocht om het beroep mee te bekostigen en in mijn levensonderhoud te voorzien. Fijne overheid, fijne rechtsstaat.
Samenvattend is het voorschot volledig betaald en is de aanvraag voor een verlaging van de griffierechten in behandeling(met opschortende werking voor de betaling zo heb ik begrepen),dus zou je aan de slag kunnen.
3.9.7. 20
april 2022 (14.54), [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
(…) Ten aanzien van het griffierecht ben ik niet bekend met een procedure bij de raad van de rechtsbijstand om een lager griffierecht te kunnen betalen. Wel is mij bekend dat men eventueel bij de rechtbank een dergelijk verzoek kan indienen.
Echter, heeft dat verzoek voor zover ik weet geen schorsende werking.
Zoals ik eerder al aangaf, dient het griffierecht toch echt betaald te zijn voordat ik dagvaarding kan aanbrengen. Mijn kantoor is namelijk niet voornemens het incassorisico naar zich toe te trekkenvoor het geval de gewenste voordelige beslissing uitblijft. Ik verzoek je dan ook vriendelijk om het griffierecht alsnog omgaand te betalen. Als er later alsnog een gunstige beslissing ten aanzien van het griffierecht wordt genomen, kunnen we dit zonodig alsnog corrigeren.
3.9.8. 1
juni 2022, [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Intussen heb ik het procesdossier gelezen. Dit was een flinke klus. Het is een enorm omvangrijk en complex dossier.(…)
Zoals ik eerder al aangaf, is de kans van slagen in mijn optiek zeer gering.
Een schadestaatprocedure gaat slechts over de omvang van de schade. Het is dus niet mogelijk om het debat over bijvoorbeeld de aansprakelijkheidsvraag (en of verjaring) te heropenen.
Ik nam kennis van jouw zeer omvangrijke “concept memorie van grieven”.Hoewel er wel bruikbare argumenten in genoemd staan, staan er ook veel zaken in waar ik niet achter sta. Het uitgangspunt is en blijft namelijk dat het arrest van 5 februari 2019 leidend is. Daar kan niet meer aan getornd worden. Het is dus zeker niet de bedoeling dat we die procedure (waarin bijvoorbeeld diverse verjaringsoordelen zijn geveld) nog eens dunnetjes overdoen. (…)
Zo heeft het geen zin om heel uitvoerig op de feiten in te gaan (zoals jij in jouw concept wel hebt gedaan). De feiten in het arrest van 5 februari 2019 zijn vastgesteld en aldus leidend. Slechts (nieuwe) “feiten” die betrekking hebben op de hoogte van de schade, hebben toegevoegde waarde. De feiten uit jouw concept zijn niet nieuw en hebben vooral betrekking op de aansprakelijkheidsvraag en het verjaringsoordeel. Die hebben dus geen toegevoegde waarde.
Wel kunnen we onze visie geven over de wijze waarop het arrest 5 februari 2019 wat ons betreft geïnterpreteerd/uitgelegd kan (of moet) worden. Daar zit wellicht een opening om succes te behalen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik hierin niet de marge zie zoals die uit jouw concept blijkt.
Ik zal daarom - mede met het oog op het drukken van de kosten - een beknopte memorie van grieven opstellen, waarin ik mij beperk tot de belangrijkste kernoverwegingen uit het vonnis van 15 december 2021 . ik zal daar waar het zinvol (en toegestaan) is, putten uit jouw concept, maar verwacht geen stuk van 85 pagina’s en/of complete gekopieerde/geplakte passages. Om misverstanden op dit punt te voorkomen, leek het me goed dit nog eens te benadrukken voordat ik met de redactie van de memorie aan de slag ga.
3.9.9. 18
juli 2022, [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Helaas gaat dit me niet lukken. (…) Daarnaast hebben we al twee besprekingen gehad waarin je me hebt duidelijk gemaakt wat er volgens jou anders moet (en waar ik telkens een streep getrokken heb, omdat je dingen van me vraagt die ofwel niet kunnen danwel - in mijn optiek - jouw zaak geen goed doen).
In mijn optiek ligt er al een stuk waarin alle relevante argumenten benoemd staan.Ik heb je uitgelegd dat er géén ruimte is om nu nog met nieuwe feiten/omstandigheden te komen. Deze procedure gaat namelijk enkel en alleen om de hoogte van de schade. Er ligt bovendien al een onherroepelijk arrest dat leidend is.Ik kan dan ook niet instemmen met het aangepaste stuk dat je me toestuurde. Niet in de laatste plaats omdat we ruimschoots over de toegestane hoeveelheid aan pagina’s gaan.Het heeft geen enkele zin om nog met hele nieuwe uiteenzettingen te komen. Dit neemt het gerechtshof toch niet mee in de beoordeling en werkt alleen maar irritatie in de hand. Een reële proceskostenveroordeling ga ik niet vragen. Dit is volstrekt kansloos, zoals ik je ook al meermaals heb uitgelegd.
We spraken af dat ik - ondanks het voorgaande - tóch nog eens door jouw suggesties loop om te kijken of er nog elementen zijn die (beter) benoemd kunnen/moeten worden. Dit met de restricties zoals hiervoor beschreven.
3.9.10. 20
juli 2022 (09.43), [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Ondanks onze eerdere gesprekken hierover lijkt het besef niet in te dalen dat er in deze procedure helemaal geen ruimte is om met allerlei nieuwe (bewijs)stukken te komen betreffende (nieuwe) verwijten aan het adres van [E] . Dat is een gepasseerd stadium. We moeten het voor wat betreft de gepretendeerde beroepsfouten (aansprakelijkheid) van [E] doen met wat er in het arrest van 5 februari 2018 staat. Ik kan (en zal) op dit punt dan ook geen aanvullende bewijsstukken inbrengen.
Het enige dat wellicht nog een nadere onderbouwing nodig heeft, is de omvang van de schade. Daar ziet de schadestaatprocedure immers op. Ik kan (en zal) slechts stukken overleggen die daarop betrekking hebben. Andere stukken hoef je me niet ter beoordeling voor te leggen. (…)
Intussen heb ik jouw laatste stuk beoordeeld. Helaas moet ik constateren dat dit feitelijk een herhaling van zetten is. Dit terwijl ik je tijdens twee eerdere besprekingen al duidelijk heb aangegeven dat wat jij wenst simpelweg niet mogelijk is.
Op basis van jouw laatste versie heb ik al met al slechts enkele passages veranderd.De passages waar ik niet achter sta, heb ik gelaten voor wat ze zijn.
Mijn aangepaste (en definitieve) concept tref je als bijlage aan(*). Ik heb - naast een versie waarin de wijzigingen ten opzichte van mijn vorige exemplaar zijn begehouden - ook een “geschoond” exemplaar ingesloten.
Hier stopt het wel zo’n beetje voor mij, nu ik tegen de grenzen aanloop van mijn mogelijkheden. Ik ben je op bepaalde punten al tegemoet gekomen maar ergens moet ik een grens trekken. Een bespreking die tot doel heeft om mij op bepaalde punten alsnog te overtuigen, is zinloos. Die discussie hebben we al twee keer gevoerd. (…)
Ik zal - zoals je ook uit bijgevoegd concept kunt afleiden - geen eiswijziging doorvoeren. Uit jouw toelichting blijkt namelijk dat je wens in dit verband gebaseerd is op nieuwe verwijten (“drie nieuwe blunders”) en - belangrijker - in tegenspraak is met een onherroepelijk arrest van 10 februari 2015. Dit is onmogelijk (en dit ga ik dus ook niet faciliteren). We handhaven daarom de opstelling zoals die blijkt uit de schadestaat in eerste aanleg ad € 4.319.209,26 (in jouw laatste stuk de subsidiaire vordering).
Ik hoor graag van je of je je kunt vinden in het bijgevoegde concept. Wat mij betreft is dit het finale concept.Uiteraard hoor ik graag van je als er eventueel nog type- of schrijffouten in het stuk staan.
3.9.11. 20
juli 2022 (17:48), [gedaagde] aan [H] ;
[H] ,
Kan ik morgenochtend vooralsnog de door jouw gevraagde stukken komen brengen? Ik beraad mij ook wat ik moet doen, want we spreken volledig langs elkaar heen; ik weet verdomd goed waar ik het over heb. En uitsluitend omdat je het fout ziet blijf ik er maar over doorgaan.
Ook vind ik jammer dat je niet tot het uiterste voor mij wilt gaan, en jouw reputatie bij het hof belangrijker vindt dan mijn belangen als rechtzoekende te dienen. Mijn verbeteringen en wat ik vraag inzake de volledige kostenveroordeling is niet ridicuul, maar geeft voor het hof ook serieuze stof tot nadenken. (…)
Deze procedure heeft mij al ruim € 130.000,00 gekost,echt geld, wat ik op z'n minst wil pogen terug te krijgen. (…)
Ik hoor graag of ik morgenochtend de spullen kan brengen, en als je even hebt wil ik e.e.a. graag toelichten, ondanks dat je schrijft dat je mijn argumenten niet meer wilt horen.Ik hoop echt dat we samen het succes van het beroep in de aansprakelijkstelling nog een keer kunnen herhalen - daarom heb ik me weer tot jou gewend omdat ook toen diverse advocaten zeiden dat een overwinning niet mogelijk was.
3.9.12. 21
juli 2022 (8.30), [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Als jij blijft vasthouden aan jouw wensen (die simpelweg niet realiseerbaar zijn binnen de kaders van onderhavige procedure) zul je echt op zoek moeten naar een andere advocaat.
3.9.13. 21
juli 2022 (8.43), [gedaagde] aan [H] :
Beste [H] ,
Wat jij schrijft is niet juist. Het is wél mogelijk binnen het zeer brede kader van het arrest van februari 2019, waarin de dagvaarding door [D] in 1997 een beroepsfout is genoemd en waarin alle schade als gevolg van de foute advisering over mijn vorderingsrecht voor vergoeding in aanmerking komt. Ik begrijp niet dat je het gesprek hierover niet wilt voeren, en erop staat om opzettelijk onjuiste feiten in mijn memorie van grieven op te nemen en daardoor mijn kans op een schadevergoeding verkleind. Nog los van dat het in lijn is met het dubbelzinnige arrest uit 2019, kan ik de feiten toch niet veranderen of aanpassen aan de beperkte interpretatie van dat arrest? Dat liet ik eerder wel gebeuren met alle schadelijke gevolgen van dien. Ik weiger opnieuw om onjuiste feiten aan te dragen, en jij zou dat ook niet moeten willen.
3.9.14. 25
juli 2022 [H] aan [gedaagde] :
Beste [gedaagde] ,
Er wordt door mij geen enkel onjuist feit benoemd in de memorie. Ondanks mijn eerdere vraag op welke passages jij doelt, heb ik niet concreet van je vernomen.
Ik heb mijn kaders/grenzen eerder al gecommuniceerd. Er wordt door mij in géén geval aanspraak gemaakt op een reële proceskostenveroordeling. Als dit jou niet zint, moet je als gezegd op zoek naar een andere advocaat.
Ook weiger ik om binnen de beperkte kaders van de schadestaatprocedure (waar het puur gaat om de schade, en waarbinnen geen ruimte is om met nieuwe grondslagen voor aansprakelijkheid te komen) met allerlei nieuwe verwijten en aanvullende feiten en omstandigheden te komen. Dat ga ik niet doen. (…)Ik heb je een concept voorgelegd waar ik achter kan staan. Dat vormt de basis voor het (eventuele) verdere vervolg.(…)
Voor de goede orde: ik ga niet opnieuw in discussie over de door mij aangegeven grenzen. Die staan vast.
3.10.
De dienstverlening van [H] heeft onder andere geleid tot in ieder geval twee conceptversies van een memorie van grieven van 20 pagina’s, die tot stand kwamen na herhaald overleg tussen [H] en [gedaagde] . Deze memorie is echter niet door [H] ingediend, aangezien [gedaagde] na de voorgaande contacten medio augustus 2022 de relatie met [H] heeft verbroken en zich tot een opvolgend advocaat, mr. [I] (“ [I] ”) heeft gewend om hem bij te staan in het hoger beroep van de schadestaatprocedure tegen [E] . Dit hoger beroep is voor [gedaagde] negatief geëindigd, om redenen zoals door [H] in de hierboven geciteerde e-mailberichten aan [gedaagde] eerder waren voorgehouden.
3.11.
[eiseres] heeft [gedaagde] ter zake van de dienstverlening van [H] voor een totaalbedrag van € 14.166,07 zes facturen toegezonden. Hiervan heeft [gedaagde] :
- drie facturen voor een bedrag van € 7.511,84 betaald; en
- drie facturen, gedateerd 25 mei, 18 juli en 11 augustus 2022, voor een bedrag van € 6.654,23 niet betaald.
De declaraties hebben een betalingstermijn van 2 weken.
3.12.
[eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 19 augustus 2024 gesommeerd tot betaling van de drie openstaande facturen, met aanzegging dat bij uitblijven van betaling binnen 15 dagen na ontvangst van deze brief aanspraak wordt gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Aan de sommatie heeft [gedaagde] niet voldaan.
4.Het geschil
in conventie
4.1.
[eiseres] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.361,94 ter zake van hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij heeft in de persoon van [H] op grond van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht juridische diensten verleend. De daarvoor verzonden facturen laat [gedaagde] ook na sommatie ten dele onbetaald. [gedaagde] verkeert in verzuim en is naast het bedrag van de openstaande facturen buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] voert, samengevat, het volgende aan:
a. a) [eiseres] heeft ten onrechte niet geadviseerd met betrekking tot de mogelijkheden van het verkrijgen van een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand);
b) [gedaagde] is een consument en had beter moeten worden voorgelicht omtrent de kosten van een procedure;
c) Er is, gezien de aard, omvang en inhoud van de dienstverlening door [gedaagde] voldoende betaald aan [eiseres] : het in rekening gebrachte bedrag voldoet niet aan de dubbele redelijkheidstoets;
d) Er was sprake van een voornemen om een 'fixed fee' af te spreken waarop door [eiseres] ten onrechte niet is teruggekomen en tevens is geen waarschuwing uitgegaan dat het betaalde voorschot was 'verbruikt’, zodat het ervoor gehouden moet worden dat het in rekening gebrachte eerste voorschot dekking bood ter zake van de gehele advisering.
in reconventie
4.5.
[gedaagde] vordert, samengevat, veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 7.511,84, vermeerderd met rente en kosten.
4.6.
[gedaagde] legt aan de vordering in reconventie zijn verweer in conventie ten grondslag, aangezien daarmee volgens hem ook de grondslag aan de eerste drie door [eiseres] verzonden en door [gedaagde] betaalde facturen is komen te ontvallen, waardoor deze onverschuldigd door [gedaagde] aan [eiseres] zijn betaald.
4.7.
[eiseres] voert verweer. [eiseres] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.8.
[eiseres] betoogt dat het verweer van [gedaagde] in conventie ongegrond is, betwist een aantal van [gedaagde] ’ stellingen en voert bij wijze van tegenweer het volgende aan. [gedaagde] was op basis van zijn ervaringen met andere advocaten in het verleden, waaronder [G] , op de hoogte van het verschijnsel ‘toevoeging’. [gedaagde] wist dat [H] niet op toevoegingsbasis werkte, hetgeen hem is gezegd en schriftelijk is bevestigd, en [gedaagde] heeft met [eiseres] afgesproken dat de dienstverlening op basis van een uurtarief zou plaatsvinden. [gedaagde] wist dat geen sprake was van een fixed fee en hem is voor aanvang van de werkzaamheden door [H] een adequate kosteninschatting gegeven. De dienstverlening betrof een complex en omvangrijk dossier.
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5.De beoordeling
in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de kantonrechter deze gezamenlijk beoordelen, aan de hand van de door [gedaagde] aangevoerde verweren zoals genoemd in 4.4.
5.2.
Eerste verweer: [eiseres] heeft ten onrechte niet geadviseerd met betrekking tot de mogelijkheden van het verkrijgen van een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand)
5.2.1.
Bij de beoordeling van dit verweer komen de volgende thema’s aan de orde:
[eiseres] werkt niet op toevoegingsbasis;
Gedragsregel 18 lid 1 en de daarin vermelde ‘goede grond’: [gedaagde] ’ bedrijfsmatig rechtsbelang in het licht van art. 12 lid 2 sub e WetPro op de rechtsbijstand (“Wrb”);
Gedragsregel 18 lid 1 en de daarin vermelde ‘goede grond’: [gedaagde] beroep op de artikelen 6 en 13 van het EVRM;
[gedaagde] ’ gestelde voorkeur voor ‘toegevoegd advocaat’; en
Gedragsregel 18 lid 3.
5.2.2.
In deze zaak is sprake van een overeenkomst van opdracht. Artikel 7:401 BWPro bepaalt dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Volgens vaste rechtspraak wordt daarbij tot uitgangspunt genomen dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Of er voldoende zorgvuldigheid is betracht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [2]
Wat van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht wordt ook ingevuld door de Gedragsregels (de “Gedragsregels”) van de Nederlandse Orde van Advocaten.
5.2.3.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van dit onderdeel van zijn standpunt verwezen naar Gedragsregel 18. Deze bepaling luidt, voor zover relevant:
18 Gefinancierde rechtsbijstand
1. Tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, is hij verplicht met zijn cliënt vóór de aanvaarding van de opdracht en verder steeds tussentijds wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen. (…)
3. Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin de keuze maakt daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.
Daarbij heeft [gedaagde] het volgende betoogd:
Er was sprake van een langdurige relatie met [H] , die wetenschap had van de persoonlijke situatie van [gedaagde] , waaronder het feit dat deze was aangewezen op een bijstandsuitkering;
De onderneming van [gedaagde] was in 2012 gestaakt; [3]
Een bedrijfsmatig belang zou niet aan “toevoegbaarheid” in de weg hebben gestaan, nu de Wet op de rechtsbijstand (“Wrb”) voor dat soort gevallen een voorziening kent in de vorm van artikel 12 WrbPro lid 2 sub e: er kan een toevoeging worden verstrekt, in gevallen waarin het beroep of bedrijf niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd en voortzetting daarvan afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand;
Er was in casu sprake van rechtsbijstand ten behoeve van een eenmanszaak (dus geen rechtspersoon) en het voortbestaan van de onderneming was afhankelijk van de uitkomst van de tegen [E] te voeren procedure; [4]
Er bestonden geen goede gronden om aan te nemen dat er geen recht op toevoeging bestond als bedoeld in Gedragsregel 18 lid 1;
Er is geen gevolg gegeven aan het bepaalde in Gedragsregel 18 lid 3;
Indien [eiseres] geen werkzaamheden wenste te verrichten op basis van een toevoeging, had men [gedaagde] moeten verwijzen naar een andere advocaat die hiertoe wel bereid was;
[gedaagde] ’ opvolgend advocaat, [I] , heeft voor zijn werkzaamheden wel een toevoeging verkregen, ter onderbouwing waarvan [gedaagde] heeft verwezen naar de door hem overgelegde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling bestuursrecht (de “voorzieningenrechter”), van 11 juli 2023 en de bodemuitspraak van de bestuursrechter van dezelfde rechtbank van 12 juni 2024;
[gedaagde] heeft op grond van het bepaalde in de artikelen 6 en 13 EVRM recht op een toevoeging;
Door het nalaten van [eiseres] om [gedaagde] te wijzen op zijn recht op een toevoeging, heeft hij geen goede afweging kunnen maken of hij de overeenkomst van opdracht met [eiseres] zou aangaan. Indien [gedaagde] wel op zijn recht op een toevoeging zou zijn gewezen, had hij een toegevoegde advocaat gekozen, simpelweg omdat hijzelf geen financiële middelen meer had.
5.2.4.
[eiseres] heeft de stellingen van [gedaagde] gemotiveerd betwist en bij wijze van tegenweer op dit punt ook betoogd dat [gedaagde] op basis van zijn ervaringen in het verleden met andere advocaten, waaronder [G] , op de hoogte was van het verschijnsel ‘toevoeging’. [H] heeft [gedaagde] wel gewezen op de mogelijkheid van gesubsidieerde rechtsbijstand, maar heeft tegelijk aangegeven dat [H] niet op toevoegingsbasis werkte. [gedaagde] heeft bewust voor [H] gekozen omdat hij op de hoogte was van het dossier en mede gezien zijn prettige ervaringen uit het verleden. [gedaagde] heeft met [eiseres] afgesproken dat de dienstverlening op basis van een uurtarief zou plaatsvinden.
Thema a: [eiseres] werkte niet op toevoegingsbasis
5.2.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is het aspect van de gefinancierde rechtsbijstand uitgebreid besproken. [gedaagde] heeft betwist dat hij door [H] is gewezen op het bestaan/de mogelijkheid van een toevoeging. Hij heeft tevens verklaard dat hij bekend was met het verschijnsel van een toevoeging, maar dat hij er altijd van uitgegaan is dat hij als ondernemer niet in aanmerking kwam voor een toevoeging. Alle advocaten die hem hadden bijgestaan, waaronder [E] en [G] , zouden dat hebben verklaard. Namens [eiseres] heeft [H] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [eiseres] dit soort zaken per definitie niet op toevoegingsbasis behandelt en dat dat aan [gedaagde] is verteld toen hij bij [H] aanklopte voor de zaak. Dit is nog schriftelijk bevestigd aan [gedaagde] .
5.2.6.
Het verweer van [eiseres] op dit punt wordt ondersteund door de in r.o. 3.9.1 tot en met 3.9.6 geciteerde e-mailberichten van [gedaagde] en [H] . Daarin schrijft [gedaagde] specifiek dat hij voor wat betreft het aan de appelprocedure verbonden griffierecht een beroep zal doen op een voorziening waardoor hij die kosten niet hoeft te betalen c.q. dat hij daarvoor bij de Raad voor Rechtsbijstand (“RvR”) een verzoek heeft ingediend “om een lager griffierecht te betalen voor onvermogenden”. Voor wat betreft het honorarium van [H] gaat het in die e-mailberichten over de afgesproken vaste kosten voor een appeldagvaarding (€ 250), een voorschotfactuur die [gedaagde] uit eigen middelen c.q. via zijn netwerk zal bekostigen en een eerste kosteninschatting van [H] .
5.2.7.
De kantonrechter wijst in het bijzonder op het e-mailbericht van [H] aan [gedaagde] van 7 maart 2022, dat is verzonden vóórdat [H] nog inhoudelijke werkzaamheden in het dossier heeft verricht. Daarin schrijft [H] expliciet:
“Je spreekt over een “voorziening” voor deze griffierechten, maar daar ben ik niet mee bekend. Voor zover je doelt op een toevoeging, geldt dat ik niet op toevoegingsbasis procedeer. Het griffierecht dient dus op voorhand door jou (of een derde) betaald te worden.”
Daarmee heeft [H] aan [gedaagde] , vóórdat [H] inhoudelijk iets heeft gedaan en [gedaagde] financiële verplichtingen jegens [eiseres] kreeg, duidelijk kenbaar gemaakt dat gefinancierde rechtsbijstand voor hem en zijn kantoor niet aan de orde was, los van de vraag of [gedaagde] daar al dan niet voor in aanmerking zou komen. Een dergelijke boodschap is herhaald in het e-mailbericht van 14 maart 2022:
“Ik denk dat je er rekening mee moet houden dat de kosten minimaal EUR 10.000,- zullen bedragen. Als dit een probleem wordt, dan moet ik je adviseren de kwestie bij een andere advocaat neer te leggen.”
5.2.8.
Het staat elke advocaat vrij om geen zaken te behandelen waarin sprake is van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Hij dient dit dan duidelijk aan zijn cliënt mee te delen, onder vermelding van het in de desbetreffende zaak te hanteren uurtarief en de in te schatten kosten. Dat eerste heeft [H] in ieder geval gedaan. Of hij op het punt van de kosteninschatting adequaat heeft gehandeld komt later in dit vonnis aan de orde.
5.2.9.
Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, gaan de verplichtingen van Gedragsregel 18 lid 1 in een situatie waarin de advocaat niet op toevoegingsbasis werkt niet zo ver dat op de betreffende advocaat in dat geval toch de plicht rust om:
de mogelijkheden voor een toevoeging te onderzoeken; of
te verwijzen naar een advocaat die wel bereid is om in het kader van gefinancierde rechtsbijstand juridische diensten te verlenen.
[gedaagde] heeft geen onderbouwing gegeven waarom die verplichtingen wel in Gedragsregel 18 lid 1 gelezen zouden moeten worden. [gedaagde] lezing vindt ook geen steun in de tuchtuitspraken over Gedragsregel 18 lid 1.
Thema b: Gedragsregel 18 lid 1 en de daarin vermelde ‘goede grond’: [gedaagde] ’ bedrijfsmatig rechtsbelang in het licht van art. 12 lid 2 sub e WrbPro
5.2.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is uitgebreid besproken dat de verplichtingen uit Gedragsregel 18 lid 1 niet gelden indien de advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Volgens [gedaagde] bestonden er geen goede gronden om aan te nemen dat er geen recht op toevoeging bestond als bedoeld in Gedragsregel 18 lid 1.
Daarin kan hij niet worden gevolgd. Dat oordeel wordt hieronder uitgewerkt
5.2.11.
De vordering van [gedaagde] jegens [E] was een uitvloeisel van zijn zakelijke activiteiten en het ging daarom om een bedrijfsmatig rechtsbelang.
Zoals [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft erkend, was en is het vast beleid van de RvR om aan ondernemers in beginsel geen toevoeging te verstrekken. Daarom was hij er zelf ook jarenlang van uitgegaan dat hij niet voor een toevoeging in aanmerking zou komen.
5.2.12.
De Wrb kent op het voorgaande weliswaar een uitzondering in art. 12 lid 2 sub e WrbPro, namelijk voor gevallen waarin voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand. Maar daarvan was in [gedaagde] ’ geval geen sprake, nu zijn eenmanszaak in 2012 was beëindigd. Daarom kon de voortzetting van de onderneming ook niet afhankelijk zijn van het resultaat van de procedure tegen [E] .
5.2.13.
In dat verband wijst de kantonrechter er op dat de RvR op deze grond aanvankelijk bij besluit van 10 november 2022 ook geweigerd heeft een toevoeging te verstrekken voor de dienstverlening door [I] . Dat besluit is kenbaar uit de door [gedaagde] overgelegde beslissing van de voorzieningenrechter van 11 juli 2023:
“De raad heeft de toevoeging geweigerd, omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. Ook is de raad van mening dat zich hier geen uitzonderingssituatie voordoet. Het bedrijf van verzoeker is meer dan een jaar geleden beëindigd, maar verzoeker is niet in eerste aanleg als verweerder bij een procedure betrokken of betrokken geweest.”
5.2.14.
Het vast beleid van de RvR op dit punt blijkt ook uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de “Afdeling”). Dat de RvR in [gedaagde] ’ situatie hier zelf van zou (willen) afwijken is niet gebleken. In tegendeel, uit het besluit van 10 november 2022 blijkt dat de RvR dit vast beleid ook heeft toegepast op de aanvraag van [gedaagde] .
Thema c: Gedragsregel 18 lid 1 en de daarin vermelde ‘goede grond’: [gedaagde] beroep op de artikelen 6 en 13 van het EVRM
5.2.15.
[gedaagde] heeft verder betoogd dat hij op grond van het bepaalde in de artikelen 6 en 13 EVRM recht op een toevoeging heeft. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dat standpunt.
In meerdere uitspraken [5] heeft de Afdeling geoordeeld dat in het licht van de rechtspraak van het EHRM niet kan worden gezegd dat art. 12 lid 2 sub e WrbPro op zichzelf in strijd is met artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 13, van het EVRM. Mede met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening moet het gerechtvaardigd worden geacht rechtsbijstandskosten in civiele procedures die voortvloeien uit beroep of bedrijf voor rekening van de ondernemer te laten. Dit geldt met name indien de aanvrager van de toevoeging geen gedaagde is maar eiser, zoals [gedaagde] . In het kader van een verantwoorde bedrijfsvoering dient de ondernemer met dit soort kosten rekening te houden. Het behoort tot de normale ondernemersrisico's dat in verband met de werkzaamheden van de ondernemer gerechtelijke procedures worden ingesteld, waaraan kosten zijn verbonden. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wrb overweegt de Afdeling in deze uitspraken dat een ondernemer, of hij nu een zelfstandige is of bestuurder van een onderneming, voor rechtsbijstandskosten in civiele procedures die voortvloeien uit beroep of bedrijf reserveringen kan treffen of zich daartegen kan verzekeren.
Doet hij dit niet of start hij een onderneming zonder dat hij in staat is zodanige voorzieningen te treffen, dan komt dit in beginsel voor zijn rekening en risico. Ook de omstandigheid dat de ondernemer zich, bijvoorbeeld omdat hij beginnend ondernemer is, niet kon verzekeren tegen rechtsbijstandskosten vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat weigering van de toevoeging daarom in strijd komt met het recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, aldus de Afdeling. [6]
Gelet op deze duidelijke en vaste rechtspraak van de Afdeling zou ook een eventueel beroep door [gedaagde] op artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 13, van het EVRM weinig kansrijk zijn geweest.
De beperkte reikwijdte van de door [gedaagde] verkregen voorziening
5.2.16.
Dat wordt niet anders doordat de voorzieningenrechter in de aangehaalde uitspraak van 11 juli 2023 heeft overwogen dat:
in concrete gevallen de weigering van de gevraagde toevoeging er niettemin toe kan leiden dat tekortgeschoten wordt in de nakoming van een positieve verplichting die voortvloeit uit het recht op toegang tot de rechter;
de RvR de blijkens de uitspraak door [gedaagde] aangevoerde specifieke en persoonlijke omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kenbaar meegewogen heeft; en
naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter het door [gedaagde] bestreden besluit op grond van het sub b vermelde dan ook geen stand zal kunnen houden.
De voorzieningenrechter heeft daarmee immers geen oordeel ten gronde gegeven over de weigering van de RvR om [gedaagde] een toevoeging te verstrekken of over het door [gedaagde] ’ vermeende recht op een toevoeging. De voorzieningenrechter heeft de zaak op een motiveringsgebrek in de beslissing van de RvR afgedaan. De RvR zou in een volgende beslissing tot dezelfde uitkomst hebben kunnen komen, mits uit de motivering van de nieuwe beslissing maar zou blijken dat en hoe de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden waren meegewogen. In die zin dient de reikwijdte van de beslissing van de voorzieningenrechter te worden genuanceerd en kan daaraan niet de absolute betekenis worden toegekend die [gedaagde] daaraan toekent.
5.2.17.
[gedaagde] heeft in de genoemde procedure voor de voorzieningenrechter betoogd dat het bedrag dat hij aan proceskosten zou hebben uitgegeven (ongeveer € 850.000.00) niet kan worden gedekt gezien de door verzekeraars gehanteerde maximumbedragen, zodat het afsluiten van een dergelijke verzekering geen zin zou hebben gehad en het niet afsluiten daarvan hem niet kan worden tegengeworpen. De kantonrechter overweegt op dit punt dat de hoogte van de gemaakte proceskosten, die in déze procedure niet zijn gesteld noch onderbouwd, vooralsnog geen reden vormen om te veronderstellen dat de Afdeling in een eventueel door [gedaagde] ’ ingesteld hoger beroep zou afwijken van de hiervoor aangehaalde vaste lijn van uitspraken. Het enkele feit dat een partij zich om principiële redenen niet wil neerleggen bij tal van onwelgevallige gerechtelijke uitspraken en daardoor veelvuldig procedeert en buitensporig hoge kosten maakt, betekent niet dat dergelijke hoge kosten via een toevoeging op de samenleving kunnen worden afgewenteld. Dit zou leiden tot de ongewenste en ongerijmde situatie dat voor geringe of overzienbare kosten aan een ondernemer géén toevoeging wordt verstrekt maar voor buitensporig hoge kosten wel.
Overigens is het door [gedaagde] bij de voorzieningenrechter genoemde bedrag van € 850.000 strijdig met het bedrag in zijn e-mail van 20 juli 2022 (r.o. 3.9.11), waarin hij een bedrag van € 130.000 vermeldt.
5.2.18.
Enkel opdat [gedaagde] op korte termijn duidelijkheid zou hebben over het kunnen voeren van zijn hogerberoepsprocedure tegen [E] heeft de voorzieningenrechter op basis van een concrete en individuele belangenafweging geoordeeld dat het belang van [gedaagde] moest prevaleren boven dat van de RvR en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de RvR aan [gedaagde] een toevoeging diende te verstrekken. De voorzieningenrechter heeft echter tevens aangegeven dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet bindt.
5.2.19.
Uit de door [gedaagde] overgelegde bodemuitspraak van de bestuursrechter van de deze rechtbank van 12 juni 2024 blijkt tenslotte ook niet dat [gedaagde] vóór of op grond van zijn aanvraag op 10 oktober 2022 recht had op een toevoeging. [gedaagde] is immers in deze uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tussenconclusie over de goede grond van Gedragsregel 18 lid 1
5.2.20.
Uit het voorgaande blijkt het volgende:
Het is nog steeds vast beleid van de RvR dat aan ondernemers slechts een toevoeging wordt verstrekt indien zich een uitzonderingssituatie als vermeld in artikel 12 lid 2 onderPro e van de Wrb voordoet. Daarvan was in [gedaagde] ’ geval geen sprake, aangezien zijn onderneming al in 2012 was beëindigd;
Dit beleid is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling op zichzelf niet in strijd met de artikelen 6 en 13 van het EVRM.
Tegen deze achtergrond bestond er derhalve in de fase van opdrachtverlening door [gedaagde] aan [eiseres] goede grond voor [H] om aan te nemen dat [gedaagde] niet in aanmerking kon komen voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand.
5.2.21.
Ook indien [H] wel op toevoegingsbasis werkzaamheden zou hebben willen verrichten, zou wegens de genoemde goede grond geen sprake zijn van schending van Gedragsregel 18 lid 1. De kantonrechter verwijst naar diverse tuchtrechtelijke uitspraken van op dit punt [7] De kantonrechter merkt hierbij ten overvloede op dat het uiteindelijke oordeel daarover zeer afhankelijk is van de specifieke situatie en niet aan de kantonrechter is maar aan de tuchtrechter.
5.2.22.
Ook indien wellicht wel sprake geweest zou zijn van schending van een Gedragsregel, dan leidt een dergelijke schending niet zonder meer tot aansprakelijkheid van de advocaat, laat staan tot volledig verval van de betalingsverplichting van de cliënt, zoals [gedaagde] zonder verdere juridische onderbouwing heeft betoogd.
De Gedragsregels kunnen weliswaar rol spelen in de rechtsverhouding tussen de advocaat en de cliënt maar het karakter van de Gedragsregels als zelfregulering brengt met zich dat enkele overtreding van een Gedragsregel op zichzelf onvoldoende is voor civielrechtelijke aansprakelijkheid. [8]
Thema d: [gedaagde] ’ gestelde voorkeur voor ‘toegevoegd advocaat’
5.2.23.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij door het verzuim van [eiseres] om [gedaagde] te wijzen op zijn recht op een toevoeging, geen goede afweging heeft kunnen maken of hij de overeenkomst van opdracht met [eiseres] zou aangaan en dat hij indien hij wel op zijn recht op een toevoeging zou zijn gewezen, een toegevoegde advocaat zou hebben gekozen, simpelweg omdat hijzelf geen financiële middelen meer had. [eiseres] heeft dit gemotiveerd betwist en betoogt dat [gedaagde] [H] heeft benaderd omdat hij op de hoogte was van het dossier en [gedaagde] kennelijk goede ervaringen met [H] had. Verder heeft [eiseres] erop gewezen dat [gedaagde] zelf schreef dat hij een budget voor het hoger beroep moest aanspreken en blijkbaar dus wel over financiële middelen beschikte.
5.2.24.
De kantonrechter acht de stellingen van [gedaagde] op dit punt niet aannemelijk en verwijst naar de in r.o. 3.9.4, 3.9.6 en 3.9.11 geciteerde e-mailberichten van [gedaagde] aan [H] , die de betwisting/het verweer van [eiseres] ondersteunen. Met name het laatste e-mailbericht bevestigt het verweer van [eiseres] en de onaannemelijkheid van [gedaagde] ’ stelling dat zijn voorkeur naar een ‘toegevoegd advocaat’ zou zijn uitgegaan:
“Ik hoop echt dat we samen het succes van het beroep in de aansprakelijkstelling nog een keer kunnen herhalen - daarom heb ik me weer tot jou gewend omdat ook toen diverse advocaten zeiden dat een overwinning niet mogelijk was.”
Dit bevestigt dat [gedaagde] [H] met name vanwege zijn eerdere betrokkenheid bij de zaak van [gedaagde] en de daarbij door [H] behaalde resultaten heeft benaderd. Het komt de kantonrechter tegen deze achtergrond en gelet op het grote belang en de spoedeisendheid van de zaak voor [gedaagde] onaannemelijk voor dat [gedaagde] daadwerkelijk enkel vanwege het op toevoegingsbasis verrichten van werkzaamheden voor een andere advocaat zou hebben gekozen. De kantonrechter refereert op dit punt aan het e-mailbericht van [gedaagde] van 11 maart 2022 (r.o. 3.9.4), waarin hij schrijft dat hij zich om financiële en gezondheidsredenen en principes geen uitstel meer kan veroorloven en grote haast heeft met het indienen van een memorie van grieven. Het is dan zeer ongeloofwaardig dat [gedaagde] enkel vanwege lagere kosten een andere advocaat, die zich geheel zou hebben moeten inlezen, zou hebben ingeschakeld.
Dwaling
5.2.25.
Voor zover [gedaagde] ’ stellingen over een voorkeur voor een toegevoegde advocaat moeten worden aangemerkt als een beroep op dwaling, volgt uit het hiervoor in r.o. 5.2.23 en 5.2.24 overwogene dat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de overeenkomst van opdracht met [eiseres] onder invloed van dwaling heeft gesloten en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten. Daarmee is aan de basisvoorwaarden van een beroep op dwaling niet voldaan.
Thema c: Gedragsregel 18 lid 3
5.2.26.
Voor zover [gedaagde] ter onderbouwing van zijn standpunt betoogd heeft dat [H] Gedragsregel 18 lid 3 geschonden heeft, kan dat niet tot de door [gedaagde] gewenste uitkomst kan leiden.
Nu [H] goede grond had om aan te nemen dat [gedaagde] niet in aanmerking kon komen voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand (zie hierboven r.o. 5.2.20), waardoor naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake was van schending van Gedragsregel 18 lid 1 (zie hierboven r.o. 5.2.21), viel er bijgevolg niets vast te leggen omtrent het afzien door [gedaagde] van zijn recht op toevoeging. [9] Gedragsregel 18 lid 3 bevat geen verplichting voor de advocaat om de gepercipieerde goede grond schriftelijk vast te leggen.
5.2.27.
In lijn met hetgeen hierboven al is overwogen over het karakter van de Gedragsregels als zelfregulering, heeft ook ten aanzien van Gedragsregel 18 lid 3 te gelden dat een eventuele schending van die norm wellicht tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn, maar in dezen niet zonder meer tot het door [gedaagde] gewenste resultaat (verval van zijn betalingsverplichting) kan leiden.
Gelet op de uiteindelijk gemaakte honorariumafspraak zou [gedaagde] ’ situatie immers niet anders zijn geworden indien [H] zou hebben vastgelegd dat [gedaagde] ondanks zijn mogelijke aanspraken op gefinancierde rechtshulp niettemin de keuze had gemaakt daarvan geen gebruik te maken en het honorarium van [H] zou betalen.
Of het door [H] aan [gedaagde] op 7 maart 2022 verzonden e-mailbericht vanuit tuchtrechtelijk perspectief bezien aan Gedragsregel 18 lid 3 voldoet, is niet ter beoordeling aan de kantonrechter.
Conclusie over het eerste verweer
5.2.28.
Slotsom van het voorgaande is dat er in januari 2022 naar het oordeel van de kantonrechter voor [H] goede grond was om aan te nemen dat [gedaagde] niet in aanmerking kon komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Van schending van Gedragsregel 18 leden 1 en 3 is dan geen sprake. Op dit onderdeel bestaat er geen reden voor verval van de betalingsverplichting van [gedaagde] .
5.3.
Tweede verweer: [gedaagde] moet worden aangemerkt als een consument en hij had beter moeten worden voorgelicht over de kosten van het instellen van hoger beroep
5.3.1.
[gedaagde] voert aan dat hij in deze zaak als consument moet worden aangemerkt omdat hij geen onderneming meer had. [10] Hij betoogt [11] dat hij niet concreet wist wat de kosten van het hoger beroep zouden bedragen en dat hij het e-mailbericht van [H] van 10 maart 2022 over een voorschot geïnterpreteerd heeft als zou het hoger beroep voor € 6.000 ingediend worden. Na het e-mailbericht van 10 maart 2022 heeft hij geen kostenramingen meer ontvangen en/of voorschotten in rekening gebracht gekregen. Hij is ook niet tijdig geïnformeerd toen het reeds betaalde voorschot kennelijk op was en wist ook niet dat er nog drie facturen zouden volgen. De handelwijze van [eiseres] is in strijd met het Unierecht, immers strijdig met de uitspraak van het HvJEU van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). Daardoor is de grondslag aan alle verzonden facturen komen te ontvallen.
5.3.2.
[eiseres] heeft het voorgaande betwist en verwezen naar de kosteninschatting van [H] en de periodiek verzonden facturen.
5.3.3.
De kantonrechter merkt allereerst op dat [gedaagde] in deze procedure tegenstrijdige stellingen inneemt over zijn status als consument of ondernemer. Indien het [gedaagde] kennelijk goed uitkomt om als consument te worden aangemerkt, dan stelt hij dat zijn onderneming in 2012 is beëindigd (kantnummers 5 en 45 van de conclusie van antwoord), maar als hij poogt zijn recht op een toevoeging te onderbouwen dan betoogt hij dat het voortbestaan van zijn onderneming van de uitkomst van de procedure tegen [E] afhankelijk was (kantnummer 33 van de conclusie van antwoord).
5.3.4.
Gelet op [gedaagde] ’ tegenstrijdige uitlatingen en mede met het oog op een eventuele ambtshalve toetsing van oneerlijke prijsbedingen beoordeelt de kantonrechter of de positie van [gedaagde] zodanig is dat hij als consument in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 moet worden aangemerkt.
Als beoordelingskader verwijst de kantonrechter naar de volgende uitspraken:
HvJEU 27 oktober 2022, ECLI:EU:C:2022:839, r.o. 25: "Wat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 betreft, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat dit een objectief begrip is. Dit begrip moet worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de betrokken contractuele verhouding deel uitmaakt van activiteiten die niets van doen hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf (beschikking van 14 september 2016, Dumitraș, C-534/15, EU:C:2016:700, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak)." HvJEU 19 november 2015, ECLI:EU:C:2015:772 (Tarcau), r.o. 27: "In dat verband zij eraan herinnerd dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een objectief begrip is (zie arrest Costea , C 110/14, EU:C:2015:538, punt 21).” HvJEU 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea), r.o. 23: "Daartoe moet de nationale rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen."
5.3.5.
De in deze zaak gebleken feiten afzettend tegen voornoemd beoordelingskader, oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] bij de opdrachtverlening aan [eiseres] niet als consument kon worden aangemerkt. De oorsprong van alle hierboven vermelde procedures, uitmondend in het hoger beroep van de schadestaatprocedure tegen [E] , ligt immers in een zakelijk geschil met [C] en meer in het bijzonder [gedaagde] ’ (aandeel in het) vorderingsrecht jegens [C] . Dat (aandeel in het) vorderingsrecht kwam hem toe (als mede-eigenaar) van de [A] in [plaats] en [plaats] .
Dat was een bedrijfsmatig belang, waarin [E] [gedaagde] als ondernemer heeft bijgestaan. De aansprakelijkheidsprocedure en de daarop volgende schadestaatprocedure tegen [C] hadden evenzeer een zakelijk belang.
De grondslag van [gedaagde] ’ schadeclaim jegens [E] is volgens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beroepsfout die [E] in haar advisering van de ondernemer [gedaagde] heeft gemaakt door op 2 maart 2007 en 1 maart 2012 nutteloze stuitingsbrieven te verzenden. Het financiële belang van die schadeclaim, het bedrag dat [gedaagde] van [E] vordert als schadevergoeding (circa 4,5 miljoen euro) wijst ook niet op een particulier consumentenbelang maar op een bedrijfsmatig belang. In die context heeft [gedaagde] als ondernemer te gelden en niet als consument. Het feit dat [gedaagde] zijn onderneming in 2012 formeel heeft beëindigd maakt niet dat zijn voordien jegens [E] ontstane vordering plotseling van aard verschiet en van een zakelijke vordering plotseling een consumenten- of privévordering wordt.
5.3.6.
De kantonrechter verwijst op dit punt naar de door [gedaagde] bij [H] aangeleverde conceptmemorie van grieven, waarin [gedaagde] zelf betoogt:
“ Deze memorie van grieven vormt het definitieve sluitstuk van een juridisch geschil, dat voor [gedaagde] begon met de dagvaarding van [C] B.V. op 24 oktober 1997. [C] is in 2002 in hoger beroep veroordeeld om "...alle schade te vergoeden...als gevolg van de aan [C] toerekenbare dwaling...". De door [gedaagde] geleden schade is door [J] op basis van de juridische bijdrage van [E] op in totaal € 4.085.000,00 berekend,”
Andere concrete feiten die [gedaagde] ’ positie als consument zouden onderbouwen zijn niet gesteld of gebleken.
Slotconclusie over het tweede verweer
5.3.7.
Slotsom van het voorgaande is dat [gedaagde] bij de opdrachtverlening aan [eiseres] niet kan worden aangemerkt als consument. Daarom wordt niet toegekomen aan beoordeling van [gedaagde] ’ op de uitspraak van het HvJEU van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) gebaseerde standpunt over aan consumenten te verstrekken informatie.
5.4.
Derde verweer: Gezien de aard, omvang en inhoud van de dienstverlening is door [gedaagde] voldoende betaald aan [eiseres] . Het in rekening gebrachte bedrag voldoet niet aan de dubbele redelijkheidstoets
5.4.1.
[gedaagde] betoogt op dit punt dat uit de ingebrachte facturen niet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht voor het in rekening gebrachte honorarium. De facturen zijn zonder deugdelijke grondslag aan [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] houdt het erop dat daarmee ook niet wordt voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets die ten aanzien van de in rekening gebrachte bedragen moet (kunnen) plaatsvinden. Daarom kon [gedaagde] volstaan met betaling van de voorschotnota zonder dat door [eiseres] nog iets meer of anders aan [gedaagde] in rekening kan worden gebracht. De thans gevorderde facturen zijn in strijd met de opdracht en de redelijkheid en billijkheid.
5.4.2.
Als beoordelingskader verwijst de kantonrechter op dit punt naar de relevante bepalingen in Gedragsregel 17:
Honorarium
1. Bij het vaststellen van zijn declaratie behoort de advocaat een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening te brengen. (…)
4. De advocaat richt zijn declaratie aldus in, dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen hoeveel wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting en in hoeverre voorschotten worden verrekend. De advocaat declareert zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag.
5.4.3.
De door [eiseres] en [gedaagde] overgelegde facturen zijn voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie en voldoen aan de voorgaande voorschriften uit Gedragsregel 17 lid 4. [H] heeft vooraf gewezen op de complexiteit en omvang van het dossier en [gedaagde] heeft die ook erkend. De kantonrechter wijst in dit kader mede op [gedaagde] ’ stelling dat [G] de bijstand “te moeilijk”vond en zelfs zonder het vonnis nader te bespreken verdere bijstand weigerde. [12] De kantonrechter verwijst ook naar het in r.o. 3.9.5 geciteerde e-mailbericht van [H] van 14 maart 2022, waarin hij uitdrukkelijk schrift:
Met betrekking tot de kosten, het navolgende. Zoals aangegeven is het een ingewikkelde en vooral uitbreide kwestie.
Daar gaat gewoon veel tijd in zetten. Ik heb je aangegeven dat het genoemde bedrag slechts een voorschot is, en dat je er rekening mee moet houden dat de kosten veel hoger uitpakken. Hoe hoog precies, dat laat zich moeilijk voorspellen. Dat hangt ook af van de inhoud van de stukken die in eerste aanleg zijn ingediend. Die stukken heb ik niet in mijn bezit. Ik zal jouw stuk als leidraad nemen, maar zoals ik al aangaf: ik zal het stuk zelfstandig moeten redigeren. Ook al zou ik de door jouw voorgespiegdelde handelwijze hanteren, dan nog gaat er veel tijd in zitten. Het is nou eenmaal een ingewikkelde kwestie met een lange voorgeschiedenis. Dit blijkt alleen al uit de omvang van het arrest van 5 februari 2019 (29 pagina’s). Ik denk dat je er rekening mee moet houden dat de kosten minimaal EUR 10.000,- zullen bedragen.
[gedaagde] was volledig op de hoogte van omvang en complexiteit van het dossier en had in het verleden in dit dossier ook met meerdere advocatenkantoren op declaratiebasis gewerkt. Hij moet aldus zeer wel in staat geacht worden destijds ook de financiële implicaties van het instellen van hoger beroep enigszins te hebben kunnen inschatten. [H] heeft in maart 2022 een kosteninschatting afgegeven, waar [gedaagde] destijds niet afwijzend op heeft gereageerd.
5.4.4.
Het verschil tussen de oorspronkelijke kosteninschatting (minimaal € 10.000) en het uiteindelijke gefactureerde bedrag (€ 14.166,07) is niet dermate groot is, dat moet worden geoordeeld dat de door [H] gegeven inschatting niet adequaat was. En afgezet tegen de bedragen die [gedaagde] naar eigen zeggen al aan de procedure zou hebben betaald (zie r.o. 5.2.17: € 850.000 respectievelijk € 130.000) lijkt het door [eiseres] gefactureerde bedrag van € 14.166,07 niet onredelijk.
5.4.5.
[gedaagde] heeft op het punt van de door hem bepleite “dubbele redelijkheidstoets” tijdens de mondelinge behandeling weinig concreets betoogd anders dan stellingen die in feite neerkomen op herhaling van Gedragsregel 17 lid 1. Verder heeft hij aangevoerd dat [eiseres] veel meer claimt dan de uiteindelijk toegewezen € 2.000 en dat het ging om een niet ingediend stuk waar “mogelijkerwijs aanvullingen op moesten worden gedaan”. Dat betoog baat hem niet. Het gaat er immers aan voorbij dat de eigen inzet van [gedaagde] in de schadestaatprocedure tegen [E] circa € 4,5 miljoen bedroeg en dat hij zelf de samenwerking met [H] heeft beëindigd, waardoor deze de door hem opgestelde memorie van grieven niet heeft ingediend. Volgens [H] was dit een aangepast concept, dat gereed was om ingediend te worden. Dit is niet gemotiveerd weersproken door [gedaagde] .
5.4.6.
Gelet op de vermelde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, mag van [gedaagde] worden verwacht dat hij zijn stelling dat het in rekening gebrachte bedrag niet redelijk is, in ieder geval enigszins zou hebben onderbouwd door te wijzen op concrete werkzaamheden die, gegeven door [gedaagde] aan te voeren omstandigheden, niet gefactureerd zouden kunnen worden. [gedaagde] heeft op dit punt echt niet aan zijn stelplicht voldaan, waardoor de kantonrechter niet toekomt aan verdere beoordeling van [gedaagde] ’ standpunt.
Slotconclusie over het derde verweer
5.4.7.
Slotsom van het voorgaande is dat bij gebreke van een deugdelijk en gemotiveerd verweer op dit punt, de kantonrechter dat de bij de facturen gevoegde urenspecificaties beschouwt als een voldoende onderbouwing van de verschuldigdheid door [gedaagde] van het in totaal door [eiseres] voor de behandeling van [gedaagde] ’ zaak gefactureerde bedrag en dat dat bedrag, alle vermelde omstandigheden in aanmerking nemend, geen onredelijk bedrag was.
5.5.
Vierde verweer: Er was sprake van een voornemen om een 'fixed fee' af te spreken waarop door [eiseres] ten onrechte niet is teruggekomen. Het moet ervoor gehouden worden dat het in rekening gebrachte eerste voorschot dekking bood ter zake van de gehele advisering, nu geen waarschuwing is uitgegaan dat het betaalde voorschot was 'verbruikt’
5.5.1.
[gedaagde] betoogt op dit punt dat [eiseres] zich verplicht heeft om na facturatie van het aanvankelijke voorschot, een afspraak te maken over een vaste prijs. Het moet er voor worden gehouden dat het in rekening gebrachte eerste voorschot dekking bood ter zake van de gehele advisering. De gevorderde facturen zijn in strijd met de opdracht en de redelijkheid en billijkheid, aldus [gedaagde] .
5.5.2.
[eiseres] heeft een fixed fee afspraak of de gehoudenheid tot het maken van een dergelijke afspraak betwist en verwezen naar de gemaakte tariefafspraak.
5.5.3.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat [eiseres] gehouden was een fixed fee afspraak te maken of daarover het gesprek aan te gaan. In het e-mailbericht van 4 januari 2022 heeft [H] geschreven:
“Wellicht kunnen we vervolgens andere (prijs)afspraken maken over het verdere vervolg. Daarover komen we, na bestudering van de zaak, nog wel te spreken”
Uit het woord “wellicht” blijkt niet van enige verplichting zijdens [eiseres] en “andere (prijs)afspraken” kunnen ook iets anders inhouden dan een fixed fee.
Indien [gedaagde] groot belang had gehecht aan een fixed fee afspraak dan had het op zijn weg gelegen om dat na 4 januari 2022 met [H] te bespreken.
5.5.4.
[gedaagde] heeft op dit punt ook nog aangevoerd dat [eiseres] de toezegging om hem te waarschuwen indien het voorschot zou zijn opgebruikt niet is nagekomen. Op zich is dat door [eiseres] niet betwist, maar het achterwege blijven van een waarschuwing dat het voorschot op was, leidt niet tot aansprakelijkheid van [eiseres] , laat staan tot verval van [gedaagde] ’ betalingsplicht. Tijdens de mondelinge behandeling door kantonrechter bevraagd (i) wat er had moeten gebeuren indien het voorschot op was en (ii) wat [H] dan had moeten doen, heeft [gedaagde] geantwoord: “Dat laat ik aan hem. Maar dan had ik hemel en aarde bewogen om middelen, toegang, te krijgen tot het hof.”Dat bevestigt dat [gedaagde] ’ situatie niet anders zijn geworden indien [H] hem op enig moment wèl had bericht dat het voorschot op was: dan had [gedaagde] extra middelen georganiseerd.
5.5.5.
Wellicht heeft het achterwege blijven van de waarschuwing tijdelijk effect gehad op [gedaagde] ’ liquiditeitspositie maar niet op zijn uiteindelijke financiële verplichtingen jegens [eiseres] . Door het achterwege blijven van deze waarschuwing is [gedaagde] niet in een nadeliger positie komen te verkeren, althans niet zodanig dat geheel of gedeeltelijk verval van zijn betalingsplicht het gevolg zou zijn.
5.5.6.
De termijn ‘voorschot’ duidt in het normaal spraakgebruik niet op een limitering of definitieve betaling maar op een vooruitbetaling van iets, vooruitlopend op nadere betalingen of een eindafrekening. Dat laat zich niet verenigen met [gedaagde] ’ standpunt dat hij met betaling van het voorschot aan zijn verplichtingen jegens [eiseres] zou hebben voldaan.
De kantonrechter verwijst nogmaals naar het in r.o. 3.9.5 geciteerde e-mailbericht van [H] van 14 maart 2022, waarin hij uitdrukkelijk schrift:
“Met betrekking tot de kosten, het navolgende. Zoals aangegeven is het een ingewikkelde en vooral uitbreide kwestie.
Daar gaat gewoon veel tijd in zetten. Ik heb je aangegeven dat het genoemde bedrag slechts een voorschot is, en dat je er rekening mee moet houden dat de kosten veel hoger uitpakken. Hoe hoog precies, dat laat zich moeilijk voorspellen. (…) Ik denk dat je er rekening mee moet houden dat de kosten minimaal EUR 10.000,- zullen bedragen.”
[gedaagde] heeft niet onderbouwd op welke rechtsgrond of welk rechtsfeit hij zou mogen veronderstellen dat het in rekening gebrachte eerste voorschot dekking bood ter zake van de gehele advisering. Dat mocht tegen de achtergrond van het zojuist aangehaalde citaat wel van hem worden verwacht. Aangezien [gedaagde] op dit punt niet aan zijn stel- en motiveringsplicht heeft voldaan, komt de kantonrechter niet aan een verdere beoordeling van dit standpunt toe.
Conclusie
5.6.
De conclusie na de voorgaande thematische beoordeling is dat geen van de onderdelen van [gedaagde] ’ verweer in conventie slaagt en dat de onderbouwing van zijn vordering in reconventie faalt. Dat leidt ertoe dat [gedaagde] de openstaande facturen van [eiseres] , waarvan in conventie betaling wordt gevorderd, moet betalen en dat hij de door hem betaalde facturen niet onverschuldigd heeft betaald.
Buitengerechtelijke kosten
5.7.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] conform artikel 6:96 BWPro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Nu [gedaagde] geen consument is en [eiseres] [gedaagde] een of meer aanmaningen heeft gestuurd, zal het gevorderde bedrag van € 707,71 worden toegewezen.
5.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] in conventie worden toegewezen en de vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen.
in conventie
5.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.469,54
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
339,00
(1 punt × € 339,00)
Totaal
€
339,00
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6.De beslissing
De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.654,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro vanaf de respectieve vervaldata van de drie facturen, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 707,71 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.469,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 339,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.7 en 6.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
Voetnoten
1.Het in r.o. 3.9.4 genoemde e-mailbericht van [gedaagde] aan [H] van 11 maart 2022.
2.Zie onder meer HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR 2003:AF1304 en HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406.
3.Kantnummer 5 conclusie van antwoord.
4.Kantnummer 33 conclusie van antwoord.
5.Zie onder andere Afdeling bestuursrechtspraak 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1723, Afdeling bestuursrechtspraak 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4251 en Afdeling bestuursrechtspraak 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:1068.
6.Afdeling bestuursrechtspraak 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:1068.
8.Rechtbank Den Haag 30 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA: 2019:780, en Conclusie PG 4 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1121, met de in die conclusie vermelde literatuur.