ECLI:NL:RBOBR:2026:2389
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Eindhoven
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 16 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Eindhoven. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van € 81,20, waarvan € 78,80 aan naheffingskosten, omdat hij meende dat de kosten niet correct waren berekend en onvoldoende inzichtelijk waren gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat het voertuig van eiser op 4 oktober 2025 zonder geldig parkeerbewijs geparkeerd stond op een betaalde parkeerplaats, hetgeen niet werd betwist. De naheffingsaanslag was daarom in beginsel terecht opgelegd. De kern van het geschil betrof de juistheid en transparantie van de kostenonderbouwing van de naheffingskosten.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met de bijgevoegde kostenonderbouwing voldoende inzicht had verschaft in de specifieke kosten die de gemeente rekent. De verschillen in kostenramingen tussen de Verordening en de onderbouwing werden verklaard door verschillende berekeningsmethoden en afrondingen, wat de rechtbank aannemelijk vond. Ook het verschil in kostenopbouw tussen 2024 en 2025 werd door de heffingsambtenaar adequaat toegelicht.
De rechtbank vond geen aanleiding om aan de juistheid van de kostenonderbouwing te twijfelen en concludeerde dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat hij geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.