Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2389

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
26/71
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingArt. 234 GemeentewetArt. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Eindhoven

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 16 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Eindhoven. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van € 81,20, waarvan € 78,80 aan naheffingskosten, omdat hij meende dat de kosten niet correct waren berekend en onvoldoende inzichtelijk waren gemaakt.

De rechtbank stelde vast dat het voertuig van eiser op 4 oktober 2025 zonder geldig parkeerbewijs geparkeerd stond op een betaalde parkeerplaats, hetgeen niet werd betwist. De naheffingsaanslag was daarom in beginsel terecht opgelegd. De kern van het geschil betrof de juistheid en transparantie van de kostenonderbouwing van de naheffingskosten.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met de bijgevoegde kostenonderbouwing voldoende inzicht had verschaft in de specifieke kosten die de gemeente rekent. De verschillen in kostenramingen tussen de Verordening en de onderbouwing werden verklaard door verschillende berekeningsmethoden en afrondingen, wat de rechtbank aannemelijk vond. Ook het verschil in kostenopbouw tussen 2024 en 2025 werd door de heffingsambtenaar adequaat toegelicht.

De rechtbank vond geen aanleiding om aan de juistheid van de kostenonderbouwing te twijfelen en concludeerde dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat hij geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/71

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aan eiser terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 10 oktober 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 81,20 opgelegd (de naheffingsaanslag), bestaande uit € 2,40 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 20 december 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op de conclusie van repliek gereageerd met een conclusie van dupliek.
1.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Feiten

2. Op 4 oktober 2025 stond het voertuig van eiser (met het kenteken [kenteken]) geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] in [plaats]. Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling geparkeerd mag worden. [2] De parkeercontroleur heeft op 4 oktober 2025 omstreeks 19:04 uur geconstateerd dat de auto van eiser geparkeerd stond zonder een geldig parkeerbewijs. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Niet in geschil is dat de auto op 4 oktober 2025 geparkeerd stond aan de [adres] in [plaats], waar volgens de Verordening en het Aanwijsbesluit parkeerbelasting moet worden betaald. Eiser heeft geen parkeerbelasting betaald. Eiser heeft dat niet betwist. Dat betekent dat de naheffingsaanslag (in beginsel) terecht is opgelegd.
5. Eiser betwist dat de kosten van de naheffingsaanslag in overeenstemming met artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (het Besluit) zijn berekend. Artikel 2, lid 1, van het Besluit regelt uit welke kostencomponenten de bij een naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten ten hoogste kunnen bestaan. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht in de kosten heeft verschaft waardoor het voor eiser niet controleerbaar is of er kosten in rekening zijn gebracht die buiten het bereik van artikel 2, eerste lid, van het Besluit vallen. Verder voert eiser in zijn conclusie van repliek aan dat de kostenonderbouwing die is bijgevoegd bij de bestreden uitspraak afwijkt van de kostenonderbouwing zoals die in de Verordening staat. De personeelskosten en de overheadkosten worden in de twee documenten verschillend geraamd. Daarnaast wijkt de onderbouwing van de kosten van de naheffingsaanslagen ten aanzien van 2025 op ongeloofwaardige wijze af van de kostenopbouw van 2024, dat eiser stelt dat de kostenopbouw ondeugdelijk is.
6. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting worden kosten in rekening gebracht. [3] Die kosten zijn onderdeel van de naheffingsaanslag. Het bedrag ervan dient in de gemeentelijke belastingverordening te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. [4] Als eiser stelt dat de raming van deze kosten niet juist is, moet de heffingsambtenaar de raming inzichtelijk maken. Dat kan op basis van de begroting, maar ook op basis van andere gegevens. Daarna is het aan eiser om in twijfel te trekken dat de door de heffingsambtenaar verstrekte gegevens onjuist zijn. Deze twijfel moet eiser wel motiveren. Als eiser een of meer posten gemotiveerd betwist, is het vervolgens aan de heffingsambtenaar om nadere gegevens te verstrekken om de twijfel, zoveel als hij kan, weg te nemen. [5]
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de kostenonderbouwing bij de bestreden uitspraak voldoende inzicht heeft verschaft aan eiser over de specifieke kosten die de gemeente rekent onder de kosten van de naheffingsaanslag. Als bijlage bij de bestreden uitspraak is een onderbouwing van de kosten meegestuurd, bestaande uit een overzicht van directe personeelskosten en overheadkosten en een overzicht van de overige kosten.
8. In de conclusie van dupliek reageert de heffingsambtenaar op de meer specifieke beroepsgronden van eiser. De heffingsambtenaar licht toe hoe het verschil in personeels- en overheadkosten is ontstaan tussen de Verordening en de aan eiser toegestuurde kostenonderbouwing. De kostenonderbouwing bij de bestreden uitspraak is berekend in Excel en is daarmee het meest nauwkeurig. Voor de weergave van de kostendekkendheid van de diverse heffingen in de begroting wordt een ander systeem gebruikt. Daar kan niet exact de berekening van Excel in worden weergegeven, waardoor dit leidt tot een klein afrondingsverschil. Omdat dit verschil zich voordoet bij de personeelskosten werkt dit automatisch door naar de overheadkosten omdat deze maximaal 50% mogen bedragen. De rechtbank kan deze toelichting volgen en ziet geen aanleiding te twijfelen aan dit betoog. De heffingsambtenaar wijst er verder terecht op dat het geringe verschil niet af doet aan de kostendekkendheid omdat de totale kosten van de naheffingsaanslag in ieder geval hoger zijn dan de opbrengsten.
9. De heffingsambtenaar heeft in zijn conclusie van dupliek ook gereageerd op het standpunt van eiser met betrekking tot het grote verschil in kostenonderbouwing tussen het jaar 2024 en 2025. Volgens de heffingsambtenaar is het verschil tussen de twee jaren niet relevant omdat voor elk jaar een nieuwe op dat jaar toegespitste kostenonderbouwing wordt gemaakt. Toch licht de heffingsambtenaar toe waar dit verschil vandaan komt. In voorgaande jaren werden diverse kosten niet voor 100% doorgerekend, maar voor slechts een gedeelte. De heffingsambtenaar heeft de kostenonderbouwing van het jaar 2024 overgelegd. Voor 2025 is gekozen deze kosten toch 100% door te rekenen omdat die kosten meer dan slechts zijdelings verband houden met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding deze verklaring en toelichting in twijfel te trekken. Voor zover eiser met zijn standpunt twijfel had gewekt over kosten die worden toegeschreven aan het naheffen van parkeerbelastingen, is die twijfel door de heffingsambtenaar weggenomen.
10. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bedrag van de kosten van de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het gevolg hiervan is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Wintjes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Eindhoven (de Verordening) en Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren april 2025 van de gemeente Eindhoven (het Aanwijsbesluit).
3.Artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet.
4.Artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet en het daarop gebaseerde Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
5.Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, overweging 3.2.3.,en Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, overweging 3.3.5.