Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2326

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
11927153_T07042026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668 lid 1 BWArt. 7:668 lid 3 BWArt. 3:37 lid 3 BWArt. 7:673 BWArt. 7:628 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter wijst transitievergoeding toe en behandelt urenvergoeding in arbeidsgeschil

In deze arbeidszaak vordert de werknemer van zijn voormalig werkgever Infraway meerdere financiële vergoedingen, waaronder de aanzegvergoeding, transitievergoeding, en betaling van onterecht verrekende minuren en overuren. De werkgever stelt dat de werknemer onterecht uren heeft opgegeven en reistijd als arbeidstijd wil laten vergoeden.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever de transitievergoeding moet betalen, maar geen aanzegvergoeding verschuldigd is omdat de werknemer tijdig via WhatsApp is geïnformeerd over het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. De minuren worden niet toegekend omdat de werknemer hiermee akkoord is gegaan na een gesprek.

De werknemer krijgt de mogelijkheid om bewijs te leveren voor de betaling van overuren. De kantonrechter legt uit dat reistijd niet automatisch arbeidstijd is en dat de cao een regeling bevat waarbij maximaal een half uur reistijd per enkele reis kan worden afgetrokken. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering over de overuren.

Uitkomst: Transitievergoeding wordt toegekend, aanzegvergoeding en minuren afgewezen, en werknemer krijgt gelegenheid bewijs over overuren te leveren.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11927153 EJ VERZ 25-485
Beschikking van 7 april 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: R.A. van de Voorde, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
INFRAWAY B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend in Langenboom,
verwerende partij,
hierna te noemen: Infraway,
vertegenwoordigd door: [A] (bestuurder).

1.Deze arbeidszaak in het kort

In deze zaak verzoekt [verzoeker] toekenning van meerdere financiële vergoedingen van zijn voormalig werkgever Infraway. Het gaat in de kern om: 1) de aanzegvergoeding, 2) de transitievergoeding, en 3) de betaling van onterecht verrekende minuren en betaling van overuren. Het zwaartepunt van de discussie tussen partijen gaat over de uren. Volgens Infraway heeft zij aan [verzoeker] te veel loon betaald, heeft [verzoeker] uren als gewerkt opgegeven die hij feitelijk niet heeft gewerkt, en wil hij via deze procedure onterecht reistijd als arbeidstijd vergoed krijgen. De kantonrechter is van oordeel dat Infraway de transitievergoeding aan [verzoeker] moet betalen, maar geen aanzegvergoeding en ook geen minuren. Verder krijgt [verzoeker] kort gezegd de mogelijkheid om bewijs te leveren dat er nog overuren nabetaald dienen te worden. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd aan de hand van het wettelijk kader en de relevante standpunten van partijen, maar eerst wordt het verloop van de procedure en de feiten weergegeven.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het dossier van de kantonrechter bevat deze processtukken:
- het verzoekschrift van [verzoeker] met bijlagen 1 tot en met 6, ontvangen op 17 oktober 2025,
- de akte vermeerdering van eis en aanvullende bijlagen van [verzoeker] met bijlagen 7 tot en met 18, ontvangen op 13 februari 2026,
- de brief van [verzoeker] over de eerder ingediende bijlagen 14 en 15, ontvangen op 5 maart 2026,
- het verweerschrift van Infraway met bijlagen 1 tot en met 3, ontvangen op 5 maart 2026,
- de spreekaantekeningen van [A] ,
- de (nagezonden) spreekaantekeningen van R.A. van de Voorde.
2.2.
Op 6 maart 2026 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de aanwezigen besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan het eind van de mondelinge behandeling is bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan, waarvan de uitspraak nader is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
Infraway exploiteert een onderneming die zich richt op het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels. Verder houdt zij zich bezig met andere gespecialiseerde bouwactiviteiten.
3.2.
[verzoeker] is op 21 augustus 2023 bij Infraway in dienst getreden in de functie van grondwerker. Dit betrof een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en wel tot en met 20 augustus 2024. Aansluitend is wederom een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, en wel van 21 augustus 2024 tot en met 20 augustus 2025. Ongeveer 1,5 week voor het eindigen van deze tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, heeft Infraway mondeling aan [verzoeker] laten weten dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt en niet zal worden verlengd. Partijen verschillen van mening of het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst correct schriftelijk is aangezegd.
3.3.
De arbeidsomvang bedroeg 38 uur per week. Het laatstverdiende loon van [verzoeker] bedraagt € 4.182,75 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
3.4.
In artikel 5 van Pro de arbeidsovereenkomst staat:
“(…) Werknemer is gehouden de werkzaamheden behorende bij zijn functie te verrichten. Daarnaast verplicht werknemer zich in voorkomende gevallen alle door of namens werkgever in redelijkheid op te dragen werkzaamheden te verrichten. Tevens verplicht zij zich werkzaamheden te verrichten op een andere plaats dan waar gewoonlijk de arbeid wordt verricht en/of op een andere tijd dan gewoonlijk en/of (een/en) andere dag(en), tenzij zulke bijzondere omstandigheden niet van een werknemer kan worden verlangd.”
3.5.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek van toepassing (hierna: de cao). In artikel 44 van Pro de cao staat:
Artikel 44. Betaling van reisuren
1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing indien de onderhavige vergoedingen zijn inbegrepen in het salaris. Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werkgever die dient te worden verstrekt vóórdat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen.
2. Indien de werknemer voor het verrichten van karweiwerkzaamheden moet reizen, zal de werkgever hem de reistijd als volgt vergoeden:
a. Bij gebruikmaking van openbare middelen van vervoer: de noodzakelijke reistijd berekend volgens de dienstregeling van het openbaar vervoer.
b. Bij gebruikmaking van een eigen of van een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel: de reistijd berekend in redelijke verhouding tot de reistijd volgens het openbaar vervoer over een vergelijkbare afstand.
3. De in lid 2 sub a en b genoemde reistijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan.
4. De reistijdenvergoeding wordt als volgt berekend:
a. Uren buiten het dienstrooster: 0,607% van het maandsalaris (0,658% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur.
b. Uren op zondag en uren binnen en/of buiten het dienstrooster op een in artikel 19 lid 1 genoemde Pro feestdag: 1,12% van het maandsalaris (1,21% van het salaris per vierwekenperiode) per volledig uur. Aantekening: Bij gedeelten van uren geldt de regeling pro rato.
5. Voor de werknemer, voor wie krachtens gemaakte afspraken een werkweek geldt van minder dan gemiddeld 38 uren per week, berekend over een periode van maximaal één jaar, dient het salaris te worden herberekend naar een periodesalaris (maandsalaris, dan wel salaris over 4 weken) dat van toepassing zou zijn bij een gemiddeld 38-urige werkweek, alvorens de vergoeding wordt berekend. (…)
6. Indien bij het verrichten van karweiwerkzaamheden de werktijd inclusief de overeengekomen pauzes en de reistijd (alleen het deel van de reistijd dat de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan) meer is dan 10,5 uur op een dag, heeft de werknemer recht om de tijd meer dan 10,5 uur in vrije tijd te compenseren. (…)”
3.6.
Werknemers dienen bij Infraway weekstaten in te vullen met betrekking tot de door hen gewerkte uren. Dit gebeurt via een app. Daarnaast bevinden zich in de werkauto’s van het personeel van Infraway GPS-trackers (Fleetassist) ter beveiliging en voor het wagenparkbeheer.
3.7.
Op 9 juli 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Naar aanleiding van dit gesprek, heeft Infraway (via Whatsapp) een gespreksverslag aan [verzoeker] gestuurd. Daarin staat onder andere:
“(…) Vandaag hadden jij, ik en [B] een gesprek op kantoor in Langeboom. Dit omdat ik vorige week van [B] begreep dat er geconstateerd was dat jij niet op het werk was, terwijl je volgens de door jou gegeven uren wel had moeten zijn. (…)
Vandaag heb ik gevraagd naar de uren van vorige week en hoe dit zit. Je hebt aangegeven dat je vorige week in verband met de hitte twee dagen eerder bent gegaan, daarbij speelde ook mee dat je last kreeg van je hart.
Ik heb hierop aangegeven dat wij hier altijd van op de hoogte moeten zijn en dat was nu niet het geval. Je mag bij ziekte of (extreme) hitte best overleggen met de uitvoerder over andere werktijden, maar het is niet de bedoeling om zonder overleg later te beginnen en eerder te gaan.
Ik heb je gevraagd naar de werktijden en je gaf aan dat je wist dat je om 07.30 uur op het werk wordt verwacht en dat je tot 16.15 daar blijft (tenzij anders besproken). Op mijn vraag of dit (buiten afgelopen week) ook altijd lukt, gaf je aan dat dit zeker het geval was. Vorige week zou een uitzondering zijn, maar anders hield je je aan deze tijden.
Daarop heb ik je voorgehouden dat ik de GPS van je auto heb bekeken en dat ik kon zien dat dit niet het geval was. In de vier gecontroleerde werken ben je van de 19 dagen (9 juni ofwel 2e pinksterdag, was geen werkdag) slechts vijf keer op tijd op het werk verschenen.
Je hebt niet één dag de acht uren gemaakt en vertrekt soms als terwijl je nog minder dan de helft van je uren hebt gemaakt. Over de gecontroleerde 19 dagen heb je 32 uur en 39 minuten minder gewerkt dan je hebt doorgegeven.
Hoewel je eerder in het gesprek zei dat je altijd je uren maakte, gaf je toe dat dit inderdaad het geval was. Echter dit zou samenvallen met het vertrek van andere collega’s of dat je geen werk zou hebben. We spraken af dat dit niet meer mag voor komen en daar was jij het ook mee eens. (…) Als je collega’s er nog niet zijn, eerder dan jou gaan of je kan niet voorruit dan bel je jouw uitvoerder van dat moment en overleg je wat te doen.
Ook spraken we af dat we de onjuiste uren van deze vier weken 32 uur en 39 minuten, deze maand als minuren afboeken. De periode voor deze vier weken controleer ik voor nu en ik ga er vanuit dat het vanaf nu niet meer voorkomt (als dat zo is dan laten we het er ook bij).
Voor de goede orde: inhoudelijk doe jij je werk goed en maak jij je werk (dat wil ik ook gezegd hebben). (…)”
3.8.
Diezelfde dag heeft [verzoeker] via WhatsApp daarop als volgt gereageerd:
“Vind ik wel jammer dat de uren worden ingehouden maar begrijp wat je bedoelt
Geen probleem, graag de 32 uren in twee maanden verdelen 16 uur deze maand en 16 uur de volgende maand, wat betreft het contract graag een afspraak maken voor 19 augustus om te kijken of we nog iets voor elkaar kunnen betekenen… (…)”
3.9.
In de door [verzoeker] overgelegde loonstroken van juli 2025 en augustus 2025 is terug te lezen dat er minuren van het loon zijn afgetrokken, te weten 16,67 minuren voor juli en 23 minuren voor augustus. [1] Later heeft Infraway een correctie aangebracht in de loonstrook van augustus 2025. Daarop staat dat er 159,5 minuren zijn. [2]

4.De beoordeling

Vooraf
4.1.
De kantonrechter beslist dat het verweerschrift van Infraway wordt betrokken in de oordeelsvorming. Weliswaar is het verweerschrift pas de dag voor de mondelinge behandeling ontvangen, en dus aan de (te) late kant, maar niet gebleken is dat [verzoeker] hierdoor in zijn belangen om zich deugdelijk te verweren is geschaad. Hij heeft immers het verweerschrift voorafgaand aan de mondelinge behandeling gelezen en daarop ook kenbaar gereageerd in zijn spreekaantekeningen.
Aanzegvergoeding
4.2.
Op de eerste plaats verzoekt [verzoeker] om toekenning van de aanzegvergoeding, omdat Infraway niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om hem schriftelijk uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [3] Daarom moet Infraway één maandsalaris aan hem betalen, dus € 4.182,75 bruto.
4.3.
Infraway ziet dat anders. Zij heeft namelijk op 9 juli 2025 via WhatsApp (dus schriftelijk) aan [verzoeker] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. [4] Dit WhatsAppbericht is door [verzoeker] ontvangen, gelezen en hij heeft hierop dezelfde dag nog via WhatsApp gereageerd. [5] Hieruit volgt dat Infraway [verzoeker] op tijd en correct heeft geïnformeerd over het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst, zodat zij geen aanzegvergoeding hoeft te voldoen.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt.
4.5.
Over de aanzegvergoeding staat, voor zover hier van belang, het volgende in de wet. De werkgever informeert de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [6] Dit is dus verplicht. Indien de werkgever de hiervoor genoemde verplichting helemaal niet is nagekomen, is de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon van één maand. Indien de werkgever die verplichting niet op tijd is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd. De vergoeding is verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de verplichting is ontstaan. [7]
4.6.
Verder is in dit kader de zogeheten ontvangsttheorie relevant. [8] Deze theorie houdt, kort gezegd, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. [9] Een verklaring die de geadresseerde niet of niet tijdig bereikt, verkrijgt in beginsel geen werking. Maar deze regel lijdt uitzondering als dit niet of niet tijdig bereiken voor risico van de ontvanger komt: de verklaring verkrijgt dan toch haar werking, in principe op het moment dat zij zonder de storende omstandigheid zou zijn ontvangen. De wet brengt drie storingsoorzaken voor risico van de geadresseerde: 1) eigen handeling, 2) handeling van personen in zijn sfeer, en 3) persoonlijk betreffende omstandigheden.
4.7.
De bewijslast rust op degene die zich op de werking van de verklaring beroept. Wanneer de verklaring bij WhatsAppbericht is verzonden, zal, indien de geadresseerde betwist het bericht te hebben ontvangen, de afzender moeten bewijzen dat hij de het bericht naar het juiste adres heeft verzonden, en bovendien aannemelijk moeten maken dat het bericht aan de geadresseerde is afgeleverd. Indien correcte verzending en aflevering aannemelijk is gemaakt, is daarmee in beginsel komen vast te staan dat het bericht de geadresseerde heeft bereikt.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Infraway het desbetreffende WhatsAppbericht en de reactie daarop van [verzoeker] getoond. Het vervolgens door [verzoeker] gehouden betoog over “de vinkjes” en de betekenis die daaraan zou moeten worden gegeven, overtuigt niet, zeker niet tegenover het gemotiveerde verweer van Infraway.
4.9.
Bij het desbetreffende WhatsApp bericht zijn twee grijze “vinkjes” te zien. Een enkel grijs vinkje laat zien dat een bericht succesvol is verstuurd, maar dat de telefoon (of een ander apparaat) van de ontvanger het nog niet binnen heeft gekregen. Twee grijze vinkjes, zoals in casu, laten zien dat ook het afleveren van het bericht is gelukt. Het tekstbericht, de foto of video staat dus op de telefoon van de ontvanger, maar diegene heeft het appje nog niet geopend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Infraway nader toegelicht en aan de hand van haar telefoon laten zien dat zij de functie leesbewijzen heeft uitgezet. Wie hiervoor kiest, schakelt de blauwe vinkjes uit. Dit heeft echter tot gevolg dat je zelf ook niet meer kunt zien of je berichten al zijn gelezen.
4.10.
Het is niet vereist dat de geadresseerde daadwerkelijk kennis heeft genomen van de verklaring of mededeling. Infraway heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het desbetreffende WhatsAppbericht aan [verzoeker] is verzonden en dat het bericht ook aan hem is afgeleverd.
4.11.
Bovendien heeft Infraway onweersproken gesteld dat [verzoeker] diezelfde dag (9 juli 2025) nog via WhatsApp heeft gereageerd. Infraway heeft deze reactie tijdens de mondelinge behandeling aan de aanwezigen getoond. Ook hieruit wordt afgeleid dat [verzoeker] het bericht heeft ontvangen (en gelezen).
4.12.
Infraway heeft [verzoeker] dus op tijd en correct geïnformeerd over het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst. Zij is geen aanzegvergoeding verschuldigd. Dit onderdeel van het verzoek wordt afgewezen.
Transitievergoeding
4.13.
Op de tweede plaats verzoekt [verzoeker] om toekenning van de transitievergoeding, aangezien de arbeidsovereenkomst op initiatief van Infraway niet aansluitend is voortgezet. [10] Het gaat om een bedrag van € 3.011,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente. [11]
4.14.
Infraway stelt daartegenover dat zij bij het einde van de arbeidsovereenkomst de transitievergoeding niet heeft betaald, omdat [verzoeker] een aanzienlijk aantal minuren heeft, in elk geval overtreft de waarde daarvan ruimschoots het bedrag van de transitievergoeding. Daarom heeft zij de transitievergoeding niet heeft uitgekeerd. Infraway heeft er destijds (dus bij het einde van de arbeidsovereenkomst) voor gekozen om de kwestie pragmatisch af te handelen door het verschil in uren als het ware te verrekenen met de transitievergoeding en het daarbij te laten. Het exacte saldo aan minuren heeft zij toen niet berekend, omdat zij dit niet noodzakelijk achtte en Infraway wist dat het verschil ruimschoots groter was dan de transitievergoeding. Met minuren bedoelt Infraway dat [verzoeker] die uren feitelijk niet aanwezig was op de werklocatie en dus ook niet aan het werk was, terwijl hij dat wel had moeten zijn. Infraway is voornemens in dit kader, voor zover nodig, in rechte een vordering aanhangig te maken. Later (bij het verweerschrift in deze procedure) heeft Infraway alsnog het exacte saldo berekend (door de weekstaten te vergelijken met de feitelijke aanwezigheid op de werklocaties). Dat komt neer op 159,5 minuren. Dat [verzoeker] te weinig uren heeft gewerkt, blijkt volgens Infraway uit het feit dat hij bijvoorbeeld te laat begon met werken en dat hij regelmatig eerder naar huis is gegaan. Zij baseert dit op de door [verzoeker] ingevulde weekstaten (die eerst intern worden gecontroleerd door de uitvoerder en daarna extern worden verwerkt door een bedrijf voor de loonadministratie), de gegevens afkomstig uit Fleetassist (bedrijfsauto), en het gesprek tussen partijen op 9 juli 2025. [12] Verder voert Infraway aan dat er altijd voldoende werk voor [verzoeker] voorhanden was, ook als derden niet meer aanwezig waren op de werklocatie. Uit niets blijkt dat Infraway het goed zou hebben gevonden dat [verzoeker] eerder naar huis ging of minder uren werkte. Uit de door Infraway overgelegde eindrekening blijkt dat zij die minuren met het loon van augustus 2025 en het vakantiegeld heeft verrekend. [13] Na de hiervoor genoemde verrekening (van Infraway in de eindafrekening) resteert een negatief bedrag en dit bedrag is daarna verrekend met de transitievergoeding, zodat Infraway niets meer aan [verzoeker] hoeft te betalen.
4.15.
In reactie daarop heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat Infraway ten onrechte minuren heeft verrekend met het loon over juli en augustus 2025. [14] Daarnaast heeft [verzoeker] aangevoerd dat de transitievergoeding op zichzelf staat en op basis van de wet volledig dient te worden uitgekeerd. Een betwiste en niet vaststaande mogelijke (tegen)vordering kan nooit tot verrekening (met in dit geval de transitievergoeding) leiden. Verder heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij meermaals te vroeg is gestopt met werken en de werklocatie eerder heeft verlaten. Ook heeft hij toegegeven dat dit al een keer aan de orde is geweest tijdens een gesprek met Infraway. [verzoeker] heeft benadrukt dat hij als grondwerker afhankelijk is van de inzet van derden, zoals machinisten of ZZP’ers. Wanneer deze derden de werklocatie vroegtijdig verlaten, kan [verzoeker] zijn werkzaamheden niet voortzetten. Volgens [verzoeker] was Infraway van deze gang van zaken op de hoogte en heeft zij hiertegen nooit bezwaar gemaakt. In zo’n situatie komt de oorzaak van de minder gewerkte uren volledig voor rekening van Infraway en geldt het beginsel van “geen arbeid, wel loon”, aldus [verzoeker] . [15] Daarom is verrekening niet mogelijk en dat heeft Infraway ten onrechte wel gedaan. Daarbij komt dat alle collega’s op dezelfde manier handelden. [verzoeker] blijft zich dan ook op standpunt stellen dat er sprake is van onterecht verrekende minuren en dat er zelfs overuren zijn, en dat deze uren nog uitbetaald dienen te worden (waarover hierna meer).
4.16.
De kantonrechter overweegt als volgt.
4.17.
Bij het einde van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] in beginsel recht op uitbetaling van een transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet is voortgezet op initiatief van Infraway. [16] Dat is door Infraway ook niet betwist. Infraway beroept zich echter op verrekening met minuren. Zij verweert zich door aan te voeren dat sprake is van 159,5 minuren, en dus dat [verzoeker] feitelijk niet aan het werk was terwijl hij dat wel had moeten zijn. In de visie van Infraway heeft [verzoeker] uren opgegeven en uitbetaald gekregen, terwijl achteraf is gebleken dat dit onterecht is. Hoewel, gelet op de erkenning door [verzoeker] dat hij te weinig uren heeft gewerkt, het zeker niet valt uit te sluiten dat sprake is van minuren, kan de kantonrechter bij gebreke van concrete nadere informatie daarover, (nog) niet vaststellen dat dit daadwerkelijk het geval is en dat sprake is van 159,5 minuren. Infraway heeft onvoldoende (gestructureerd en onderbouwd) toegelicht hoe zij tot voornoemd aantal minuren is gekomen. Dit is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Hoe en wanneer het gestelde saldo aan te weinig gewerkte uren precies is ontstaan kan niet eenduidig worden vastgesteld. Dat (al) deze uren zijn aan te merken als minuren, is evenmin duidelijk geworden.
4.18.
Dit betekent dat de gegrondheid van het verweer van Infraway om te komen tot verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het beroep op verrekening wordt dan ook afgewezen. [17]
4.19.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat Infraway de transitievergoeding van € 3.011,58 bruto alsnog aan [verzoeker] dient te voldoen. Zij moet dit bedrag binnen twee weken na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] betalen. Verder is de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus 20 september 2025. [18] Daarnaast dient Infraway een passende bruto-netto specificatie te verstrekken binnen de verzochte termijn van twee weken. Dit alles zal bij een te zijner tijd te wijzen eindbeschikking worden toegewezen. De daar door [verzoeker] aan verbonden dwangsom wordt afgewezen, omdat uit niets blijkt dat Infraway zijn verplichtingen niet zal nakomen.
Minuren en overuren
4.20.
Op de derde plaats verzoekt [verzoeker] nabetaling van uren, te weten het loon over de ten onrechte door Infraway verrekende minuren (32,67 uur x € 25,40 bruto per uur x 8% vakantietoeslag = € 896,20 bruto) en betaling van door hem gewerkte overuren (13 uur x € 25,40 = € 330,20 bruto). Dit te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, en met verstrekking van passende bruto-netto specificaties. [19] Hierna wordt eerst ingegaan op de kwestie over de minuren en daarna op de overuren.
4.21.
Met betrekking tot de minuren overweegt de kantonrechter dat uit de processtukken gebleken is dat [verzoeker] , na het gevoerde gesprek op 9 juli 2025, uitdrukkelijk akkoord is gegaan dat er 32,67 minuren worden verrekend met het loon in juli en augustus 2025. Niet kan worden ingezien dat hij op dit moment nog reden heeft om daarop terug te komen, althans daarvoor heeft hij onvoldoende aangevoerd. Er is dus geen grond voor uitbetaling van de desbetreffende minuren.
4.22.
Dan de discussie over de overuren. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoeker] over dit onderwerp zo dat hij ervan uitgaat dat reistijd arbeidstijd is. Meer specifiek voert [verzoeker] aan dat hij bij zijn berekening ervan uitgaat dat zijn reistijd aan het begin en einde van de dag van zijn woonplaats ( [woonplaats] ) naar de werklocatie als arbeidstijd moet worden aangemerkt, omdat hij geen vaste of gebruikelijke werkplek heeft. [20] Hij wordt door Infraway steeds ingezet op een ander project, op wisselende locaties. [21] Daarmee is de reistijd een noodzakelijk onderdeel van de functie. Dat betekent in de visie van [verzoeker] of dat die tijd als arbeidstijd moet worden aangemerkt, of dat deze via de reisurenvergoeding van artikel 44 cao Pro vergoed moet worden. In dit verband beroept [verzoeker] zich ook op het zogeheten Tyco-arrest en het Skills-arrest van het Europees Hof van Justitie. [22]
4.23.
Infraway voert hiertegen verweer. Om te beginnen miskent [verzoeker] de systematiek van de toepasselijke cao. Artikel 44 van Pro de cao bevat een specifieke regeling voor reisuren. Ingevolge deze regeling vormt de normale woon-werkreistijd geen arbeidstijd en kan extra reistijd slechts onder bepaalde omstandigheden voor een vergoeding in aanmerking komen. Infraway benadrukt dat het in de situatie van [verzoeker] om normale reis-werktijd gaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Infraway uitgelegd dat in haar branche onder “normaal” moet worden verstaan “een half uur reistijd vanaf de bedrijfslocatie bezien (enkele reis).” Extra reistijd is dus meer dan een half uur per dag vanaf de bedrijfslocatie gerekend (en dat meerdere aan reistijd kan de werknemer invoeren via een app, waarover hierna meer). Infraway gaat in praktijk uit van 2x een half uur woon-werkverkeer per dag en deze tijd wordt in mindering gebracht op het totaal aantal gewerkte uren per dag. De rest is arbeidstijd (die dus ook wordt betaald). De bedrijfslocatie van Infraway ligt in Langeboom. Aangezien haar werkgebied vooral lokaal en regionaal ligt, gaat Infraway ervanuit dat een reistijd van meer dan 2x een half uur per dag niet of nauwelijks voorkomt. [verzoeker] heeft ook nooit reistijd in de daarvoor bestemde app ingevoerd. Hij heeft slechts zijn gewerkte uren genoteerd in de app (het invoeren van werktijden en reistijden kan in hetzelfde scherm van de app). Dat deze mogelijkheid er is (reistijd invoeren), heeft Infraway tijdens de introductie bij de start van de arbeidsovereenkomst bij Infraway mondeling aan hem uitgelegd. Als [verzoeker] van mening was dat sprake was van reistijd in de zin van de cao, dan had het op zijn weg gelegen om deze conform de registratieprocedure (dus via de app) op te geven. Dat is echter niet gebeurd. [verzoeker] heeft simpelweg feitelijk te weinig uren gemaakt, waarvoor hij wel van Infraway betaald heeft gekregen, en hij wil via deze procedure onterecht reistijd als arbeidstijd vergoed krijgen. In deze procedure stelt hij zich voor het eerst op standpunt dat reistijd arbeidstijd is. Ook voert Infraway aan dat werknemers, en dus ook [verzoeker] , vaak gedurende weken of zelfs maanden op dezelfde projectlocatie werken. De betreffende projectlocatie fungeert in die periode als vaste werkplek. Tevens verweert Infraway zich door aan te voeren dat [verzoeker] onterecht een beroep doet op het Tyco-arrest. Dat arrest ziet op de uitleg van arbeidstijd binnen de Arbeidstijdenrichtlijn en niet op loonvorderingen. [23] De conclusie van Infraway is dat gelet op dit alles dat zij niets meer aan [verzoeker] hoeft te voldoen.
4.24.
De kantonrechter overweegt als volgt.
4.25.
In de door [verzoeker] aangehaalde jurisprudentie en regelgeving is uitleg gegeven over het begrip reistijd in de zin van Europese regelgeving. Daarin zijn echter geen beslissingen gegeven over een met de reistijd gepaard gaande loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Daarvoor moet worden gekeken naar het nationale recht. In de Nederlandse wet is geen verplichting tot vergoeding van reistijd opgenomen, ook niet als die reistijd als arbeidstijd in de zin van artikel 1.7 onder k van de Arbeidstijdenwet heeft te gelden, op de enkele grond dat de reis plaatsvindt onder gezag van de werkgever omdat hij degene is die de wijze van vervoer bepaalt. [24] Uit een en ander volgt dat [verzoeker] aan bedoelde rechtspraak geen recht tot vergoeding van de reistijd kan ontlenen.
4.26.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of die aanspraak voortvloeit uit artikel 44 cao Pro, zoals [verzoeker] aanvoert maar Infraway betwist. Het komt daarbij aan op de uitleg van deze cao-bepaling, waarover partijen van mening verschillen.
4.27.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. [25]
4.28.
Het draait hier vooral om de uitleg en toepassing van het derde lid van artikel 44 cao Pro. Daarin staat:
3. De in lid 2 sub a en b genoemde reistijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan.
4.29.
Vast staat dat in de arbeidsovereenkomst tussen partijen niets is vermeld over een standplaats (werklocatie) en/of reistijd (meer specifiek: woon-werkreistijd). Ook zijn er geen andere concrete schriftelijke aanknopingspunten tussen partijen waaruit enige afspraak over een standplaats en/of reistijd blijkt terug te vinden, en dus ook niet over het door Infraway ingenomen standpunt dat “2x een half per dag vanaf de bedrijfslocatie normale reistijd is” zoals bedoeld in artikel 44 van Pro de cao. Nergens blijkt dus uit dat met “reistijd” als bedoeld in artikel 44 lid 3 cao Pro (alleen) het reizen vanaf de bedrijfslocatie in Langeboom is bedoeld zoals Infraway betoogt. Het bepaalde in het hiervoor genoemde artikel kan alleen worden verklaard met de omstandigheid dat [verzoeker] uitsluitend op verschillende projecten werkzaam was, dat wil zeggen: meestal een paar aaneengesloten weken op project A, en dan weer een hele tijd op project B etc. Immers, voor het gewone/normale woon-werkverkeer was geen regeling nodig, omdat dat geen doorbetaalde werktijd betreft.
4.30.
Dan is de vraag aan de orde of alle reistijd van thuis naar de projectlocatie (en terug) aan te merken is als doorbetaalde arbeidstijd, of dat van die reistijd twee keer een half uur mag afgetrokken worden, die niet hoeft te worden doorbetaald. De ritten van thuis naar de projectlocatie (en terug) werden gemaakt met een bedrijfsauto (waarin een GPS-tracker is gemonteerd). Omdat de reistijd dus wordt gemaakt met een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel, vindt het vervoer plaats onder gezag van Infraway. De wet bepaalt dat de gehele reistijd in dat geval arbeidstijd is. [26] Dat betekent echter nog niet dat die volledige reistijd ook moet worden betaald, omdat dat afhangt van de vraag of partijen afspraken hebben gemaakt over de vergoeding van reistijd en zo ja welke. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gelet op het partijdebat en het bepaalde in artikel 44 van Pro de cao, komt de afspraak tussen Infraway en [verzoeker] er op neer dat per enkele reis (woon-werk) maximaal een half uur reistijd wordt afgetrokken en de rest van de reistijd van die reis wordt vergoed. Hieruit volgt dat niet de volledige reistijd van huis naar de projectlocatie (en terug) geldt als doorbetaalde werktijd en dat daarvan maximaal één uur per dag wordt afgetrokken.
4.31.
[verzoeker] stelt dat er 13 overuren uitbetaald moeten worden. Hij draagt van deze stelling de bewijslast. Met het gestelde in de processtukken en wat tijdens de mondelinge behandeling nader is verklaard, is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] er nog niet is. Het door hem overgelegde Excellschema is onvoldoende helder. [verzoeker] heeft, zeker in het licht van het verweer van Infraway, nog onvoldoende aangetoond dat hij overuren heeft gemaakt. Daarvoor is het volgende redengevend. [verzoeker] heeft ook tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij gedurende een langere periode meermaals te laat is aangevangen met werken en dat hij meermaals te vroeg is gestopt met werken en de werklocatie eerder heeft verlaten. Infraway heeft, mede in reactie daarop, onbestreden aangevoerd dat zij hierover nimmer door [verzoeker] is in kennis gesteld, dat er altijd voldoende werk voor [verzoeker] voorhanden was en dat zij dan ook zeker niet met deze onacceptabele, eenzijdige handelwijze van [verzoeker] heeft ingestemd. In het kader van het gesprek dat op 9 juli 2025 tussen Infraway en [verzoeker] plaatsvond, zijn partijen overeengekomen dat Infraway het totaal aantal te weinig gewerkte uren van 32,67 dat zij in de door haar op dat moment onderzochte periode van 4 weken (totaal 19 dagen) heeft vastgesteld, als minuren met het loon (en vakantiegeld) van respectievelijk juli en augustus 2025 zal verrekenen. Uit het nader onderzoek dat Infraway in de aanloop naar deze procedure heeft uitgevoerd is volgens Infraway gebleken dat [verzoeker] in totaal 159,5 uren te weinig heeft gewerkt.
4.32.
Het vorenstaande in aanmerking nemende wordt [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat, en zo ja, hoeveel overuren er zijn die nog uitbetaald moeten worden. Daarbij dient hij zijn eventuele berekeningen te voorzien van concrete, duidelijke stukken waarop hij zijn berekeningen stoelt en indien mogelijk te voorzien van verwijzingen. [verzoeker] heeft dat bewijs ook aangeboden.
4.33.
De discussie over het al dan niet invoeren van (extra) reistijd in de app, laat de kantonrechter verder buiten beschouwing, omdat dit het voorgaande niet anders maakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat bij het einde van de arbeidsovereenkomst overuren resteren, en zo ja hoeveel, waarbij [verzoeker] de desbetreffende overuren aan de hand van concrete, eenduidige berekeningen inzichtelijk dient te maken,
5.2.
houdt de zaak aan tot en met
woensdag 6 mei 2026zodat [verzoeker] bij akte schriftelijk aangeeft of hij bewijs wil leveren, en zo ja, op welke wijze (bewijstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel),
5.3.
bepaalt dat, als [verzoeker] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als [verzoeker]
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de
maanden augustus tot en met december 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.A.M. van den Berk, in het paleis van justitie te ’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

Voetnoten

1.Bijlage 3 bij het verzoekschrift.
2.Bijlage 3 bij het verweerschrift.
3.Artikel 7:668 lid 1 en Pro 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.Op 9 juli 2025 heeft Infraway [verzoeker] via WhatsApp een gesprekverslag gestuurd van het gesprek wat eerder die dag heeft plaatsgevonden. Over dit gesprek volgt verderop, bij de min/overuren, meer.
5.Bijlage 2 bij het verweerschrift.
6.Artikel 7:668 lid 1 sub a BW Pro.
7.Artikel 7:668 lid 3 BW Pro.
8.Artikel 3:37 lid 3 BW Pro.
9.Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104.
10.Artikel 7:673 BW Pro.
11.Bijlage 6 bij het verzoekschrift.
12.Infraway heeft WhatsAppberichten als bijlage 2 bij het verweerschrift overgelegd naar aanleiding van het gesprek op 9 juli 2025.
13.Bijlage 3 bij het verweerschrift.
14.Artikel 7:628 lid 1 BW Pro.
15.Artikel 7:628 BW Pro.
16.Artikel 7:673 BW Pro.
17.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro, 7:632 BW en 6:127 BW.
18.Artikel 7:686a lid 1 BW.
19.Bij de vermeerdering van eis heeft [verzoeker] 39,67 minuren genoemd. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat dit een verschrijving is geweest, omdat [verzoeker] de door Infraway genoemde 32,67 uur niet heeft betwist (zie ook 3.8 en 3.9 bij de feiten).
20.Bijlage 15.
21.Bijlage 14.
22.Arrest van het Hof van Justitie Europese Unie van 10 september 2015, zaak C-266/14 (CC.OO./Tyco), ECLI:EU:C:2015:578 en arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 januari 2001, zaak C-297/99 (Skills), ECLI:EU:C:2001:37
23.Arbeidstijdenrichtlijn (Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9).
24.Hoge Raad 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2013:1391 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:872.
25.Hoge Raad 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889.
26.Artikel 1.7 aanhef en onder k Arbeidstijdenwet.