Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2317

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/3297
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BarpStb. 2016, 489
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag beroepsincident na ongeval tijdens politie-rijopleiding op snelweg

Eiseres, een politieambtenaar in opleiding, liep op 17 juni 2024 letsel op bij een ongeval tijdens een oefensituatie op de A10. Zij vroeg de Korpschef om dit dienstongeval aan te merken als beroepsincident, wat werd afgewezen. De rechtbank bevestigt deze afwijzing.

De rechtbank overweegt dat een beroepsincident een dienstongeval is dat voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de politietaak, waarbij de ambtenaar handelend moet optreden terwijl anderen zich kunnen terugtrekken. Oefensituaties vallen in beginsel niet onder deze definitie, tenzij sprake is van een bijzondere situatie.

In deze zaak was sprake van een oefensituatie onder toezicht van docenten, waarbij eiseres de mogelijkheid had om de oefening te stoppen door zich aan te passen aan het verkeer. Het ongeval was het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en niet van een gevaarzettende situatie in de zin van een beroepsincident.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat het aangehaalde vergelijkbare geval een incidentele fout betrof die niet herhaald hoeft te worden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanvraag tot erkenning als beroepsincident af.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het ongeval tijdens de politie-rijopleiding terecht niet als beroepsincident is aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3297

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. Sajtos),
en

De Korpschef van politie, de Korpschef

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

Eiseres heeft een aanvraag ingediend om het dienstgeval dat haar is overkomen aan te merken als beroepsincident. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van die aanvraag. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij vindt namelijk dat sprake was van een gevaarzettende situatie. Dat dit tijdens een oefensituatie was, doet daar niet aan af volgens eiseres. Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de politietaak en zij kon zich als ambtenaar niet terugtrekken uit de situatie, zoals anderen dat wel zouden kunnen. De Korpschef is van mening dat geen sprake is van een beroepsincident, omdat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens een opleidingssituatie.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het dienstongeval terecht niet is aangemerkt als beroepsincident. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

1.1
Eiseres heeft een aanvraag ingediend om het dienstongeval dat haar is overkomen als beroepsincident aan te merken. De Korpschef heeft deze aanvraag met het besluit van 7 juli 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van eiseres van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) is de Korpschef bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
De Korpschef heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Korpschef deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2.1
De rechtbank moet beoordelen of de Korpschef terecht de aanvraag van eiseres, om het dienstongeval dat haar is overkomen als beroepsincident aan te merken, heeft afgewezen. De rechtbank doet dat aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd (de beroepsgronden).
2.2
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
3.1
Op 17 juni 2024 is eiseres tijdens haar rijopleiding van de politie een ongeval overkomen. Zij reed over de A10, ter hoogte van de splitsing van de A10 met de A1. Eiseres reed op de rechterbaan van de A10, terwijl een andere bestuurder op de rechterbaan van de A1 reed. Plotseling is de andere bestuurder over een doorgetrokken streep en voor een vrachtwagen langs twee rijbanen opgeschoven naar de rijbaan van eiseres. Eiseres kon vervolgens niets meer doen om een aanrijding te voorkomen. Hierbij heeft eiseres letsel opgelopen.
3.2
Op 18 juni 2024 heeft eiseres in verband met dit ongeval een aanvraag dienstongeval ingediend. Met het besluit van 4 september 2024 is het ongeval als dienstongeval erkend. Vervolgens heeft eiseres op 21 december 2024 verzocht om het dienstongeval aan te merken als beroepsincident. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming zoals is vermeld onder het kopje ‘procesverloop’.
Standpunten van partijen
Het standpunt van eiseres
4.1
Volgens eiseres geeft de Korpschef een verkeerde invulling aan de definitie van het beroepsincident en ook onjuiste uitleg van de Nota van Toelichting (NvT) bij het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Wanneer het standpunt van de Korpschef wordt gevolgd, zou er nooit sprake kunnen zijn van een beroepsincident in het geval van een oefen- of opleidingssituatie. Dit standpunt wordt volgens eiseres weerlegd in de NvT, omdat daarin staat dat een oefensituatie
in beginselgeen beroepsincident is, omdat een oefensituatie meestal geen gevaarzettende situatie betreft. Volgens eiseres was deze toelichting niet nodig geweest als een oefensituatie überhaupt nooit te kwalificeren is als beroepsincident. Volgens eiseres was in haar situatie wel sprake van een rechtstreeks verband met de uitoefening van de politietaak en de stap naar voren zetten (lees: het handelend optreden van de ambtenaar, terwijl anderen zich zouden mogen terugtrekken).
4.2
Daarnaast voert eiseres aan dat wel sprake was van een gevaarzettende situatie. Volgens de Brancherichtlijn Politie mag men namelijk maximaal 40 km/uur harder rijden dan de maximale snelheid, maar eiseres reed, vanwege haar opleiding, nog harder. Daarbij ontbraken de veiligheidswaarborgen die bij ander soort oefeningen (in een gecontroleerde omgeving) wel genomen kunnen worden, omdat de Korpschef geen controle heeft over het rijgedrag van andere bestuurders op de openbare weg. En een oefening op de openbare weg kan ook niet worden gestopt, omdat het overige verkeer gewoon doorrijdt. Er was ook geen toezicht door docenten dat het ongeval had kunnen voorkomen, omdat de docenten in een andere auto verderop reden. Verder was de oefening vereist om de opleiding te kunnen afronden. Concluderend is van een normale oefensituatie geen sprake geweest.
4.3
Tot slot merkt eiseres op dat zij in bezwaar heeft gewezen op een vergelijkbare zaak waarbij wel een toekenning beroepsincident is afgegeven. Volgens eiseres is hier geen sprake van een fout die niet herhaald hoeft te worden, zoals de Korpschef stelt, maar is haar situatie net zo goed als beroepsincident te kwalificeren.
4.4
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een tweetal emailberichten van haar opleider overgelegd. In de email van 6 oktober 2025 geeft de docent een korte, algemene toelichting op de opleiding van eiseres en vermeldt daarbij dat ten tijde van het ongeluk twee docenten van de Politieacademie aanwezig waren, dat het erg druk was op de ringweg A10 en dat de snelheid iets hoger zal hebben gelegen dan de toegestane 100 kilometer per uur. In de email van 10 februari 2026 schrijft de docent over het opleidingstraject van eiseres voorafgaande aan het ongeval.
Het standpunt van de Korpschef
5.1
In reactie op het beroepschrift verwijst de Korpschef naar de NvT bij het Barp. Onder een gevaarzettende situatie worden echte werksituaties verstaan, waaraan je je niet kunt onttrekken. Het gaat om werksituaties waarbij de politiemedewerker tijdens de uitoefening van de politietaak een stap naar voren moet doen, terwijl anderen dat niet hoeven. Daarom vallen oefensituaties daar niet onder, aldus de NvT. De oefenrit van eiseres betrof weliswaar een onderdeel van haar werkzaamheden, maar daarmee was het nog geen onderdeel van de politietaak.
5.2
Als een oefensituatie, die naar zijn aard geen rechtstreeks verband houdt met de politietaak, zou worden erkend als beroepsincident, zou dat een onbedoelde en ongewenste oprekking van de beroepsincidentenregeling zijn. Daarbij merkt de Korpschef op dat beoogd is onderscheid te maken tussen dienstongeval en beroepsincident, gelet op de verschillende rechtspositionele regelingen.
5.3
Dat het ongeval wel als dienstongeval is aangemerkt, maakt dit niet anders volgens de Korpschef. De term ‘opgedragen werkzaamheden’ (voorwaarde voor een dienstongeval) kan niet gelijkgesteld worden met de term ‘handelend moeten optreden waar anderen zich mogen onttrekken’ (voorwaarde beroepsincident). Niet elke opgedragen werkzaamheid houdt namelijk rechtstreeks verband met de uitoefening van de specifieke politietaak.
5.4
Tot slot merkt de Korpschef op dat alleen al vanwege het ontbreken van ‘de stap naar voren’ geen sprake kan zijn van een beroepsincident. Dit is ongeacht de vraag of sprake is van een gevaarzettende situatie. De Korpschef komt daarom ook niet toe aan de vraag of aan alle voorzorgsmaatregelen was voldaan. Ten overvloede licht de Korpschef toe dat wel sprake was van voorzorgsmaatregelen, zoals instructie en toezicht door een instructeur.
Het beoordelingskader
6.1
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z van het Barp wordt onder dienstongeval verstaan een ongeval dat in overwegende mate wordt veroorzaakt door de aard van de werkzaamheden die aan de ambtenaar zijn opgedragen of door de bijzondere omstandigheden waaronder deze werkzaamheden moesten worden verricht. Het ongeval is niet aan de schuld of onvoorzichtigheid van de ambtenaar te wijten.
6.2
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder pp van het Barp staat dat onder beroepsincident wordt verstaan een dienstongeval of beroepsziekte die voortvloeit uit een gevaarzettende situatie. Deze situatie houdt rechtstreeks verband met de taakuitoefening van de ambtenaar en de ambtenaar kan zich vanwege zijn specifieke functie niet onttrekken aan die situatie.
6.3
In de NvT [1] bij het Barp staat onder meer het volgende over het beroepsincident:
Een beroepsincident is een dienstongeval of beroepsziekte voortkomend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar waarbij de ambtenaar handelend moet optreden terwijl anderen zich zouden mogen terugtrekken. De ambtenaar krijgt daarom vooraf de garantie dat het bevoegd gezag de schade dekt, voor zover die schade het gevolg is van een beroepsincident. Bij gevaarzettende situaties kan bijvoorbeeld worden gedacht aan inzet van de ambtenaar (eventueel als lid van de mobiele eenheid) bij ernstige verstoring van de openbare orde, de motorrijder die bij het begeleiden van een konvooi het overige verkeer moet stilzetten en daarbij wordt aangereden, de arrestantenverzorger die een weerspannige arrestant onder controle moet brengen, of de ambtenaar die vanwege een dringende taak met hoge snelheid aan het verkeer deelneemt. Bij gewone verkeersdeelname, als onderdeel van de (uitoefening van) reguliere werkzaamheden, is geen sprake van een gevaarzettende situatie als bedoeld in dit artikel. Dit is in beginsel evenmin het geval als sprake is van een oefensituatie waarbij – anders dan in de echte werksituatie het geval is – waarborgen zijn gecreëerd om fysiek letsel (zoveel mogelijk) te voorkomen. Een dergelijke situatie kan op verzoek worden beëindigd en er is toezicht van een instructeur. Dat ongevallen in genoemde situaties eventueel als dienstongeval kunnen worden gekwalificeerd, maakt dit niet anders.
De overwegingen van de rechtbank
7.1
De rechtbank is van oordeel dat de Korpschef op juiste gronden heeft besloten het dienstongeval dat eiseres is overkomen niet aan te merken als beroepsincident. De rechtbank zal hieronder toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7.2
Allereerst oordeelt de rechtbank dat het standpunt van de Korpschef, dat in oefensituaties per definitie geen sprake kan zijn van een beroepsincident, niet kan worden gevolgd. In de NvT staat namelijk dat
in beginselgeen sprake is van een gevaarzettende situatie in geval van een oefensituatie (cursief rechtbank). Uit deze formulering maakt de rechtbank op dat de hoofdregel is dat in oefensituaties geen beroepsincidenten kunnen plaatsvinden, maar dat in bijzondere situaties van die hoofdregel kan worden afgeweken.
7.3
De vraag is nu aan de orde of van een dergelijke bijzondere situatie sprake is in het geval van het dienstongeval van eiseres. Rekening houdend met wat eiseres heeft aangevoerd, beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend.
7.4
Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de opdracht die dag was om een subject te volgen en te zien wat het subject deed. In de oefening was er geen echt subject, er werd gedaan alsof dat subject er was. Om het subject te kunnen volgen, moest er soms dus worden bijgetrokken, zodat niet harder dan 100 km/u rijden niet de bedoeling was. Eiseres moest door het verkeer laveren om het subject te kunnen volgen en te zien wat het subject deed. De klas was verdeeld over verschillende auto’s en eiseres zat samen met iemand uit haar klas in een auto. Er waren vijf of zes auto’s met kandidaten en een auto met de opleiders die in de buurt reed van de auto’s met de kandidaten. De oefening vond plaats in de laatste twee weken van de opleiding waarin sprake was van een doorlopende casus. Deze laatste twee weken waren beslissend voor het wel of niet slagen van de cursist.
7.5
De Korpschef heeft toegelicht dat de kandidaten voorafgaand aan de oefening zijn geïnstrueerd, dat er toezicht was en dat er een mogelijkheid was om met de oefening te stoppen. De bedoeling van een oefensituatie is volgens de Korpschef dat de docenten toezicht houden. De docenten kunnen niet in de auto zelf zitten, maar de kandidaten kunnen wel worden bijgestuurd, als dat nodig is. In deze eindfase van de opleiding is bijsturen nauwelijks nodig.
7.6
Zowel eiseres als de Korpschef hebben aangegeven dat het ongeluk hoogstwaarschijnlijk niet te voorkomen was. Eiseres reed langs een vrachtwagen en de auto die het ongeluk heeft veroorzaakt reed over een doorgetrokken streep voor de vrachtwagen langs. Die automobiliste heeft eiseres waarschijnlijk niet gezien.
7.7
Gelet op deze toelichting door eiseres en de Korpschef is de rechtbank van oordeel dat de situatie van eiseres een oefensituatie betrof onder toezicht van een tweetal docenten. Dat deze docenten samen toezicht moesten houden op meerdere collega’s van eiseres die de opleiding volgden, maakt dat niet anders. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiseres de mogelijkheid had om te stoppen met de oefening, waarbij stoppen volgens de rechtbank niet inhoudt het volledig stilstaan met de auto, maar het zich aanpassen aan het overige verkeer. De situatie vond namelijk niet plaats in de uitoefening van de politietaak, waarbij een ambtenaar geen stap terug kan doen waar een ander dat wel kan. De stelling van eiseres dat zij dan niet zou slagen voor de opleiding heeft zij niet nader onderbouwd. Ook is gebleken dat zij inmiddels wel is geslaagd voor deze opleiding. Zoals zowel eiseres als de Korpschef hebben aangegeven, was het ongeluk waarschijnlijk niet te voorkomen geweest. Het ongeluk is volgens de rechtbank dan ook te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
8.1
Eiseres heeft aangevoerd dat de Korpschef eerder wel een beroepsincident heeft aangenomen in een oefensituatie. Volgens de rechtbank doet eiseres hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
8.2
Eiseres heeft in dit verband een zaaknummer genoemd (HAA 21/245) [2] en aangegeven dat op de zitting van die zaak door de gemachtigde van de politie is aangegeven dat een oefensituatie in beginsel geen beroepsincident is, maar dat daarop in een incidenteel geval een uitzondering is gemaakt. Volgens de Korpschef heeft navraag geleerd dat een oefensituatie inderdaad als beroepsincident is aangemerkt. Het ging om een dienstongeval dat tijdens de rijopleiding op een rotonde heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit niet tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Afgezien van de vraag of sprake is van een voldoende vergelijkbaar geval, vindt de rechtbank het belangrijk dat eiseres slechts één enkel geval noemt waarbij volgens haar mogelijk sprake is van een vergelijkbaar geval. De Korpschef heeft toegelicht dat het gaat om een incidenteel geval waarin een onjuist besluit is genomen, omdat geen sprake was van de genoemde stap naar voren. Het is vaste rechtspraak dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het betrokken bestuursorgaan kan worden gedwongen om een eenmaal gemaakte fout te (blijven) herhalen. [3]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het dienstongeval dat eiseres is overkomen terecht door de Korpschef niet als beroepsincident is aangemerkt. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Stb. 2016, 489, p. 15
2.De uitspraak in die zaak was van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3087.
3.Zie CRvB 26 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:817.