Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1951

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11814012 CV EXPL 25-5416
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 1 BWArt. 7:267 lid 2 BWArt. 7:267 lid 7 BWArt. 7:268 lid 2 BWArt. 7:268 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening over gebruik woning na overlijden huurder

Deze zaak betreft een kort geding over het gebruik van een woning na het overlijden van de huurder, waarbij eisers en gedaagde beiden aanspraak maken op voortzetting van de huurovereenkomst en het gebruik van de woning.

Eisers, de zoon en kleindochter van de overleden huurder, vorderen een tijdelijke maatregel die hen het exclusieve gebruik van de woning toekent en gedaagde veroordeelt het huis te verlaten. De kantonrechter oordeelt dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder hadden, een vereiste voor voortzetting van de huurovereenkomst volgens artikel 7:268 lid 2 BW Pro.

De kantonrechter wijst de primaire vorderingen af en oordeelt dat ook de subsidiaire vordering tot betaling van huurpenningen niet toewijsbaar is, omdat geen rechtsgrond is voor betaling aan eisers. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

De uitspraak benadrukt dat de conflictenregeling uit artikel 7:267 lid 7 BW Pro niet van toepassing is omdat eisers geen recht op voortzetting van de huurovereenkomst hebben. De zaak wordt aangehouden voor mediation, maar na mislukking daarvan volgt dit vonnis.

Uitkomst: De gevraagde voorlopige voorziening tot exclusief gebruik van de woning door eisers wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van voortzetting van de huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11814012 \ CV EXPL 25-5416
Vonnis in kort geding van 27 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1/ de zoon] ,

2.
[eiser 2/ kleindochter 1],
beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. R.W.J. Soetekouw,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.F.J. Martens.

1.1. De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaarding van 8 september 2025;
- de producties 1 tot en met 22 van [eisers] ;
- de producties 1 tot en met 11 van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. [eisers] zijn verschenen met mr. Soetekouw voornoemd. Zij zijn vergezeld door [de partner van de zoon] , de partner van [eiser 1/ de zoon] , en door een medewerker van Jeugdbescherming Brabant. Ook [gedaagde] is verschenen, met mr. Martens voornoemd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigden van [eisers] en van [gedaagde] hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter in overleg met partijen bepaald dat de zaak wordt aangehouden ten behoeve van een mediationtraject.
1.4.
Bij e-mails van 12 en 17 februari 2026 heeft mr. Soetekouw laten weten dat de mediation is geëindigd zonder overeenstemming tussen partijen en verzocht om vonnis te wijzen.
1.5.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2.De feiten

2.1.
Deze zaak gaat over de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het huis). [oma] (hierna: [oma] ) huurde dit huis van Stichting Woonbedrijf tot haar overlijden op [overlijdensdatum] 2025 en zij woonde daar ook.
2.2.
[oma] woonde niet alleen. Ook haar zoon [eiser 1/ de zoon] en twee kinderen van haar dochter – [gedaagde] (2003) en [kleindochter 2] (2014) – woonden in het huis.
2.3.
[oma] had de voogdij over [kleindochter 2] . De tijdelijke voogdij over [kleindochter 2] ligt bij Jeugdbescherming Brabant.
2.4.
[oma] is ook voogd geweest over [eiser 2/ kleindochter 1] (2000) en [gedaagde] . [eiser 2/ kleindochter 1] , [gedaagde] en [kleindochter 2] zijn de drie kinderen van de dochter van [oma] . Vanwege omstandigheden heeft [oma] deze drie kleinkinderen vanaf enkele weken na hun geboortes in huis opgevangen en opgevoed. [oma] deed dit samen met haar echtgenoot, totdat hij in 2004 overleed.
2.5.
[eiser 2/ kleindochter 1] is in 2019 uit huis gegaan en op kamers gaan wonen. Zij is in april 2025 weer in het huis gaan wonen.
2.6.
[eiser 1/ de zoon] , [eiser 2/ kleindochter 1] en [gedaagde] hebben na het overlijden van [oma] gesproken over het samen zorgen voor [kleindochter 2] en het belang van [kleindochter 2] om in het huis te kunnen blijven wonen.
2.7.
Daarna zijn de verhoudingen veranderd. [eiser 2/ kleindochter 1] en [gedaagde] zijn tegenover elkaar komen te staan. Beiden willen in het huis wonen en hebben de wens om de huurovereenkomst voort te zetten.
2.8.
[eiser 1/ de zoon] wil ook in het huis blijven wonen. In deze procedure staat [eiser 1/ de zoon] aan de kant van [eiser 2/ kleindochter 1] . [eisers] willen beiden in het huis wonen, waarbij [eiser 2/ kleindochter 1] de zorg voor [kleindochter 2] op zich wil nemen, daarbij ondersteund door [eiser 1/ de zoon] . [gedaagde] is het hier niet mee eens.
2.9.
Het is partijen niet gelukt om onderling af te spreken wie er in het huis mag (blijven) wonen. Duidelijk is dat [eiser 2/ kleindochter 1] en [gedaagde] vooralsnog niet samen in het huis kunnen wonen. Dat komt onder meer omdat de bij het gezin betrokken hulpverlening te kennen heeft gegeven dat zij niet wil dat [eiser 2/ kleindochter 1] en [gedaagde] samen in het huis zijn als [kleindochter 2] erbij is.
2.10.
Intussen heeft de verhuurder, Stichting Woonbedrijf, een procedure tot ontruiming van het huis aanhangig gemaakt. Tegelijkertijd zijn zowel [eisers] als [gedaagde] een procedure gestart tegen Stichting Woonbedrijf. Die beide procedures hebben als inzet de voortzetting van de huur.
3. Het geschil
3.1.
[eisers] vragen om een tijdelijke maatregel over het gebruik van het huis, zolang nog niet is beslist in de procedures tussen [eisers] en Woonbedrijf. Samengevat willen [eisers] dat de kantonrechter, totdat is komen vast te staan wie de rechthebbende van het huis is, bepaalt:
I. dat zij, met uitsluiting van [gedaagde] , gerechtigd zijn tot het gebruik van het huis of dat de kantonrechter een gebruiksregeling bepaalt;
II. dat [gedaagde] wordt veroordeeld het huis te verlaten, op straffe van een dwangsom en
III. – subsidiair, voor het geval de vorderingen onder i. en ii. worden afgewezen – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot voldoening van de huurpenningen per maand;
IV. met – zowel primair als subsidiair – veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] is het hier niet mee eens en heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde tijdelijke maatregel over het gebruik van het huis. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in kort geding geen plaats.
Spoedeisend belang
4.2.
[eisers] hebben gesteld dat zij een spoedeisend belang hebben bij de tijdelijke maatregel tot het gebruik van het huis. [gedaagde] heeft niets ingebracht tegen de spoedeisendheid. Het spoedeisende belang is voldoende gebleken. Een spoedige tijdelijke maatregel is nodig. Dat heeft te maken met de volgende omstandigheden. Na het overlijden van [oma] heeft [eiser 2/ kleindochter 1] de zorg voor [kleindochter 2] op zich genomen. [kleindochter 2] heeft op sociaal gebied en wat betreft haar woonsituatie stabiliteit en vastigheid nodig. Door de onenigheid tussen de familieleden en de inmenging van de hulpverlening kunnen [eisers] niet met [kleindochter 2] in het huis wonen, zolang [gedaagde] daar woont. [eiser 2/ kleindochter 1] heeft geen andere woonruimte tot haar beschikking. Zij verblijft steeds met [kleindochter 2] tijdelijk bij vrienden en kennissen.
De vordering tot het bepalen van voortgezet gebruik van het huis door [eisers]
4.3.
hebben samen met [oma] in het huis gewoond. Voor ieder van hen geldt dat zij geen medehuurder zijn geworden. Daarvoor is namelijk in elk geval een gezamenlijk verzoek nodig van huurder [oma] en [eisers] als haar huisgenoten. Niet gebleken is dat een dergelijk verzoek in dit geval is gedaan. [1]
4.4.
Wel kunnen [eisers] de huurovereenkomst gedurende enige tijd na het overlijden van de huurder voortzetten. Daarvoor is nodig dat zij hun hoofdverblijf hebben in het huis en met [oma] een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. [2]
4.5.
Uit de wet volgt dat de rechter de vordering van een huisgenoot tot voortzetting van de huurovereenkomst in ieder geval afwijst als:
de huisgenoot niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van artikel 7:268 lid 2 BW Pro voldoet;
de huisgenoot vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;
het gaat om woonruimte waarop hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet van toepassing is en de huisgenoot geen huisvestingsvergunning overlegt.
De rechter kan een vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst alleen afwezen op deze drie gronden. [3] In deze zaak is alleen de afwijzingsgrond onder a van belang. De andere afwijzingsgronden laat de kantonrechter daarom rusten.
4.6.
De kantonrechter acht voorshands niet aannemelijk dat de vordering van [eiser 1/ de zoon] tot het voortzetten van de huur wordt toegewezen in de bodemprocedure. Daarbij is van belang dat geen duidelijkheid bestaat over de vraag of [eiser 1/ de zoon] zijn hoofdverblijf in het huis heeft. Dat komt omdat [eiser 1/ de zoon] zijn stelling dat hij in het huis zijn hoofdverblijf heeft, summier heeft onderbouwd, met een bewijs van inschrijving op het adres van het huis en verklaringen van hem en [de partner van de zoon] dat hij niet bij [de partner van de zoon] woont. [gedaagde] heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1/ de zoon] desgevraagd verklaard dat hij sinds ongeveer vijf jaar een relatie heeft met [de partner van de zoon] , dat hij vaak bij haar verblijft, maar dat zijn persoonlijke spullen, waaronder ook gereedschap, nog in het huis zijn en dat hij ook in het huis slaapt.
4.7.
Daar komt bij dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser 1/ de zoon] een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met [oma] . Duurzaam betekent in dit geval toekomstgericht. De duurzaamheid van een gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de duur van de gemeenschappelijke huishouding en de bedoeling van betrokkenen.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. [4] Het gaat dan om het feitelijk gebruik van de woning door de huurder en de medebewoner en de omstandigheid dat zij al dan niet i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, ii) gezamenlijk of op grond van een afgesproken verdeling huishoudelijke taken verrichten, iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer.
4.8.
Volgens [eiser 1/ de zoon] had hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder, [oma] . Als uitgangspunt geldt dat de huishouding van een meerderjarig kind met een ouder alleen onder bijzondere omstandigheden als een duurzame huishouding wordt aangemerkt, omdat het gebruikelijk is dat volwassen kinderen op enig moment op zichzelf gaan wonen. Dan is geen sprake van een duurzame, maar van een aflopende huishouding. In dit geval kan het duurzame karakter van de huishouding blijken uit het feit dat [eiser 1/ de zoon] het ouderlijk huis niet heeft verlaten en die intentie in de gegeven familie-omstandigheden ook niet heeft gehad. [eiser 1/ de zoon] heeft in dit kader onder meer onweersproken verklaard dat hij bij zijn moeder is blijven wonen vanwege de komst van zijn drie nichtjes, het overlijden van zijn vader en omdat hij samen met [oma] voor zijn nichtjes zorgde.
4.9.
Dat [eiser 1/ de zoon] een gemeenschappelijke huishouding had met [oma] is echter niet zonder meer aannemelijk. Die stelling heeft [eiser 1/ de zoon] namelijk onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1/ de zoon] verklaard dat hij op verschillende manieren bijdroeg aan het zorgen voor de drie minderjarige pleegkinderen en het huishouden, onder meer met het doen van boodschappen en andere contante uitgaven, zoals tijdens vakanties en uitjes, en het voeren van oudergesprekken over de nichtjes als ware zij zijn eigen kinderen. [eiser 1/ de zoon] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit dit kan blijken. Ook blijkt nergens uit dat en vanaf welk moment [oma] en hij de kosten voor de huishouding onderling hebben verdeeld en wat zijn bijdrage hierin was. Ook heeft [eiser 1/ de zoon] niet concreet gemaakt hoe het samenleven met [oma] verliep en wat bijvoorbeeld de onderlinge taakverdeling was ten aanzien van de zorg voor de pleegkinderen en het huishouden. De kantonrechter wil aannemen dat [eiser 1/ de zoon] zijn leven heeft aangepast aan het wonen met en zorgen voor zijn nichtjes. Toch blijkt daaruit, mede gelet op zijn verklaring over de relatie met [de partner van de zoon] en het feit dat [eiser 2/ kleindochter 1] in 2018 en [gedaagde] in 2021 meerderjarig zijn geworden, niet zonder meer dat hij ook de afgelopen jaren een gemeenschappelijke huishouding met [oma] heeft gehad. Bij deze stand van zaken is de vordering van [eiser 1/ de zoon] tot voortzetting van de huur, in een bodemprocedure, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet toewijsbaar.
4.10.
Ook voor [eiser 2/ kleindochter 1] geldt dat voorshands niet aannemelijk is dat de vordering tot voortzetting van de huur door haar in de bodemprocedure wordt toegewezen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter had [eiser 2/ kleindochter 1] namelijk geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met [oma] . [eiser 2/ kleindochter 1] heeft niet onderbouwd dat en op welke manier zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met [oma] . Voor zover zij al een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding had met [oma] , is die geëindigd in 2019 toen [eiser 2/ kleindochter 1] op zichzelf ging wonen. Daar komt bij dat [eiser 2/ kleindochter 1] pas na het overlijden van [oma] is teruggekeerd naar het huis en zich weer heeft ingeschreven op het adres van het huis.
4.11.
Het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat [eisers] de huur van het huis niet voortzetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De kantonrechter kan dan ook niet bepalen dat [eisers] gerechtigd zijn tot het gebruik van het gehuurde huis totdat is komen vast te staan wie daarvan de rechthebbende is. Dit betekent ook dat er geen grond is voor het bepalen van een (andere) gebruiksregeling voor het huis. De primaire vordering onder I. is niet toewijsbaar. De kantonrechter benadrukt dat voor het rechtsgeldig tot stand brengen van een gebruiksregeling ook instemming van de verhuurder als eigenaar van het huis nodig is. De verhuurder is echter niet betrokken in dit kort geding tussen [eisers] en [gedaagde] . Ook daarom is dit gedeelte van de primaire vordering niet toewijsbaar.
4.12.
[eisers] hebben ook een beroep gedaan op de zogenoemde conflictenregeling uit artikel 7:267 lid 7 BW Pro. Zij vragen de kantonrechter om de (eventuele) (huur)rechten ten aanzien van het huis bij wijze van voorlopige voorziening aan [gedaagde] te ontnemen, omdat het belang van [eisers] bij voorlopig behoud van het huis zwaarder zou wegen.
4.13.
De kantonrechter volgt het standpunt van [eisers] niet. De zogenoemde conflictenregeling maakt het mogelijk dat – in geval van conflicten over het voortzetten van de huur – dat ten aanzien van een of meer huisgenoten van de overleden huurder wordt bepaald dat deze persoon de huurovereenkomst niet langer zal voortzetten. Belangrijk is dat het hierbij gaat om huisgenoten die als medehuurder een overleden huurder opvolgen of die de huur op grond van artikel 7:268 BW Pro mogen voortzetten. [5] Zoals hiervoor is overwogen kunnen [eisers] geen aanspraak maken op voortzetting van de huurovereenkomst, omdat niet aannemelijk is dat zij voldoen aan de voorwaarden voor voortzetting zoals omschreven in artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Dit betekent dat [eisers] dan ook zonder recht of titel in de woning zouden verblijven. Daarmee is juist geen sprake van een situatie waarop de conflictenregeling van toepassing is. Aan een belangenafweging als bedoeld in artikel 7:267 lid 7 BW Pro komt de kantonrechter dan ook niet toe. [6]
4.14.
Ook de primaire vordering onder II. is niet toewijsbaar. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat niet aannemelijk is dat [eisers] zonder meer gerechtigd zijn tot het gebruik van het huis. Een gevolg hiervan is dat zij in elk geval in dit kort geding geen rechten ten aanzien van het gebruik van het huis aan [gedaagde] kunnen tegenwerpen. Ook betekent dit dat er in de verhouding tussen [eisers] tegenover [gedaagde] geen grond is om bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] te veroordelen het huis te verlaten en niet meer te betreden. De kantonrechter benadrukt in dit kader dat dit kort geding niet gaat over de vraag in hoeverre [gedaagde] gerechtigd is tot het gebruik van het huis en ook niet over de eventuele rechtsverhouding tussen Woonbedrijf en [gedaagde] .
De vordering tot betaling van de maandelijkse huurpenningen
4.15.
De kantonrechter komt toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering, omdat de primaire vorderingen van [eisers] niet toewijsbaar zijn. [eisers] willen dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de huurpenningen die [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening, maandelijks voorschiet, gerekend vanaf de dag waarop [gedaagde] weer in het huis is getrokken en tot de dag dat definitief is vastgesteld wie rechthebbende is van het huis.
4.16.
Vorderingen in kort geding die strekken tot betaling van een geldsom moeten met terughoudendheid worden beoordeeld. De kantonrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eisers] op [gedaagde] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Hierbij geldt dat hoe meer aannemelijk de vordering is, des te eerder het belang van de schuldeiser bij toewijzing van die vordering wordt aangenomen. In voorkomende gevallen moet de kantonrechter in de afweging van de belangen mede de vraag naar – kort gezegd – het risico betrekken van onmogelijkheid van terugbetaling aan de kant van in dit geval [gedaagde] , voor het geval dat de bodemrechter anders beslist.
4.17.
De slotsom is dat ook de vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de maandelijkse huurpenningen aan [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening, niet toewijsbaar is. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
4.18.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eisers] desgevraagd verklaard dat de gestelde betalingsverplichting aan de kant van [gedaagde] is gegrond op onverschuldigde betaling, dat mogelijk sprake is van een gemeenschap en dat de bewoner(s) van het huis er gezamenlijk voor moeten zorgen dat het maandelijkse bedrag aan de verhuurder wordt betaald. Zonder nadere toelichting en onderbouwing, die niet zijn gegeven, kan de kantonrechter niet volgen dat [gedaagde] verplicht is om maandelijks een bedrag ter hoogte van de huur van het huis te betalen aan [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening. Ook valt niet in te zien dat in de verhouding tussen [gedaagde] en [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening, sprake is van een betaling die zonder rechtsgrond is verricht. Uit dat wat partijen naar voren hebben gebracht begrijpt de kantonrechter namelijk dat [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening, maandelijks een bedrag overmaakt aan Stichting Woonbedrijf als verhuurder. Als al sprake zou zijn van onverschuldigde betaling, dan is dat niet zonder meer in de verhouding tussen [gedaagde] en [eiser 1/ de zoon] . Het voorgaande maakt de vordering tot betaling van de maandelijkse huurpenningen niet toewijsbaar.
4.19.
De kantonrechter kan wel volgen dat [gedaagde] – zolang zij feitelijk in het huis verblijft – maandelijks een gebruiksvergoeding is verschuldigd. Het ligt in de rede dat zij die vergoeding dan is verschuldigd aan Stichting Woonbedrijf als verhuurder en niet aan [eiser 1/ de zoon] als beheerder van de ervenrekening. Gesteld noch gebleken is namelijk dat tussen [gedaagde] en [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening, afspraken bestaan op grond waarvan [eiser 1/ de zoon] de gebruiksvergoeding via de ervenrekening betaalt en [gedaagde] die vergoeding op de ervenrekening terugbetaalt. Ook is niet gebleken dat [eiser 1/ de zoon] , als beheerder van de ervenrekening, verplicht is om die gebruiksvergoeding maandelijks aan Stichting Woonbedrijf te voldoen. Ook om deze reden ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de vordering tot betaling.
Proceskosten
4.20.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter, recht doende in kort geding,
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:267 lid 1 en Pro lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
3.HR 6 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5553, m.nt. P.A. Stein.
4.HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804,
5.Dat volgt uit artikel 7:268 lid 4 in Pro combinatie met artikel 7:267 lid 7 BW Pro. Zie hierover onder meer Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/378.
6.Uit artikel 7:267 lid 7 BW Pro volgt dat de rechter de vordering tot het niet langer voortzetten van de huurovereenkomst door een of meer andere ‘huurvoortzetters’ slechts toewijst als dat naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, is geboden.