ECLI:NL:RBOBR:2026:1810

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/4274
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BWECLI:NL:HR:2020:467ECLI:NL:HR:2024:238ECLI:NL:CRVB:2019:1924
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WOZ-waarde sociale huurwoning

Eiser stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn sociale huurwoning, nadat de heffingsambtenaar de waarde had vastgesteld op €210.000 en dit na bezwaar had gehandhaafd. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen, waarna de waarde opnieuw werd gehandhaafd. In het huidige beroep stelde eiser dat een verlaging van de WOZ-waarde invloed zou hebben op de huurprijs en lokale heffingen.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve het procesbelang en concludeerde dat eiser dit niet had aangetoond. Eiser had geen verklaring van de verhuurder over de huurprijsconsequenties ingediend en had niet duidelijk gemaakt welke WOZ-waarde volgens hem juist zou zijn. De gehanteerde streefhuur ligt aanzienlijk lager dan de maximale huurprijs die mede op de WOZ-waarde is gebaseerd, waardoor een verlaging van de WOZ-waarde niet automatisch tot een lagere huur leidt.

Daarnaast werd het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Hoewel de procedure drie jaar duurde en daarmee de redelijke termijn van twee jaar werd overschreden, voldeed eiser niet aan de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, omdat het financieel belang minder dan €1.000 bedroeg en de termijn niet meer dan twaalf maanden was overschreden.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, keerde geen griffierecht of proceskostenvergoeding uit en wees het schadevergoedingsverzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Woestenburg op 20 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oirschot, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: P.P.M. van Haren en A.L.M. Keeris)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ [1] -waarde van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 26 februari 2023 vastgesteld voor het kalenderjaar 2023 op € 210.000.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 19 september 2023 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd. Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft met de uitspraak van 25 juli 2024 (zaaknummer SHE 23/2504) het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de zaak teruggewezen naar de heffingsambtenaar en hem opgedragen om met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van eiser.
1.4.
Met de uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde opnieuw gehandhaafd.
1.5.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak SHE 24/4276. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.

Feiten

2. Eiser huurt de woning van Stichting Wooninc. Het gaat om een sociale huurwoning.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk?
3. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser procesbelang heeft. Als hij dat niet heeft, is het beroep niet-ontvankelijk en komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
3.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2020 [2] bepaald dat dient te worden aangenomen dat als aan iemand een WOZ-beschikking bekend is gemaakt, hij bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft.
3.2.
In zijn arrest van 8 maart 2024 [3] heeft de Hoge Raad hierop een uitzondering gemaakt. Deze uitzondering is van toepassing als uit de feiten volgt dat de gebruiker van een woning door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In zo’n geval moet, als beroep is ingesteld, dat beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft. Het belang ontbreekt als het instellen van het beroep, ongeacht de gronden waarop dat beroep steunt, de indiener niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.
3.3.
Het komt er in dit beroep dus op neer of een wijziging van de WOZ-waarde eiser in een betere positie zou brengen. Uit de feiten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet het geval is. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.
3.4.
De rechtbank heeft eiser bij brief van 15 juli 2025 verzocht om een verklaring van de verhuurder van de woning waaruit blijkt dat een verlaging van de WOZ-waarde van de woning daadwerkelijk consequenties heeft voor de hoogte van de huur. Eiser heeft bij brief van 16 juli 2025 volstaan met de opmerking: ‘De WOZ kan twee kanten op werken. Het kan ook huurder zijn die om huurverlaging kan vragen.’ Op 31 juli 2025 en 14 augustus 2025 heeft eiser gesteld dat ‘de WOZ-waarde wel degelijk effect heeft op de huurprijs van eiser’. Hierbij heeft hij informatie van Wooninc., informatie van de huurcommissie en een ‘Specificatie woningwaardering’ van 14 augustus 2025 verstrekt. Volgens dit laatste stuk is de maximale huurprijs voor eisers woning berekend op € 780,80, wat is gebaseerd op in totaal 124,75 punten. Hiervan zijn 33 punten voor de WOZ-waarde toegekend, op basis van een WOZ-waarde van € 246.000 op peildatum 1 januari 2024.
3.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen verklaring van de verhuurder heeft ingediend. Daarnaast heeft eiser in beroep niet duidelijk gemaakt wat volgens hem de hoogte van de WOZ-waarde zou moeten zijn, ook niet nadat daar op de zitting naar is gevraagd. Dit is relevant, omdat uit de ingediende stukken slechts blijkt dat de WOZ-waarde (mede) van invloed is op de maximale huurprijs die in rekening kan worden gebracht. Uit de informatie van Wooninc. volgt dat Wooninc. voor het bepalen van de daadwerkelijke huurprijs een zogeheten ‘streefhuur’ hanteert en dat deze ligt op gemiddeld 77% van de maximale huurprijs, dus aanzienlijk lager. Het is dus beslist niet zo dat iedere verlaging van de WOZ-waarde onmiddellijk effect heeft op de daadwerkelijke huurprijs. Bovendien heeft de ‘Specificatie woningwaardering’ geen betrekking op de peildatum die voor de WOZ-waarde hier van belang is, te weten 1 januari 2022.
3.6.
Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van een procesbelang. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat de WOZ-waarde van invloed is op de hoogte van lokale heffingen die in rekening worden gebracht. Namens de heffingsambtenaar is dit vervolgens betwist en eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd. Verder verzoekt eiser om een schadevergoeding van € 92,50, omdat hij kosten heeft moeten maken om de proceskostenvergoeding door de rechtbank in de uitspraak van 25 juli 2024 daadwerkelijk vergoed te krijgen. Ook dit levert geen procesbelang op: een beoordeling van dat verzoek om schadevergoeding staat geheel los van de vraag of de WOZ-waarde juist is.
3.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een procesbelang ontbreekt. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Het verzoek om een schadevergoeding
4. Omdat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart en dus niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak, zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding van € 92,50 (zie onder 3.6) afwijzen.
4.1.
Eiser heeft ook verzocht om toekenning van een vergoeding die samenhangt met een overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van dit geschil.
4.2.
Gelet op het tijdsverloop in deze procedure beoordeelt de rechtbank of de bovenbedoelde redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend. In dit geval heeft een vernietiging door de rechtbank van een uitspraak op bezwaar geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechtbank. Omdat tijdens die tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, moet worden uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren [4] .
4.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ontvangen op 20 maart 2023. De rechtbank doet vandaag uitspraak. Dit betekent dat de procedure in totaal precies drie jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus met twaalf maanden overschreden. Eiser heeft dus in beginsel recht op vergoeding van immateriële schade.
4.4.
Het verzoek van eiser valt echter onder de werking van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 [5] . Hierdoor geldt dat er niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade als het financieel belang minder is dan € 1.000 én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de rechtbank volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4.5.
Gelet op wat onder 3 tot en met 3.7 is overwogen heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000 bedraagt. De redelijke termijn is niet met meer dan twaalf maanden overschreden. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten en ook geen schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank
-verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-wijst het verzoek om vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
4.Centrale Raad van Beroep 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1924.