ECLI:NL:RBOBR:2026:174

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
11875187 EJ VERZ 25-429
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en opzegverbod tijdens ziekte

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Velde N.V. en [verweerder]. Velde, een internationaal wervings- en selectiebureau, verzocht om ontbinding op basis van verschillende gronden, waaronder disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie. [verweerder] was sinds 27 augustus 2025 arbeidsongeschikt door ziekte en had eerder een gerechtelijke procedure aangespannen over een looncorrectie. De kantonrechter oordeelde dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing was en dat de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag lagen, niet los konden worden gezien van de ziekte van [verweerder]. Hierdoor kon de arbeidsovereenkomst niet worden ontbonden. De rechter wees het verzoek van Velde af en veroordeelde hen in de proceskosten van [verweerder].

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: 11875187 \ EJ VERZ 25-429
Beschikking van 9 januari 2026
in de zaak van
VELDE N.V.,
te 's-Hertogenbosch,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: “Velde”,
gemachtigde: mr. J.W.T.M. IJsseldijk,
tegen
[verweerder],
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: “ [verweerder] ”,
gemachtigde: mr. H.P. Kamerbeek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift op grond van artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 3 BW, met producties
(genummerd 1 t/m 27),
- het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk tegenverzoeken ex artikel 7:671b BW,
met producties (genummerd 1 t/m 27)
- aanvullende stukken van Velde, toegestuurd op 28 november 2025 (genummerd 28 t/m 30)
en op 1 december 2025 (genummerd 31)
- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarbij partijen hun standpunten nader
hebben toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en waarbij door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op 9 januari 2026.

2.De relevante feiten

2.1.
Velde is een internationaal werving- en selectiebureau voor executive, management, sales- en finance posities. Daarbij is zij gespecialiseerd in opvolging bij familiebedrijven, assessments en private equity.
2.2.
[verweerder] is vanaf 1 mei 1998 werkzaam bij Velde (thans dus ruim 27,5 jaar), laatstelijk in de functie van senior consultant. Hij heeft een bruto maandsalaris van
€ 7.370,57, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, op basis van een werkweek van 40 uur [1] .
[verweerder] was tien jaar lang, tussen 1999 en 2009, lid van het management team (MT) en hij had twintig jaar lang een klein aandelenbelang in Velde (gemiddeld ruim 3%). [verweerder] is momenteel zestig jaar.
Toen [verweerder] in dienst trad bij Velde was hij de vijfde consultant, inmiddels werken er 35 mensen.
2.3.
Vanaf februari 2018 was [verweerder] manager van de vestiging van Velde in [plaats vestiging 1] . Per 1 februari 2024 heeft Velde hem teruggehaald naar Nederland en hem geplaatst in de functie van Senior Consultant, omdat hij geen leidinggevende taken meer had. Hij ging daarom van schaal 6 (Managing Consultant) naar schaal 5 (Senior Consultant), met behoud van salaris
Velde besloot om de jaarlijkse looncorrectie van 2024 (dat jaar: 3,8%) niet op [verweerder] toe te passen, maar [verweerder] wel een hogere bonus toe te kennen
2.4.
Op 21 januari 2025 kreeg [verweerder] in het beoordelingsgesprek over 2024 te
horen dat binnen MT-verband was besloten om de looncorrectie voor 2025 (3,58%) niet bij
[verweerder] toe te passen. Op 7 en op 26 februari 2025 maakte [verweerder] hiertegen per e-mail bezwaar, omdat Velde naar zijn mening aan hem de salarisindexering verschuldigd was, zowel over 2025 als over de jaren waarin die eerder aan hem was onthouden (2022 en 2024).
Op 3 maart 2025 vroeg [A] , de Managing Director van Velde (hierna genoemd: “ [A] ”) of [verweerder]
“uit was op een breuk met Velde”. [verweerder] gaf aan dat dat niet zijn streven was en dat er enkel een zakelijk geschil van mening was over de jaarlijkse salarisindexering. In zijn e-mail van 13 maart 2025 schreef [A] onder meer:
“Om aan te geven dat wij jou dit jaar nog een keer het vertrouwen geven en niet hoeven discussiëren over “penny’s” zullen wij jouw salaris alsnog met 3,58% verhogen”.
Bij e-mail van 21 maart 205 bedankte [verweerder] [A] daarvoor, maar vroeg hij [A] ook om de correcties over 2022 en 2024 nog recht te zetten. [A] reageerde hierop diezelfde dag als volgt:
“Mr. Kamerbeek [2] is altijd van harte welkom, mogelijk kan ik iets voor hem betekenen. De toegezegde 3,58% schort ik wel even op”.
Op 24 maart 2025 werd Velde door de gemachtigde van [verweerder] aangeschreven en vervolgens vond meermaals overleg plaats op 24, 25 en 26 maart 2025 (per telefoon en
e-mail).
[verweerder] heeft op 22 april 2025 bij Rechtbank Oost-Brabant een gerechtelijke procedure (zaaknummer: 11671747 CV 25-2310) geëntameerd om het looncorrectiegeschil te laten beoordelen [3] .
2.5.
Op 23 april 2025 vond een aandeelhoudersvergadering (AVA) van Velde plaats. In de voorbereidende stukken stond een voorstel voor een dividenduitkering van € 300.000,-, maar dat punt werd na de opening van de AVA door [A] van de agenda gehaald, met als boodschap dat het dividend niet zou worden uitgekeerd
“omdat we gisteren een dagvaarding hebben ontvangen van een collega die wel eens veel geld zou kunnen gaan kosten waarbij voor iedereen bekend is om wie het gaat”.
2.6.
Op 30 juli 2025 spraken [verweerder] en [A] elkaar, waarbij [A] aangaf dat [verweerder] met het voorleggen van het loonindexeringsgeschil aan de kantonrechter een stap te ver zou zijn gegaan en dat de arbeidsrelatie daarmee hoe dan ook verstoord zou zijn. [verweerder] verklaarde in reactie daarop dat een afscheid niet zijn insteek was. Enkele dagen later, op 5 augustus 2025, vond er wederom een gesprek plaats tussen [verweerder] en [A] , waarbij [A] het volgende aan [verweerder] voorhield:
Je krijgt 24 uur de tijd om te kiezen:
1) óf je kiest voor een vaststellingsovereenkomst “met het wettelijk minimum”,
2) óf ik ga een ontbindingsverzoek indienen en daarbij een aantal verklaringen van collega’s
opvoeren “om te getuigen hoezeer de arbeidsverhouding verstoord is”,
3) óf je blijft je functie uitoefenen, je komt met een verbeterplan en dat gaan we aan het einde van het jaar evalueren, onder voorwaarde dat je de gerechtelijke procedure intrekt.
De dag erna liet [verweerder] aan [A] weten geen gebruik te zullen maken van de geboden opties. Hij wilde gewoon verder met zijn werk, en het indexeringsgeschil aan de beoordeling van de rechter laten. [verweerder] meldde daarbij overdonderd te zijn van de boodschap en geschrokken te zijn van het dreigement over het opvoeren van verklaringen van collega’s. [verweerder] voelde zich niet langer ‘veilig’ om naar het kantoor van Velde te komen. [verweerder] informeerde Velde hierover op 7 augustus 2025. Velde was daarmee niet akkoord en wees [verweerder] erop dat hij zich kan wenden tot de vertrouwenspersoon (HR) wanneer hij zich onveilig voelt. [verweerder] heeft zich vervolgens op 8 augustus 2025 tot de vertrouwenspersoon van Velde gewend. Zij heeft voorgesteld om een onafhankelijke partij in te schakelen voor advies, te weten de arbodienst.
2.7.
In de tussentijd hadden de gemachtigden van partijen contact.
Op 11 augustus 2025 stuurde de gemachtigde van Velde een uitgebreide e-mail met daarin onder andere de volgende tekst [4] :
“ (…)
(…)
(…)”.
2.8.
Op 15 augustus vond een preventief spreekuur plaats met de bedrijfsarts en die adviseerde het volgende:
“Mijn advies hierbij is als volgt.
Het verhaal van medewerker is consistent en invoelbaar. Mede gelet op aanvullende informatie welke medewerker mij deed toekomen, komt zijn verhaal op mij over als een juiste weergave van de gebeurtenissen. Ik acht daarom de stellingname van medewerker dat ontstane werksituatie op de werklocatie in [plaats vestiging 2] onveilig is geworden voor hem zeer reëel.
Verder kan deze situatie bij voortduren daarvan op termijn een potentiële bedreiging vormen voor zijn duurzame inzetbaarheid in het eigen werk. Een logisch gevolg daarvan is dat hij er voor kiest om dan niet langer te werken op de kantoorlocatie in [plaats vestiging 2] ”.
Dit advies heeft [verweerder] op 22 augustus 2025 met zowel de vertrouwenspersoon als [A] gedeeld, maar daar werd door hen niet op gereageerd.
2.9.
Op 27 augustus 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld. Op 12 september 2025 was het eerste spreekuur bij de bedrijfsarts. De geconstateerde forse energetische en persoonlijk en sociale beperkingen kwamen voort uit ervaren spanningen die waren opgelopen in de werkrelatie. Die leidden ertoe dat [verweerder] niet belastbaar was voor arbeid. De bedrijfsarts adviseerde om onderling contact voort te zetten conform de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten [5] .
2.10.
Op 4 september 2025 vroeg de gemachtigde van Velde verhinderdata op voor een ontbindingsprocedure. De gemachtigde van [verweerder] reageerde hierop als volgt:
"In antwoord op uw bericht stel ik u in kennis van het feit dat cliënt kort geleden ziek is uitgevallen, als gevolg van de gerezen situatie, hetgeen u wellicht nog niet bekend was. Me dunkt dat een ontbindingsverzoek nu niet aan de orde is. Voorts heeft te gelden dat cliënt vanzelfsprekend niet kon voldoen aan de (absurde) eisen die uw cliënte 11 augustus jl. (via u) aan cliënt stelde. De voorwaarden "om in dienst te mogen blijven", kwalificeren als chantage. Dat is respectloos, gezien de uitzonderlijk lange, goede staat van dienst van cliënt. Mocht uw cliënte het voornemen tot ontbinding doorzetten, dan verneem ik dat graag ommegaand en zal ik u de verhinderdagen aan mijn zijde doen toekomen.”
Velde heeft desondanks het ontbindingsverzoek doorgezet.

3.Het verzoek en het primaire, meest verstrekkende verweer

3.1.
Velde verzoekt - kort samengevat - de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op respectievelijk de d-grond, de e-grond, de g-grond en subsidiair op de i-grond, omdat van haar in alle redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] nog te laten voortduren.
3.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert - kort samengevat - aan dat Velde hem na het entameren van een gerechtelijke procedure (om een looncorrectie geschil te laten beoordelen) het leven zuur is gaan maken. De boodschap van de directeur was: trek de rechtszaak in, anders volgt ontslag. Velde heeft vervolgens een ziekmakende en onveilige werksituatie gecreëerd (bevestigd door de arbodienst) waarna [verweerder] inderdaad uiteindelijk ziek is uitgevallen (en nog steeds ziek is, zonder uitzicht op herstel). Toen duidelijk werd dat [verweerder] de gerechtelijke procedure over de salarisindexering niet zou intrekken, diende Velde daadwerkelijk het onderhavige ontbindingsverzoek in. [verweerder] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst niet te ontbinden, primair omdat de reflexwerking van het opzegverbod ex artikel 7:671b lid 6 onder a BW geldt en aan ontbinding in de weg staat.
Ook de opgevoerde redenen kunnen een ontbinding niet dragen.
4. De beoordeling van het verzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
Velde verzoekt om de ontbinding (primair) uit te spreken op de kortst mogelijke termijn en zonder toekenning van een transitievergoeding. Dat is alleen mogelijk als de ontbinding wordt uitgesproken op de e-grond waarbij, zoals Velde ook heeft gesteld, niet alleen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond) maar ook van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Daarom zal voor wat betreft de ontbindingsgronden eerst beoordeeld moeten worden of sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .
Als van verwijtbaar handelen geen sprake is, zal beoordeeld moeten worden of de ontbinding uitgesproken moet worden wegens disfunctioneren (d-grond), een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond) dan wel wegens cumulatie van de e-, d- en g-grond (de i-grond).
Opzegverbod tijdens ziekte
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] , die op 27 augustus 2025 wegens ziekte is uitgevallen, ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek arbeidsongeschikt was. Evenmin staat ter discussie dat [verweerder] ten tijde van de mondelinge behandeling nog steeds arbeidsongeschikt is. Door [verweerder] is verder onweersproken gesteld dat een herstel niet op korte termijn te verwachten valt.
Dat betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW) van toepassing is. Desondanks kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden als het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft (artikel 7:671b lid 6 onder a BW) of als sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen (artikel 7:671b lid 6 onder b BW).
4.3.
Velde heeft gesteld dat de omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen geen verband houden met de ziekte van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst daarom, ondanks het opzegverbod, kan worden ontbonden. Dat geldt, aldus Velde, in ieder geval voor zover de ontbinding op de e-grond is gebaseerd. Velde heeft er in dat verband in het ontbindingsverzoek op gewezen dat [verweerder]
“disfunctioneert gedurende zeer veel aaneengesloten jaren”en dat dit “
(1) in combinatie met de aanpassing van de assessmentrapportage met daarnaast (2) nog een officiële waarschuwing voor het ondermijnende gedrag van [verweerder] en (3) als dieptepunt de weigering van [verweerder] om nog langer op kantoor te werken, terwijl dat verboden is en in weerwil van de thuiswerkregeling, en (4) de ziekmelding, zekerook gezamenlijkernstig verwijtbaar is [6] ”.
4.4.
[verweerder] betwist dat de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd geen verband houden met zijn arbeidsongeschiktheid. Volgens hem is dat namelijk wel het geval. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] erop gewezen dat beoordeeld moet worden of de feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag worden gelegd ook een redelijke grond voor ontbinding vormen wanneer de arbeidsongeschiktheid wordt “weggedacht”.
Nu Velde het ontbindingsverzoek nota bene zelf expliciet relateert aan de ziekte-uitval van [verweerder] doet deze uitzondering zich niet voor, aldus [verweerder] . De ziekte-uitval, het vermeende disfunctioneren, de (volgens Velde) vanwege dat vermeende disfunctioneren vermeend ontstane verstoring van de arbeidsverhouding: het grijpt allemaal op elkaar in en houdt met elkaar verband. Ontbinding is in deze situatie onmogelijk, aldus [verweerder] .
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het opzegverbod aan ontbinding in de weg staat en overweegt daartoe het volgende.
Toetsingsmaatstaf verband met opzegverbod
4.5.1.
De vraag die voorligt is welke maatstaf gehanteerd moet worden bij beantwoording van de vraag of het verzoek geen verband houdt met het opzegverbod tijdens ziekte.
Over de uitleg en toepassing van het in art. 7:671b lid 6 onderdeel a BW genoemde
‘verband’heeft de wetgever zich slechts beperkt uitgelaten. In de memorie van toelichting (
Kamerstukken II,33818, nr. 3, p. 108) staat hierover:
(...) In de wet wordt aangegeven in welke gevallen, bij een redelijke grond voor ontslag, ondanks het bestaan van een opzegverbod de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch kan ontbinden. Dat is het geval als het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de omstandigheid waar het opzegverbod op ziet. Indien er bijvoorbeeld sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer die lid is van de ondernemingsraad, kan de arbeidsovereenkomst toch worden ontbonden, mits die verstoorde arbeidsverhouding geen verband houdt met het feit dat die werknemer ondernemingsraadslid is. Dat spreekt ook voor zich. Als het verzoek daar wel mee verband houdt en de rechter de arbeidsovereenkomst desondanks zou kunnen ontbinden, dan wordt het opzegverbod in feite een loze bepaling. (...)
Een verdere toelichting bevat de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid (Wwz) niet.
4.5.2.
Naar oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 7:671b lid 6 onderdeel a BW mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en díe omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er ‘geen verband’ is. In dat geval kan tot ontbinding worden overgegaan. De kantonrechter vindt hiervoor steun in de conclusie van AG De Bock (Parket HR 20 januari 2023, ECLI:NLPHR:2023:92) en de daaropvolgende uitspraak van de HR (HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:559). De AG- heeft in dat kader geconcludeerd (randnummer 4.48) dat die benadering het best aansluit bij de ratio van het opzegverbod bij ziekte, dat beoogt de werknemer te beschermen tegen een ontslag wegens ziekte en tegen verkorting van de termijn voor het vinden van ander werk, en mede ten doel heeft de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een ontslagaanzegging tijdens zijn ziekte kan veroorzaken (HR 24 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9536, rov. 3, herhaald in HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:276, rov. 3.3.1.)
4.5.3.
Uitgaande van deze maatstaf moet beoordeeld worden of als geabstraheerd wordt van de ziekte, dus als de ziekte wordt weggedacht, er zodanige omstandigheden zijn die voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan leiden.
4.5.4.
Als het om het (primair) aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde verwijtbaar handelen of nalaten gaat, dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord, omdat aan het verwijtbaar handelen Velde onder andere als materiële grondslag de ziekmelding ten grondslag heeft gelegd.
Voor zover de gemachtigde van Velde tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat daarmee
‘slechts de frustratie van Velde ten uitdrukking is gebracht, zodat daar een streep door kan worden gezet’gaar de kantonrechter daar niet in mee. Immers, Velde heeft pas desgevraagd ter zitting deze materiële grondslag, te weten “verwijtbaar handelen vanwege de ziekmelding” ingetrokken en niet eerder, terwijl zij daarvoor voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad. Het is Velde er dus wel degelijk (onder meer) om te doen dat [verweerder] zich ziek heeft gemeld c.q. arbeidsongeschikt is.
Een en ander leidt ertoe dat de kantonrechter de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen niet kan abstraheren van de ziekte van [verweerder] waarop het opzegverbod betrekking heeft.
4.5.5.
Dit geldt ook voor het (subsidiaire) verzoek tot ontbinding wegens de d-grond, (disfunctioneren) en de g-grond (een verstoorde arbeidsverhouding), omdat niet voldoende is komen vast te staan, althans onvoldoende aannemelijk is geworden, dat de omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd geen verband houden met de ziekte van [verweerder] . Zoals door [verweerder] als niet, althans onvoldoende weersproken is gesteld, grijpen deze omstandigheden allemaal op elkaar in en houden deze met elkaar verband.
Hoezeer de arbeidsrelatie op dit moment ook ernstig verstoord is, kunnen deze daaraan ten grondslag liggende gebeurtenissen, althans de meeste daarvan, niet los worden gezien van de ziekte van [verweerder] . Dit betekent dat het opzegverbod aan ontbinding in de weg staat.
4.5.6.
Ontbinding op de cumulatiegrond, de i-grond, is niet voldragen. De omstandigheden die aan de e-grond, de d-grond en de g-grond ten grondslag zijn gelegd, kunnen immers niet worden meegenomen, omdat het opzegverbod daaraan in de weg staat. In de gegeven omstandigheden wel ontbinden op de i-grond zou een ontoelaatbare doorkruising van artikel 7:677b lid 6 sub a BW opleveren.
4.5.7.
Dat de ontbinding moet worden uitgesproken omdat dat in het belang van [verweerder] is, is evenmin gesteld of gebleken (artikel 7:671b lid 6 onder b BW). Integendeel, [verweerder] heeft gemotiveerd gesteld waarom hij belang heeft bij re-integratie. Dat heeft Velde niet (voldoende) betwist.
4.6.
Ook aan bewijslevering komt de kantonrechter niet toe. De omstandigheden waarvan Velde heeft aangeboden bewijs te leveren, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
4.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden en dat de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] [7] geen beoordeling meer behoeven.
4.8.
De proceskosten komen voor rekening van Velde, omdat Velde overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.763,00 (€ 1.628,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter,
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2
veroordeelt Velde in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.763,00,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad [8] .
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.

Voetnoten

1.Zijn salaris zou naar de mening van [verweerder] nog enkele keren moeten worden geïndexeerd, maar dit ligt in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure ter beoordeling voor (zaaknummer: 11671747 CV 25-2310).
2.Mr. Kamerbeek is de gemachtigde van [verweerder] .
3.Zie productie 19 bij verzoekschrift.
4.Zie productie 19 bij verweerschrift.
5.Als productie 24 bij verweerschrift wordt de probleemanalyse van de bedrijfsarts van
6.Zie randnummer 29 van het verzoekschrift.
7.De tegenverzoeken zijn door [verweerder] ingediend onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
8.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.