In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 10 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot adoptie van een meerderjarige, [betrokkene], door de man. Het verzoek is ingediend door [betrokkene] en de man, die samen een langdurige relatie hebben. De rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene] op het moment van indiening van het verzoek meerderjarig was, wat in strijd is met de wettelijke vereisten voor adoptie volgens het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft het verzoek tot adoptie niet-ontvankelijk verklaard, maar heeft wel de emotionele en juridische band tussen [betrokkene] en de man erkend. De rechtbank heeft overwogen dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind zou zijn, maar dat de wet geen mogelijkheid biedt voor adoptie van meerderjarigen. De rechtbank heeft ook het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) besproken, maar geconcludeerd dat er geen recht op adoptie kan worden ontleend aan dit artikel. De rechtbank heeft de familierechtelijke betrekking tussen [betrokkene] en haar moeder in stand gelaten, ondanks de adoptie door de man. De rechtbank heeft de ambtenaar van de Burgerlijke Stand gelast om een latere vermelding van de adoptie aan de akte toe te voegen, en heeft de griffier opgedragen om een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand.