4.1.Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet slechts in zoverre afgeweken van de regeling voor tegemoetkoming in planschade, dat de minister bevoegd is tot het nemen van het besluit.Omdat de rechtspositie van de belanghebbende voor het overige niet anders is dan bij toepassing van de planschaderegeling, is er volgens de Afdeling aanleiding voor overeenkomstige toepassing van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet. De maatstaven voor tegemoetkoming in planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet.
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 14 mei 2020 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het Tracébesluit vastgesteld. Het Tracébesluit is onderdeel van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS). In de toelichting op het Tracébesluit staat dat het doel van het PHS is om op de drukste trajecten van het landelijk spoornetwerk te komen tot hoogfrequent spoorvervoer en een toekomstvaste routering van het goederenvervoer met zo intensief mogelijk gebruik van de Betuweroute. Uitgangspunt van het PHS is dat op de drukste trajecten reizigers elke tien minuten moeten kunnen opstappen op een sprinter of intercity. Een van de aanpassingen om dat mogelijk te maken, gaat over het goederenvervoer. Goederentreinen rijden in de toekomst meer via de Betuweroute, richting ’s-Hertogenbosch en Boxtel en verder. Zo ontstaat er op andere sporen plaats voor extra reizigerstreinen. Het Tracébesluit bestaat uit twee onderdelen die noodzakelijk zijn voor het PHS. Het eerste onderdeel is het realiseren van vier sporen tussen ’s-Hertogenbosch en Vught en een vrije kruising bij Vught. Hierdoor wordt het treinverkeer op de corridor Amsterdam - Eindhoven ontvlochten van de corridor Tilburg - Nijmegen. Het tweede onderdeel van het Tracébesluit is het realiseren van een nieuwe spoorboog bij Meteren om een extra route voor het goederenvervoer mogelijk te maken. De aanleg van deze nieuwe verbindingsboog heeft een toename van het goederenverkeer tussen Meteren en Boxtel tot gevolg.
Het verzoek van eiser om nadeelcompensatie heeft betrekking op de woning aan de [adres] in [plaats] (de locatie). Eiser meent dat deze woning, die hij in augustus 2022 heeft verkocht, door het Tracébesluit in waarde is verminderd. Ook heeft hij naar eigen zeggen door het Tracébesluit emotionele schade geleden.
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding van eiser heeft de minister een adviescommissie (de adviescommissie) als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 (de Beleidsregel) ingesteld om advies te geven over de beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie. De adviescommissie heeft op 22 januari 2024 een definitief advies uitgebracht. Uit het advies volgt dat sprake is van een waardevermindering van de voormalige woning van eiser van € 20.000,-. De waardevermindering houdt verband met de omstandigheid dat vanwege het Tracébesluit meer goederenterreinen langs de voormalige woning van eiser rijden, zodat sprake is van een toename van met name piekgeluiden door een groter aantal passerende treinen en een zeer beperkte toename van trillingshinder. De adviescommissie heeft geadviseerd het verzoek om nadeelcompensatie af te wijzen, omdat de opgetreden waardevermindering als gevolg van het Tracébesluit het normaal maatschappelijk risico niet overstijgt.
Met het primaire besluit heeft de minister het verzoek afgewezen. In het bestreden besluit van 21 augustus 2024 heeft de minister de afwijzing van het verzoek gehandhaafd, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie waarin een aanvullende motivering wordt gegeven.
Het verweerschrift en strijd met de goede procesorde
6. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de rechtbank verzocht om dit verweerschrift buiten beschouwing te laten, omdat deze niet binnen vier weken na verzending van de gronden is toegestuurd. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij door het laat indienen van het verweerschrift onvoldoende tijd heeft gehad om een contrataxatie in te dienen.