ECLI:NL:RBOBR:2025:8298

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
24/3390
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren - Boxtel

Deze uitspraak betreft de afwijzing van een verzoek om nadeelcompensatie door eiser in verband met het Tracébesluit "Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren - Boxtel". Eiser, eigenaar van een woning in [plaats], verzocht om schadevergoeding van € 250.000,- wegens waardevermindering van zijn woning en emotionele schade als gevolg van het Tracébesluit. De rechtbank heeft op 19 december 2025 geoordeeld dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. De rechtbank concludeert dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van een planologisch nadeel dat rechtvaardigt dat eiser in aanmerking komt voor schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser, waaronder de waardevermindering van de woning en de emotionele schade, niet gegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister het verzoek om nadeelcompensatie op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld en dat de afwijzing van het verzoek in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving. De rechtbank heeft ook de procedurele bezwaren van eiser verworpen, waaronder de samenstelling van de adviescommissie en de indieningstermijnen van het verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard, wat betekent dat hij geen recht heeft op schadevergoeding en dat de minister het verzoek om schadevergoeding heeft mogen afwijzen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3390

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigden: mr. S. Deaney en mr. T.W. Franssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om nadeelcompensatie in verband met het Tracébesluit "Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren - Boxtel" (het Tracébesluit). Eiser meent recht te hebben op een vergoeding van € 250.000,-, omdat sprake is van waardevermindering van zijn woning. Tevens verzoekt eiser om schadevergoeding vanwege emotionele schade. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek om schadevergoeding heeft mogen afwijzen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 25 januari 2023 heeft eiser bij ProRail een verzoek om nadeelcompensatie gedaan. Met het besluit van 4 april 2024 (het primaire besluit) heeft ProRail, met mandaat van de minister van Infrastructuur en Waterstaat, dit verzoek afgewezen. [1] In de rest van deze uitspraak wordt naar ProRail als gemandateerde van de minister van Infrastructuur en Waterstaat gerefereerd als ‘de minister’. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister onder aanvullende motivering bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser vergezeld van [naam] en [naam] en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. In deze zaak gaat het om een besluit op grond van artikel 22 van de Tracéwet. Op 1 januari 2024 is de Tracéwet ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.17 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat op dit geschil het oude recht van toepassing blijft.
4. Artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet bepaalt dat indien een belanghebbende ten gevolge van een tracébesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet slechts in zoverre afgeweken van de regeling voor tegemoetkoming in planschade, dat de minister bevoegd is tot het nemen van het besluit. [2] Omdat de rechtspositie van de belanghebbende voor het overige niet anders is dan bij toepassing van de planschaderegeling, is er volgens de Afdeling aanleiding voor overeenkomstige toepassing van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet. De maatstaven voor tegemoetkoming in planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet.
Vooraf
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
 Bij besluit van 14 mei 2020 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het Tracébesluit vastgesteld. Het Tracébesluit is onderdeel van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS). In de toelichting op het Tracébesluit staat dat het doel van het PHS is om op de drukste trajecten van het landelijk spoornetwerk te komen tot hoogfrequent spoorvervoer en een toekomstvaste routering van het goederenvervoer met zo intensief mogelijk gebruik van de Betuweroute. Uitgangspunt van het PHS is dat op de drukste trajecten reizigers elke tien minuten moeten kunnen opstappen op een sprinter of intercity. Een van de aanpassingen om dat mogelijk te maken, gaat over het goederenvervoer. Goederentreinen rijden in de toekomst meer via de Betuweroute, richting ’s-Hertogenbosch en Boxtel en verder. Zo ontstaat er op andere sporen plaats voor extra reizigerstreinen. Het Tracébesluit bestaat uit twee onderdelen die noodzakelijk zijn voor het PHS. Het eerste onderdeel is het realiseren van vier sporen tussen ’s-Hertogenbosch en Vught en een vrije kruising bij Vught. Hierdoor wordt het treinverkeer op de corridor Amsterdam - Eindhoven ontvlochten van de corridor Tilburg - Nijmegen. Het tweede onderdeel van het Tracébesluit is het realiseren van een nieuwe spoorboog bij Meteren om een extra route voor het goederenvervoer mogelijk te maken. De aanleg van deze nieuwe verbindingsboog heeft een toename van het goederenverkeer tussen Meteren en Boxtel tot gevolg.
 Het verzoek van eiser om nadeelcompensatie heeft betrekking op de woning aan de [adres] in [plaats] (de locatie). Eiser meent dat deze woning, die hij in augustus 2022 heeft verkocht, door het Tracébesluit in waarde is verminderd. Ook heeft hij naar eigen zeggen door het Tracébesluit emotionele schade geleden.
 Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding van eiser heeft de minister een adviescommissie (de adviescommissie) als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 (de Beleidsregel) ingesteld om advies te geven over de beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie. De adviescommissie heeft op 22 januari 2024 een definitief advies uitgebracht. Uit het advies volgt dat sprake is van een waardevermindering van de voormalige woning van eiser van € 20.000,-. De waardevermindering houdt verband met de omstandigheid dat vanwege het Tracébesluit meer goederenterreinen langs de voormalige woning van eiser rijden, zodat sprake is van een toename van met name piekgeluiden door een groter aantal passerende treinen en een zeer beperkte toename van trillingshinder. De adviescommissie heeft geadviseerd het verzoek om nadeelcompensatie af te wijzen, omdat de opgetreden waardevermindering als gevolg van het Tracébesluit het normaal maatschappelijk risico niet overstijgt.
 Met het primaire besluit heeft de minister het verzoek afgewezen. In het bestreden besluit van 21 augustus 2024 heeft de minister de afwijzing van het verzoek gehandhaafd, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie waarin een aanvullende motivering wordt gegeven.
Het verweerschrift en strijd met de goede procesorde
6. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de rechtbank verzocht om dit verweerschrift buiten beschouwing te laten, omdat deze niet binnen vier weken na verzending van de gronden is toegestuurd. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij door het laat indienen van het verweerschrift onvoldoende tijd heeft gehad om een contrataxatie in te dienen.
6.1.
In artikel 8:42, eerste lid, van de Awb staat dat indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift indient. In artikel 8:58, eerste lid, van de Awb staat dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen.
6.2.
Uit het dossier volgt dat de rechtbank op 25 september 2024, één dag na ontvangst van de beroepsgronden van eiser, de minister heeft verzocht om een verweerschrift in te dienen. De minister heeft dit op 13 oktober 2025 gedaan. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gestelde termijn. Het verweerschrift is immers niet binnen vier weken na verzoek daartoe bij de rechtbank binnengekomen. Aan deze termijnoverschrijding worden in de Awb echter geen consequenties verbonden. De rechtbank stelt verder vast dat het verweerschrift wel binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn is ingediend. Onder deze omstandigheid ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Hierbij betrekt de rechtbank dat het verweerschrift 10 pagina’s telt en dus beperkt is van omvang. Eiser heeft het verweerschrift één maand voor de zitting ontvangen, zodat hij ook voldoende in staat is geweest om ter zitting adequaat op het verweerschrift te reageren. Verder ziet de rechtbank niet in dat eiser niet al eerder een contrataxatie had kunnen indienen. Hij hoefde hiervoor niet te wachten op het verweerschrift.
De gevolgde procedure
7. Eiser verzoekt de rechtbank te oordelen over de gevolgde procedure. Volgens eiser delegeert de staatssecretaris het verzoek om nadeelcompensatie aan ProRail, een direct
belanghebbende. ProRail zoekt een zogenaamd neutraal bureau om een advies te geven. Diverse schandalen hebben volgens eiser al aangetoond dat deze aanpak erg fraudegevoelig is. De adviseur is tenslotte ook in de toekomst weer afhankelijk van opdrachten van ProRail. Verder is in de bezwaarcommissie het aandeel ProRail-medewerkers substantieel. Ook heeft ProRail alle financiële ruimte en mensen ter beschikking, terwijl de burger hierin volledig op achterstand gezet wordt. Zelfs een onkostenvergoeding om de zittingen bij te wonen is niet van toepassing.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de adviescommissie bestond uit twee leden, werkzaam bij SAOZ en Adviesbureau Van der Vleuten Raadgevers. Beide leden zijn niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van ProRail of de minister, zodat zij in zoverre overeenkomstig artikel 15 van de Beleidsregels als onafhankelijke deskundigen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank komt de leden van de adviescommissie tegen in meerdere zaken en is van oordeel dat de adviescommissie niet afhankelijk hoeft te zijn van toekomstige opdrachten van de minister of van ProRail. Eiser had bovendien de mogelijkheid om op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Beleidsregels zijn bedenkingen te uiten tegen de voorgenomen samenstelling en heeft dat niet gedaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister vanwege de samenstelling van de adviescommissie niet mocht uitgaan van diens advies.
7.2.
Een bezwaarprocedure gaat om een volledige heroverweging van het bestuursorgaan zelf. Ingevolge artikel 7:13 van de Awb mogen leden van het bestuursorgaan deel uitmaken van de bezwaarcommissie., Die bepaling vereist slechts dat de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat daarvan sprake is. Voor het overige worden geen eisen aan de leden gesteld. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb komt eiser in aanmerking voor vergoeding van de kosten die hij verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het primaire besluit niet is herroepen, heeft de minister daarom terecht geen aanleiding hoeven zien voor een onkostenvergoeding.
Bewijsstukken
8. Eiser voert aan dat hij verschillende bewijsstukken heeft aangevoerd, zoals een YouTube-video en rapporten van de Veiligheidsregio over het vervoer van gevaarlijke stoffen, die aantonen dat de toename van treinverkeer in combinatie met het vervoeren van gevaarlijke stoffen leidt tot grotere risico’s voor de omgeving. De bezwaarcommissie stelt dat deze stukken wel zijn meegenomen, maar eiser constateert dat deze stukken niet in het verslag van de hoorzitting zijn opgenomen. Het ontbreken van deze stukken in het verslag doet vermoeden dat deze onvoldoende zijn gewogen in de besluitvorming, wat wijst op een gebrek aan zorgvuldigheid in de afhandeling van het bezwaar.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser deze grond ook in bezwaar heeft aangevoerd, en dat de bezwaarcommissie is ingegaan op deze bezwaargrond. In het advies staat hierover dat tijdens de hoorzitting de bezwaarcommissie in samenspraak met verzoeker concludeerde dat de bewijsstukken als bijlage 9 bij het definitief advies zijn gevoegd en zodoende onderdeel uitmaken van het bezwaardossier. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt verder vast dat het rapport van de Veiligheidsregio waar eiser naar verwijst als bijlage 5 is opgenomen bij het advies van de bezwaarcommissie. Een link naar de YouTube-video is in het advies zelf opgenomen. De bezwaarcommissie heeft in haar advies tevens gemotiveerd waarom het Tracébesluit niet tot veiligheidsrisico’s leidt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Deze grond slaagt dus niet.
De taxatiewaarde van de woning van eiser voorafgaand aan de planologische maatregel
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime, die door de aanvrager als oorzaak van de schade is gesteld, in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt voor de desbetreffende gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of, en zo ja in hoeverre, deze planologische mogelijkheden zijn benut.
10. Eiser voert aan dat de taxatiewaarde van de woning voorafgaand aan de planologische maatregel van € 650.000 te laag is. Eiser verwijst naar een taxatierapport van 12 augustus 2016 waarin de woning is getaxeerd op € 670.000,-. De waardemeter van het Kadaster geeft aan dat in het tweede kwartaal van 2020 de waarde van een woning in Noord-Brabant ten opzichte van het derde kwartaal van 2016 met 28,3% is gestegen. Volgens eiser had de woning dus getaxeerd moeten zijn op € 859.417,-. De minister wijst deze tegentaxatie ten onrechte af op basis van vermeende planologische verschillen en methodologische eisen die volgens de minister niet zijn vervuld. Er is niet onderbouwd waarom de waardemeter van het Kadaster niet als referentie kan worden gebruikt. De uitgevoerde taxatie door de minister lijkt vooral theoretisch te zijn uitgevoerd zonder voldoende aandacht voor de actuele marktontwikkelingen. Eiser wijst er verder op dat uit een WOZ-waardeontwikkeling volgt dat de voormalige woning van eiser tussen 2015 en 2023 minder hard in waarde is gestegen dan andere woningen in [plaats].
10.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in zijn besluitvorming van het taxatieadvies had mogen uitgaan. Deze is namelijk op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen, de gevolgde redenering is begrijpelijk en de conclusies sluiten daarop aan. Daar komt bij dat de uitkomst van de waardemeter van het Kadaster geen rekening houdt met de planologische situatie ter plaatse. Ook houdt de waardemeter geen rekening met de uitkomst van de planologische vergelijking en dus geeft de waardemeter geen inzicht in het verschil in waarde direct voor en na de inwerkingtreding van het Tracébesluit. De minister ziet dit inzicht ook niet in het taxatierapport van 12 augustus 2016. Dat taxatierapport kan bovendien geen basis vormen voor de beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie. Het is immers opgesteld voor een ander doelen dateert van bijna vier jaar voor de peildatum en gaat uit van een onjuist gebruiksoppervlak.
10.2.
Deze grond slaagt niet. De juistheid van het taxatierapport kan in beginsel slechts met vrucht worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Dat heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft slechts gewezen om het taxatierapport uit 2016, maar ter onderbouwing van een betoog dat een taxatierapport onjuist is, is het niet voldoende dat het tegenrapport uitsluitend een andere zelfstandige taxatie stelt tegenover de taxatie die is vervat in het aan het besluit van het bestuursorgaan ten grondslag gelegde taxatierapport. [3] Uit de taxatie van eiser uit 2016 blijkt niet waarom de taxatie waar de minister van uit is gegaan, onjuist is. Uit het door eiser overgelegde taxatierapport valt bovendien niet af te leiden dat bij deze taxatie van de waarde acht is geslagen op de criteria die voor een aanvraag om een tegemoetkoming in nadeelcompensatie van belang zijn en rekening is gehouden met de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime op de peildatum. Het taxatierapport van eiser is opgesteld met een ander doel en uitgangspunt, namelijk voor het verkrijgen van een financiering. Ook de tool van het Kadaster voor het berekenen van de waarde van een aan de hand van een eerder getaxeerde waarde is te algemeen en niet bedoeld als hulpmiddel bij taxaties in een individueel geval waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van een perceel. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat andere woningen in [plaats] gemiddeld met 60% in waarde zijn gestegen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aldus de taxatie aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. De rechtbank vindt deze taxatie begrijpelijk.
De waardering van het planologisch nadeel
Geluid, trillingen en externe veiligheid
11. Eiser voert aan dat de impact van de schadefactoren geluid en trillingen wordt onderschat. Zo heeft de minister bij het bepalen van de geluidsbelasting enkel naar het
gemiddelde geluidsniveau gekeken, maar de piekgeluiden veroorzaakt door het langsrijden en remmen van goederentreinen genegeerd. Juist deze piekgeluiden kunnen als bijzonder hinderlijk worden ervaren. Wat betreft trillingen is vastgesteld dat er een lichte toename is in de trillingsintensiteit (Vper), maar de minister stelt dat dit onder de grenswaarde blijft. Dit houdt echter geen rekening met de cumulatieve impact van zowel de trillingen als het geluid op de leefbaarheid van de woning. De minister heeft geen overtuigende redenen gegeven waarom de toename van deze factoren niet leidt tot een grotere waardevermindering.
Eiser voert verder aan dat de daadwerkelijke toename van het aantal treinen, vooral het vervoer van gevaarlijke stoffen en de gevolgen voor de directe leefomgeving van eiser, onvoldoende is meegenomen. De overgelegde bewijsstukken, zoals de rapporten van de Veiligheidsregio, wijzen op een grotere kans op ongevallen met gevaarlijke stoffen.
11.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat juist kan worden gekeken naar gemiddelden, omdat daarin de piekgeluiden zijn verdisconteerd. Nu het gemiddelde geluidsniveau niet toeneemt als gevolg van het Tracébesluit en als gevolg hiervan er ook geen nieuwe geluidsbron bijkomt, meent de minister dat geen reden bestaat om aan te moeten nemen dat het Tracébesluit tot meer geluidshinder leidt dan het voorheen geldende planologische regime. Piekgeluiden waren eerder ook mogelijk. Volgens de minister moet per schadefactor worden beoordeeld of het schadeveroorzakende besluit tot een planologisch nadeel leidt. Cumulatie speelt dus geen rol.
Wat betreft de factor externe veiligheid is volgens de minister geen sprake is van een planologisch nadeligere situatie. De bezwaarcommissie heeft daartoe vastgesteld dat de voormalige woning van eiser onder het oude planologische regime niet was gelegen in de
PR 10-6-contour, en als gevolg van het Tracébesluit ook niet binnen die contour komt te liggen. Dit betwist eiser op zichzelf ook niet. Eiser wijst slechts op een onderdeel van een rapport van de Veiligheidsregio waarin in algemene zin wordt opgemerkt dat de waarschijnlijkheid op een spoorongeval toeneemt, onder meer omdat het vervoer van gevaarlijke stoffen toeneemt. Tegelijkertijd wordt in het zelfde stuk geconcludeerd dat diverse maatregelen zijn genomen om de kans op een incident met gevaarlijke stoffen te reduceren. Daarnaast wees eiser in bezwaar ook op een YouTube-filmpje, waarin wordt gesproken over de risico’s op ontploffing van een trein met giftige stoffen. Dit alles zegt echter niets over de situatie ter plaatste van de voormalige woning van eiser en kan daarom niet afdoen aan het bestreden besluit.
11.2.
De adviescommissie was in haar advies van mening dat ten aanzien van geluid sprake is van een planologisch nadeel vanwege een toename van met name piekgeluiden door een groter aantal passerende treinen. De minister heeft zich met het primaire besluit en het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het advies op dit punt onjuist is, omdat er geen sprake is van een verslechtering van de gemiddelde geluidsbelasting. Het geluidproductieplafond (GPP) op referentiepunt 17585 (het referentiepunt dat het dichtstbij de woning van eiser ligt) bedraagt namelijk 57,9 dB en dat wijzigt als gevolg van het Tracébesluit niet.
11.3.
Een GPP is de geluidwaarde vanwege een weg of spoorweg in Lden. Hiermee is vastgesteld wat de maximale toegestane geluidbelasting per etmaalperiode mag zijn die geproduceerd wordt door een Rijksweg, een provinciale weg, een industrieterrein, of het hoofdspoor. Een GPP betreft aldus een gemiddelde maximale geluidbelasting.
11.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een verslechtering van de gemiddelde geluidsbelasting, omdat het GPP niet wordt overschreden als gevolg van het Tracébesluit. Eiser betwist ook niet dat als gevolg van het Tracébesluit het GPP niet wordt overschreden. Eiser meent dat sprake is van een planologisch nadeel, omdat piekgeluiden vanwege het Tracébesluit vaker zullen voorkomen door de toegenomen intensiteit van goederenterreinen. Die piekgeluiden zijn echter verdisconteerd in het gemiddelde geluidsniveau, en dus ook in het GPP. De Afdeling heeft al eerder geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of geluidhinder tot planschade leidt, wordt uitgegaan van gemiddelden. [4] Eiser kan worden toegegeven dat het Tracébesluit mogelijk wel leidt tot het (opnieuw of vollediger) benutten van de geluidruimte die het GPP biedt, maar in planologisch opzicht is geen sprake van een verslechtering. Dat recent diverse GPP’s langs het spoortracé in [plaats] zijn verlaagd, maar die nabij de woning van eiser niet, doet daar ook niet aan af. De minister heeft verder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023 [5] waar de adviescommissie op heeft gewezen niet opgaat. Anders dan in het geval van de uitspraak van 29 maart 2023 wordt in deze procedure geen nieuwe geluidproducerende functie toegestaan. Omdat geen sprake is van een planologische verslechtering ten aanzien van geluid, kan ook geen sprake zijn van cumulatie met trillinghinder. Wat eiser daarover aanvoert kan hem dus ook niet baten.
11.5.
Ten aanzien van het aspect externe veiligheid heeft de Afdeling in de uitspraak tegen de vaststelling van het Tracébesluit reeds geoordeeld dat langs het hele tracé en daarmee ook ter hoogte van de woning van eiser wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. Ook het groepsrisico blijft onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde, zodat geen nadere verantwoording vereist is. Reeds daarom mocht de minister uitgaan van het advies van de adviescommissie, waarin staat dat geen sprake is van een planologisch nadeel omdat de veiligheidssituatie niet veranderd is. Deze grond slaagt dus niet.
Gezondheid
12. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke gevolgen van de toename van goederentreinen en de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s. De stress en angst die worden veroorzaakt door de aanzienlijke toename van goederentreinen, vooral ‘s nachts, is een reëel en objectief vast te stellen nadeel voor de gezondheid. Dit wordt ondersteund door het RIVM-rapport 2023-0327 “Hinder en slaapverstoring door trillingen van treinen”, dat ingaat op hinder en slaapverstoring door treintrillingen, evenals het “MER deelrapport - Gezondheid (MB21411-01)” (het MER deelrapport). De minister heeft deze gezondheidsaspecten onvoldoende meegewogen en zich ten onrechte uitsluitend gefocust op de juridische aspecten van planschade. De impact van geluidsoverlast, trillingen en het risico op ongevallen met gevaarlijke stoffen mag niet worden gebagatelliseerd, aangezien deze factoren direct van invloed zijn op de leefbaarheid van de woning en de emotionele en fysieke gezondheid van de bewoners. Gezondheidsschade en immateriële schade zouden, gezien de buitengewone omstandigheden, wél onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
12.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen inkomensderving of een waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van het Tracébesluit voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Emotionele of immateriële schade die eiser stelt te lijden, komt om die reden niet voor vergoeding in aanmerking. Dit volgt uit artikel 6.1, eerste lid, van de Wro. Nu geen sprake is van een planologische verslechtering ten aanzien van de factoren geluid, trillinghinder en veiligheid, kan volgens de minister worden aangenomen dat in het onderhavige geval geen wetenschappelijke aanwijzingen bestaan voor zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van het Tracébesluit. In het MER-deelrapport zijn voor die conclusie ook geen aanwijzingen te vinden. Dat geldt ook voor het RIVM-rapport waar eiser in dit verband naar verwijst.
12.2.
Voor zover eiser verzoekt om immateriële schade geldt dat alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang zijn. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was. [6] Daargelaten de vraag of het RIVM-rapport aanwijzingen bevat over zorgen over gezondheidsrisico’s die een vergoeding van immateriële schade in dit geval rechtvaardigen, dateert het RIVM-rapport van na de peildatum, zodat deze niet van betekenis kan zijn.
12.3.
Het MER deelrapport beschrijft de resultaten van het deelonderzoek ‘Gezondheid’ dat is uitgevoerd in het kader van het milieueffectrapport dat bij het Tracébesluit hoort. Het MER deelrapport bevat voor de vier verschillende deelgebieden waar het Tracébesluit op ziet een effectenbeoordeling voor de aspecten geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit, en koppelt een GES-score of GES-klasse (GES staat voor Gezondheidseffectscreening) die loopt van 0 tot en met 8 aan de adressen die zijn onderscheidden in de vier deelgebieden in de referentiesituatie en in de plansituatie. Daarbij staat een GES-score van 0 voor een zeer goede milieugezondheidskwaliteit, en een GES-score van 8 voor een zeer onvoldoende milieugezondheidskwaliteit. Op deze wijze wordt inzicht verschaft in de verschuivingen in GES-klassen van adressen in de referentiesituatie en in de plansituatie. Als voorbeeld blijkt uit het MER deelrapport dat ten aanzien van het aspect geluid in deelgebied 4 (het deelgebied waar de woning van eiser ook binnen ligt) het aantal adressen met een GES-score van 0 in de referentiesituatie 12.405 is, en in de plansituatie 12.017. Het aantal adressen met een zeer goede milieugezondheidskwaliteit gaat dus omlaag, zodat het aantal adressen met een minder dan zeer goede milieugezondheidskwaliteit dus stijgt.
12.4.
Eiser heeft niet onderbouwd hoe uit het MER deelrapport blijkt van aanwijzingen over zorgen over gezondheidsrisico’s die een vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. De rechtbank heeft die ook niet zelf gevonden. Het MER deelrapport bevat hierover namelijk geen algemeen wetenschappelijk inzicht. De rechtbank is daarom alles overwegend van oordeel dat een redelijk handelend koper mogelijke gezondheidsschade verdisconteert in de schadefactor geluidhinder, trillingen en externe veiligheid, en overigens ook het MER deelrapport beoordeelt de aspecten geluidhinder en externe veiligheid afzonderlijk. Voor vergoeding van immateriële schade is in deze procedure daarom geen plaats, en de minister had gezondheidsschade ook niet als afzonderlijke schadefactor hoeven te beschouwen. Deze grond slaagt dus niet.
Conclusie
13. Gelet op het voorgaande slagen de gronden van eiser over de waardering van het planologisch nadeel niet.
Het normaal maatschappelijk risico
14. Eiser voert aan dat het normaal maatschappelijk risico ten onrechte is vastgesteld op 5%. De toename van het goederentreinverkeer over de spoorlijn Meteren - Boxtel heeft een buitengewoon grote impact op de leefbaarheid en waarde van de voormalige woning van eiser. Deze toename veroorzaakt niet alleen overlast door trillingen en geluid, maar ook veiligheidsrisico’s door het vervoer van gevaarlijke stoffen. De bezwaarcommissie gaat voorbij aan de bijzondere omstandigheden van deze situatie en beschouwt deze ten onrechte als een “normale” ontwikkeling. In dit geval gaat het om een significante verandering van de planologische situatie, ver buiten wat men in redelijkheid kan verwachten als maatschappelijk risico. Dit rechtvaardigt compensatie. Een normaal maatschappelijk risico van 3 à 4 procent is meer in lijn met de aard en omvang van de ontwikkeling. In vergelijkbare gevallen wordt vaak een lagere drempel gehanteerd, vooral als de gevolgen van een infrastructureel project voor de omwonenden disproportioneel zijn.
14.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij terecht een drempelpercentage van 5% heeft gehanteerd om uitdrukking te geven aan het normaal maatschappelijk risico. De uitbreiding van de capaciteit van een bestaande spoorwegverbinding is een normale maatschappelijke ontwikkeling. De ontwikkeling lag in dit geval ook in de lijn der verwachtingen, omdat de ontwikkeling naar haar aard en omvang geheel binnen bestendig ruimtelijk beleid en de ruimtelijke structuur van de omgeving paste. De algemene stelling dat eiser onevenredig zwaar zou worden getroffen door het
Tracébesluit, is onvoldoende om te kunnen onderbouwen dat een lager drempelpercentage gehanteerd moet worden.
14.2.
Voor het antwoord op de vraag of schade binnen het normale maatschappelijke risico valt, is onder meer van belang of de desbetreffende planologische ontwikkeling een normale maatschappelijke ontwikkeling is, waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. Hierbij komt in ieder geval betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid paste en aan de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.
14.3.
De vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien deze motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.
14.4.
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de hoogte van de drempel primair wordt bepaald door het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre de desbetreffende planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Voor het antwoord op voormelde vraag is in ieder geval van belang of en zo ja, in hoeverre de planologische ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid paste.
14.5.
Indien geheel aan beide indicatoren wordt voldaan, mag het bestuursorgaan een drempel van 5 procent van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4 procent in beginsel aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3 procent in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2 procent, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, aangewezen.
14.6.
De minister heeft het advies van de adviescommissie aan zijn bestreden besluit ten grondslag gelegd. Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. [7]
Normale maatschappelijke ontwikkeling
14.7.
In dit geval gaat het om de aanleg van een zogenoemde Zuidwestboog in Meteren waarna het bestaande spoortracé dat ligt nabij de voormalige woning van eiser geschikt wordt gemaakt voor het verwerken van meer goederenvervoer over het spoor. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een normale maatschappelijke ontwikkeling. Eiser noemt weliswaar dat de gevolgen hiervan voor hem disproportioneel zijn vanwege trillingen, geluid, en veiligheidsrisico’s, maar of sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling, wordt los van de omstandigheden van het geval beoordeeld. Deze gevolgen worden bovendien verdisconteerd in de omvang van de schade van eiser. Partijen zijn verder verdeeld over het antwoord op de vraag of de ontwikkeling ook in de lijn der verwachtingen lag op deze specifieke locatie. Voor het antwoord hierop is, als gezegd, in ieder geval van belang of en zo ja, in hoeverre de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid paste.
Passend binnen de ruimtelijke structuur
14.8.
De rechtbank stelt vast dat de adviescommissie in haar conceptadvies in eerste instantie van mening was dat gelet op de structuur van omgeving van eiser, de nieuwe ontwikkeling gezien de aard en de omvang daarvan ter plaatse, in redelijkheid als passend kon worden aangemerkt. Redengevend daarvoor was dat het gaat om een bestaand spoorweggebied waarbinnen geen fysieke maatregelen worden getroffen. In het definitief advies wijzigt de adviescommissie deze overweging en stelt zij dat wat betreft de ruimtelijke structuur het hele tracé in aanmerking moet worden genomen, zodat de nieuwe ontwikkeling gezien de aard en omvang daarvan in redelijkheid gedeeltelijk als passend kan worden aangemerkt. Op sommige locaties vinden namelijk geen fysieke ingrepen plaats, maar op andere locaties wel, zoals ter plaatse van de Zuidwestboog. Daarmee wijzigt de adviescommissie de aftrek van het normaal maatschappelijk risico van 5% zoals in het conceptadvies naar 4% in het definitieve advies.
14.9.
De minister heeft zich met het primaire besluit en het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het advies op dit punt onjuist is. De minister is in afwijking van het advies uitgegaan van een normaal maatschappelijk risico van 5%. Volgens de minister moet ten aanzien de ruimtelijke structuur van de omgeving worden gekeken naar de omgeving van de woning van eiser. Het is volgens de minister niet juist om het project ‘PHS Meteren-Boxtel’ in zijn geheel te bekijken en vast te stellen dat dit op sommige locaties wel en op sommige locaties niet binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past, waardoor de “gemiddelde” eindconclusie is dat de ontwikkeling gedeeltelijk binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Eiser is daarentegen wel van mening dat de minister ten onrechte het normaal maatschappelijk risico heeft vastgesteld op 5%.
14.10.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister. De rechtbank is namelijk van oordeel dat, anders dan waar het definitieve advies van de adviescommissie van uitgaat, het normaal maatschappelijk risico moet worden bepaald voor de betreffende benadeelde en niet voor iedereen die bij het tracé woont. Bij de bepaling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico gaat het er namelijk om of de aanvrager rekening had kunnen houden met de ontwikkeling. Het gaat dus om de gevolgen die de aanvrager ondervindt vanwege de ontwikkeling. De adviescommissie heeft in haar conceptadvies terecht overwogen dat geen fysieke maatregelen worden getroffen aan het spoor nabij de woning van eiser. De ruimtelijke structuur nabij de woning van eiser wijzigt niet. Ook het planologische regime in de nabijheid van de woning van eiser wijzigt niet, terwijl juist als uitgangspunt geldt dat het planologische regime dat onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel gold bepaalt wat de ruimtelijke structuur van de omgeving in een concreet geval inhoudt. [8] Eiser kan worden toegegeven dat als gevolg van het Tracébesluit er meer goederentreinen rijden over het spoor nabij zijn woning, maar omdat hiervoor in de nabijheid van de woning van eiser geen planologische wijziging nodig is, past die intensivering binnen de ruimtelijke structuur. Dat er voorafgaand aan het Tracébesluit in de feitelijke situatie minder goederenterreinen rijden over de spoorweg nabij de woning van eiser acht de rechtbank niet van belang. Aan de feitelijke inrichting van het plangebied of de directe omgeving daarvan, onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel, komt immers in beginsel geen betekenis toe. [9] Dat er in het verleden minder goederenterreinen over de spoorweg nabij de woning van eiser reden is een keuze geweest van de spoorwegbeheerder en andere partijen die gebruik maken van het spoor. Deze partijen hadden er in theorie ook zonder het Tracébesluit er voor kunnen kiezen om het goederenterreinverkeer te intensiveren, alleen zou dat ten koste gaan van het personenvervoer over hetzelfde spoortraject.
Reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid
14.11.
In het advies van de adviescommissie staat dat de intensivering van het gebruik van de spoorverbinding reeds in 2010 onderwerp van beleid was, zodat de ontwikkeling past binnen een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Ter zitting heeft eiser hier tegenover gezet dat het uitgangspunt altijd is geweest dat de Betuwelijn gebruikt wordt voor goederenvervoer.
14.12.
Reeds op 4 juni 2010 heeft het kabinet de voorkeursbeslissing genomen over het PHS. [10] Die voorkeursbeslissing hield onder meer in de realisering van de zuidwestboog bij Meteren zodat goederentreinen naar Venlo en Limburg, via Den Bosch en Eindhoven gaan en op de route Dordrecht–Breda–Tilburg capaciteit wordt vrijgespeeld voor reizigerstreinen. Die voorkeursbeslissing heeft uiteindelijk geleid tot het Tracébesluit. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat de ontwikkeling past binnen een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid.
Conclusie
14.13.
Gelet op het voorgaande is de aanleg van de Zuidwestboog in Meteren en het geschikt maken van het bestaande spoortracé dat ligt nabij de voormalige woning van eiser voor het verwerken van meer goederenvervoer een normale maatschappelijke ontwikkeling die past binnen de ruimtelijke structuur de omgeving en binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Dit oordeel van de rechtbank betekent dat aan beide indicatoren in het geheel wordt voldaan. De minister heeft daarom overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Afdeling een drempel van 5% mogen toepassen bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. Het betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het verzoek om schadevergoeding heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit mandaat en machtiging ProRail inzake uitvoering tracébesluiten, Staatscourant 2011 nr. 8207 en Besluit mandaat en machtiging ProRail inzake uitvoering projectbesluiten, Staatscourant 2024, nr. 12575.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:486.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 55.
4.uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4193, en 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1242.
5.ECLI:NL:2023:1242.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 36.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3735.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 99.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 99.
10.Kamerstukken II 2009/10, 32 404, nr. 1.