Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.BRABANT WATER N.V.,
2.
VITENS N.V.,
3.
WMD DRINKWATER N.V.,
4.
N.V. WATERBEDRIJF GRONINGEN,
5.
OASEN N.V.,
6.
N.V. WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ LIMBURG,
7.
EVIDES N.V.,
8.
N.V. PWN WATERLEIDINGBEDRIJF NOORD-HOLLAND,
1.De zaak in het kort
- i) dat alle landbouwbedrijven die droogteschade hebben geleden, maar van wie die schade nog niet (volledig) is vergoed, alsnog schadevergoeding ontvangen, en
- ii) dat alle landbouwbedrijven die schade lijden in de toekomst jaarlijks een schadevergoeding zullen ontvangen die is vastgesteld op basis van door de rechter te bepalen uitgangspunten.
2.Procedure
- de rolbeslissing van 15 januari 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:139)
- de 8 afzonderlijke conclusies van de Drinkwaterbedrijven houdende een bevoegdheidsincident, tevens conclusies inzake de toepasselijkheid van de WAMCA
- de brief van de rechtbank van 13 juni 2025 over de agenda voor de zitting van 16 september 2025
- de antwoordconclusie van SDW in het bevoegdheidsincident
- de brief van de rechtbank van 18 augustus 2025 (in reactie op randnummer 3 uit de antwoordconclusie van SDW)
- de brief van de rechtbank van 29 augustus 2025 over een rechterswissel
- de akte overlegging nadere productie door Brabant Water N.V (hierna: Brabant Water) van 11 september 2025
3.De feiten
4.De collectieve vordering
vordering (1) sub A t/m Ovraagt SDW vijftien verklaringen voor recht.
vordering (2)vraagt SDW om de Drinkwaterbedrijven ieder te veroordelen tot betaling van het eigen deel van de schadevergoeding over het verleden en voor de toekomst, volgens de regels die de rechtbank daarvoor zal vaststellen.
5.Het geschil en de beoordeling
- a) de bevoegdheid van de rechtbank wordt beheerst door de eigen bevoegdheidsregeling van de artikelen 7.18 lid 4 Wtw en 15.15 Ow; daarin is als de bevoegde rechter aangewezen de rechter binnen wier rechtsgebied het perceel is gelegen waarop beweerdelijk droogteschade door waterwinning is geleden,
- b) deze bevoegdheidsregeling van de Wtw en Ow is een exclusieve regeling; dat volgt uit de systematiek van de wet en is bevestigd in de memorie van toelichting bij de Ow,
- c) vanwege deze exclusieve bevoegdheidsregeling in de Wtw en Ow zijn de algemene artikelen 99 én 107 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) hier niet van toepassing,
- d) de WAMCA (voor zover hier al van toepassing) brengt geen verandering in bestaande bevoegdheidsregels, en artikel 1018e lid 2 Rv schrijft voor dat als een collectieve vordering naar zijn aard aan een bepaalde plaats is gebonden, de zaak zoveel mogelijk bij de ‘dichtstbijzijnde’ lokale rechter wordt afgewikkeld,
- e) het is logisch, efficiënt en praktisch om de lokale rechter te laten oordelen over vorderingen die zien op beweerdelijke droogteschade op percelen in het eigen rechtsgebied, omdat zulke vorderingen naar hun aard bij uitstek fysiek aan het perceel en aan de regio zijn verbonden,
- f) het rechtsgebied van de rechtbank Oost-Brabant omvat alleen (een deel van) het verzorgingsgebied van Brabant Water, niet van de overige Drinkwaterbedrijven, zodat de rechtbank hooguit ten aanzien van Brabant Water bevoegd kan zijn,
- g) omdat SDW niets heeft gesteld over enig concreet schadegeval in het rechtsgebied van de rechtbank Oost-Brabant, kan ook voor wat betreft Brabant Water geen bevoegdheid worden vastgesteld,
- h) een landelijke (collectieve) behandeling van de gehele vordering tegen de verschillende Drinkwaterbedrijven is in strijd met de bedoeling van de wetgever en niet doelmatig; de vorderingen hebben veel gebiedsspecifieke aspecten die voor elk van de Drinkwaterbedrijven verschillend zijn, en voor sommige van de Drinkwaterbedrijven ziet de vordering maar op een zeer beperkte groep landbouwbedrijven,
- i) artikel 107 Rv is hier niet van toepassing, maar zelfs als de rechtbank dat artikel toch zou willen toepassen, dan kan dit er niet toe leiden dat de rechtbank alsnog bevoegd is ten aanzien van alle vorderingen. Brabant Water kan namelijk niet als zogenaamde ankergedaagde dienen, en ook ontbreekt de voor toepassing van artikel 107 Rv vereiste samenhang tussen de vorderingen tegen de verschillende Drinkwaterbedrijven.
relatievebevoegdheid bevat. In de memorie van toelichting staat weliswaar dat hiermee “een exclusieve en eenduidige regeling is gegeven voor de behandeling van vorderingen tot schadevergoeding” maar uit de bredere passage waar deze zin onderdeel van uitmaakt, blijkt dat hiermee is gedoeld op de vraag of deze vorderingen thuishoren bij de civiele rechter en/of bij de bestuursrechter. [4] In de memorie van toelichting is uitvoerig toegelicht hoe en waarom is gekomen tot de keuze om beslissingen over schadevergoeding in alle gevallen bij de civiele rechter te laten en niet (in sommige gevallen) ook aan de bestuursrechter. Daarom moet worden aangenomen dat de woorden ‘eenduidig en exclusief’ in de memorie van toelichting enkel zien op de exclusieve en eenduidige keuze voor de civiele rechter. Aan de vraag wélke civiele rechter – geografisch bezien – bevoegd zal zijn, is in de memorie van toelichting geen aandacht besteed. Hierover is overigens ook niets terug te vinden in de wetsgeschiedenis bij de artikelen uit de Wtw en de Gww. De rechtbank volgt de Drinkwaterbedrijven, gelet op het voorgaande, niet in hun stelling dat de door hen voorgestane exclusiviteit volgt uit de systematiek van de wet.
- de Drinkwaterbedrijven handelen bij het onttrekken van grondwater rechtmatig, in het openbaar belang en ter uitvoering van een publieke wettelijke taak, zonder dat sprake is van normoverschrijdend handelen;
- de Drinkwaterbedrijven kunnen niet stoppen met het onttrekken van grondwater, daarom biedt toepassing van de WAMCA geen finaliteit;
- het oprekken van het toepassingsbereik van de WAMCA tot situaties als hier aan de orde heeft het onwenselijke effect dat commerciële procesfinanciers een verdienmodel kunnen maken van het claimen van grote bedragen aan publiek geld bij maatschappelijke organisaties die rechtmatig handelen in het openbaar belang;
- toepassing van de WAMCA is hier niet nodig omdat de wetgever heeft voorzien in een laagdrempelige en kosteloze buitengerechtelijke route voor de landbouwbedrijven om hun schade vergoed te krijgen, te weten via de ACSG.
- b) Het gaat hier om schadevergoeding op zuiver publiekrechtelijke grondslag bij rechtmatig handelen, wat zich buiten het vermogensrecht situeert. Daardoor mist artikel 3:305a BW, ook gelet op de schakelbepaling van artikel 3:326 BW, toepassing.
- c) De vorderingen van SDW zien niet op ‘dezelfde gebeurtenissen’. Het onttrekken van grondwater is op zichzelf immers geen schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van de WAMCA.
- d) PWN (gedaagde 8) is helemaal geen droogteschade bekend.
“een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen”instellen. In artikel 3:305a BW is niet nader bepaald om wat voor rechtsvordering het moet gaan, maar vaststaat dat het instellen van een rechtsvordering tot betaling van schadevergoeding op grond van dit artikel mogelijk is. Het was immers uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever met de invoering van de WAMCA collectieve schadevergoedingsacties mogelijk te maken.
- a) Blijkens het overgangsrecht is de per 1 januari 2020 in werking getreden WAMCA enkel van toepassing ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.
- b) De ratio van het overgangsrecht is rechtszekerheid; de wetgever wilde niet dat partijen met claimstichtingen te maken zouden krijgen die met terugwerkende kracht collectief schadevergoeding zouden vorderen met betrekking tot gebeurtenissen in het (verre) verleden. Er bestaat geen normatieve grondslag om hierop in dit geval een uitzondering te maken. Het is niet zo dat de Drinkwaterbedrijven hun recht op rechtszekerheid hebben verspeeld door zowel vóór als ná 15 november 2016 grondwater te onttrekken, aangezien zij dat verplicht en rechtmatig hebben gedaan,
- c) De grondwaterwinningen kunnen niet als één – zowel voor als na 15 november 2016 voortdurende – schadeveroorzakende gebeurtenis worden aangemerkt. Elke winning is immers een zelfstandige gebeurtenis. En áls een winning al schade veroorzaakt (wat niet altijd het geval is) dan manifesteert die schade zich hooguit eenmaal per jaar, bij de oogst. Of schade is geleden en wat de omvang daarvan is, moet dus jaarlijks opnieuw worden vastgesteld per perceel. Ook in de memorie van toelichting bij de Ow staat bij artikel 15.15 vermeld dat het gaat om ‘steeds nieuwe schadeveroorzakende gebeurtenissen’,
- d) Grondwaterwinningen kunnen ook niet als een reeks van schadeveroorzakende gebeurtenissen worden aangemerkt die zowel vóór als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, zoals bedoeld als in het amendement Van Gent c.s.