Verzoeker, huurder van een woning in Oss, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege het aantreffen van lachgasflessen en overlast.
De politie trof op twee momenten in de woning respectievelijk 15 en 23 lachgasflessen aan, waarbij ook gebruik en overlast werden vastgesteld. De burgemeester stelde dat de hoeveelheid lachgas een handelshoeveelheid betrof en daarom bevoegd was tot sluiting. Verzoeker betoogde dat het lachgas voor eigen gebruik was en dat hij lege flessen verzamelde om in te leveren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester onvoldoende had vastgesteld hoeveel lachgas daadwerkelijk aanwezig was, terwijl uit jurisprudentie blijkt dat dit mogelijk is. Hierdoor waren er ernstige twijfels over de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan. De belangenafweging viel uit in het voordeel van verzoeker, die anders zijn woning zou moeten verlaten.
De voorlopige voorziening werd toegewezen, het besluit geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar, en de burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.